Reflecties over een coherent onderwijs (Roger Standaert)

Facebooktwittergoogle_plusmail

Op 14 maart organiseerde Ovds (Oproep voor een democratische school) in Gent een debatavond over “Waartoe dient onderwijs?”.

De hoofdspreker op deze avond was Roger Standaert, voormalig directeur van de Entiteit “curriculum” op het Departement Onderwijs en professor emeritus aan de Universiteit Gent.

Hieronder volgt zijn toespraak.

Wanneer het over visies over het onderwijs gaat, zie je vaak deelbenaderingen, die vanuit een bepaald engagement of vanuit een concrete voorkeur worden beschreven. Onderwijsbeleid en maatregelen voor onderwijsvernieuwing moeten echter in een totale context worden bekeken. Het onderwijsbestel gedraagt zich als een soort open systeem, waarbij een verandering in één onderdeel consequenties heeft voor de andere deelsystemen en voor het geheel.
Op een gebalde manier probeer ik een globale kijk op het onderwijs te schetsen. Een dergelijk globaal bekijken van het systeem onderwijs kan nuttig zijn voor discussie en reflectie ten opzichte van maatregelen, vernieuwingen en acties.

Ik doe die poging onder vier rubriekjes. Eerst gaat het over de maatschappelijke functie van het onderwijs. Daarna over de respectieve rollen van overheid ten opzichte van de autonomie van de school of scholengemeenschap. Verder wil ik iets kwijt over mijn visie op kwaliteit en ten slotte zie ik een aantal werkpunten voor de klaspraktijk.

1. De maatschappelijke functie van het onderwijs

Het onderwijs als instelling in een maatschappij vervult drie rollen. Eerst zorgt het ervoor dat jongeren deelgenoot worden van de cultuur waarin ze leven; dat is de acculturatiefunctie. Kinderen en jongeren leren lezen, rekenen, schrijven, sociale en democratische vaardigheden enz.

Een tweede rol is de kwalificatiefunctie. Uiteindelijk moeten afgestudeerden uit het onderwijs economisch actief zijn en ergens een werkplek vinden.

Ten slotte moet het onderwijs ook kansen bieden aan persoonlijke vorming van de jongere: de ontplooiingsfunctie. Die laatste functie is wat in gevaar in een maatschappij die voortdurend werkt met indicatoren, benchmarks, punten en examens. Jongeren moeten zich ook thuis voelen in een school omdat ze daar ook dingen kunnen doen en beleven, die ze zelf vragen. Wanneer jongeren niet graag naar school komen, wordt er niet voldaan aan die derde functie.
De drie functies komen steeds samen. Vooral kan de verhouding er tussen variëren in functie van leeftijd en studiekeuze.

2. Autonomie van scholen(gemeenschap)

Dan kom ik bij de respectieve taken van de overheid en van de plaatselijke school of scholengemeenschap. Ik leg de klemtoon op het beleidsvoerend vermogen van de school/scholengemeenschap, omdat de focus van de kwaliteit van het onderwijs precies in de school en in de klas terug te vinden is. Ik weet ook dat er daartoe nog een lange weg af te leggen is, maar ik geloof rotsvast in de mogelijkheden, die leraren en directies hebben om goede dingen te doen.

Dat heeft consequenties in de taakverdeling tussen overheid en scholen. De overheid bewaakt de contouren van de kwaliteit en vermijdt gebrek aan transparantie en sluit concurrentie uit, die ten nadele van de zwakkeren is. Dus houdt de overheid de bevoegdheid voor een minimumcurriculum (eindtermen), een raamwerk zonder detaillering voor bekwaamheidsvereisten van leraren, de studierichtingen en hun benamingen, een inspectiekorps (geen centrale examens,), peilingsonderzoek, een centrale toetsenbank, loonschalen, minimumlessenroosters en een financieringssysteem op basis van leerlingkenmerken.

Vanuit die lijst taken kan meteen afgeleid worden wat dan naar het meso-niveau van de school/scholengemeenschap gaat. Het begint met de vertaling van en/of toevoeging aan het minimumcurriculum via voorbeeldleerplannen en schoolboeken. Verder ook een flexibel personeelsbeleid binnen vrij algemene centrale contouren (bekwaamheidsbewijzen, reaffectatie, weekprestaties). Examinering en diplomering gebeurt via de klassenraad.

Per scholengemeenschap is er ook een nascholingsbeleid. En voor in tijd beperkte extra taken kan een premiesysteem bestaan (bijvoorbeeld graadcoördinator, een beleidsmedewerker, schoolsportcoördinator). Ten slotte is de begeleiding vraaggestuurd via een bedrag waarover de scholengemeenschap beschikt.In deze taakverdeling moet de koepelorganisatie dienstverlenend optreden, zonder in te gaan tegen de aspecten van lokale autonomie. Leerplannen worden bijvoorbeeld voorbeeldleerplannen.

3. Kwaliteit

Als derde thema kom ik bij het begrip kwaliteit uit. Ik kies voor een definitie van kwaliteit waarbij niet alleen processen en output goed moeten zijn, maar in de eerste plaats de doelstellingen. Dan gaat het bij de kwaliteit van de doelstellingen over een bestendig evolueren in visie en in opvoedingsproject en in het creëren van een draagvlak. Naast de door het parlement vastgelegde contouren creëert iedere school of scholengemeenschap klemtonen voor een eigen kwaliteit.

Het is evident dat daar ook waarden, attitudes en complexe, moeilijk meetbare doelstellingen bij horen. Vele doelstellingen in het onderwijs zijn complexe procesdoelstellingen op langere termijn, die moeilijk op een klassieke wijze kunnen gemeten worden. Het nastreven van die kwalitatief brede doelstellingen vergt ook een positief schoolklimaat waarbij de relaties tussen leerkrachten, tussen leerkrachten en leerlingen en tussen school en ouders daartoe convergeren. De zo bekomen eigen onderwijskwaliteit maakt het ook onmogelijk om scholen te rangschikken. Het beoordelen van de kwaliteit van leerlingen wordt dan ook een complexe taak waarbij de leraren het laatste woord moeten hebben op basis van een diversiteit van gegevens en observaties. De toekomst en het welzijn van de leerlingen moeten de grondgedachte van een dergelijke pedagogisch gerichte evaluatie zijn.

Daarom kunnen er ook geen centrale examens zijn, maar wel peilingsproeven en toetsenbanken. De idee van een selectief getuigschrift aan het eind van de basisschool is dan ook geen goed idee voor een leerling die nog moet gemotiveerd worden om tot achttien jaar school te lopen. De evaluatie blijft in deze visie in de handen van de echte professionals.

4. Werkpunten voor de klaspraktijk

Als laatste en zeker niet het minste aandachtspunt wil ik nog wat doorbomen over de klaspraktijk. De grote uitdaging voor de eenentwintigste eeuw is een goed uitgekiende differentiatiedidactiek. In een klas moeten we kunnen omgaan met een verschil in moeilijkheidsgraad door met basis en uitbreiding te werken. De evaluatie moet dan ook voor de basis en de uitbreiding verschillend en herkenbaar zijn. Ook modulaire systemen met deelcertificaten voor onderdelen van een beroepsopleiding zijn denkbaar.

Onder meer via organisatorische maatregelen binnen de school, moet ook differentiatie in tijd mogelijk zijn. Een aantal leerlingen hebben meer of minder tijd nodig om doelen te bereiken. Het kan door gesplitste klasgroepen, door remediëringslessen, door een vrije ruimte, door extra oefeningen om thuis te maken, door huiswerkbegeleiding, door zelfs in bepaalde gevallen zaterdagklassen of zomerklassen te organiseren.

Het is ook mogelijk te differentiëren in groeperingsvormen. Voor een inleiding in een hoofdstuk zitten leerlingen bijvoorbeeld in grote groepen; voor moeilijke stukken in kleine groepen. Men kan tijdelijk systemen van setting toepassen. Voor begincursussen kan men groeperen over de jaren heen; voor bepaalde vakken over de onderwijsvormen heen.

Om het evalueren van leerlingen humaan en interactief te maken, moeten leerlingen beoordeeld worden in functie van hun eigen vooruitgang. Ze moeten gestimuleerd worden om ‘plus est en vous’ te ambiëren. Daarom geen gemiddeldes, geen plaatsen en geen rangschikkingen; maar wel voortgangsrapporten. Dat alles bij een minimaal opgelegd inhoudelijk referentiekader (eindtermen bijvoorbeeld). Vooraleer deliberatiebeslissingen te nemen, moet de voortgang met de ouders en leerling besproken worden vanuit de vorderingen in basis en uitbreiding. Maar ook hier weer met het welzijn en de toekomst van de leerling voor ogen.
Het voorstel is tegelijkertijd een ambitieus project om stap voor stap aan te werken. Het is uiteraard niet volmaakt en verbeteringen zijn altijd mogelijk.

Roger Standaert

1 REACTIE

  1. Reflectie
    Het systeem van differiëntatie in de klas is verbonden met de cruciale vraag: wat is basiskennis en wat is uitbreiding?
    Wie bepaalt wat basis is en wat uitbreiding is?
    Wil men de leerlingen correct leren spellen, wat is dan basis en wat is uitbreiding?

Comments are closed.