Onderwijs in een veiligheidsstaat

Facebooktwittergoogle_plusmail

Het onderwijs is een institutie die kennis en kunde dient te verspreiden met als doel jongeren op te leiden tot kritische burgers. Maar in deze tijd, waarin de zorg voor maatschappelijke veiligheid bovenaan de publieke en politieke agenda staat, lijkt ook het onderwijs niet te ontsnappen aan het veiligheidsparadigma. Philippe Schmetz, die dit dossier samenstelde, weigert mee te gaan in het paranoïde discours over onveiligheid en vraagt zich af waarom onze politici steeds meer kiezen voor repressie en nultolerantie. Kan sociale vooruitgang en degelijk onderwijs een oplossing bieden die verder reikt?

In haar bijdrage “Onderwijs in een veiligheidsstaat” gaat Latifa Amezghal, stafmedewerker bij Uit de Marge, vzw dieper in op de rol die het onderwijs opneemt binnen het heersende veiligheidsdiscours in de hoop hiermee een aanzet te geven tot kritische reflectie over de mogelijke perverse effecten van beleidsmaatregelen voor jongeren.

In New York, waar sinds het aantreden van burgervader Giulani werd geëxperimenteerd met de zerotolerantie en waar de veiligheid op school rechtstreeks werd overgedragen aan de NYPD, de plaatselijke politie, stelt men zich alvast heel wat vragen bij de wel zeer drastische rambomethodes.

In zijn artikel “School en discipline: terug naar de 19de eeuw” maakt Nico Hirtt een treffende vergelijking tussen het discours van de toenmalige burgerij en de eisen van de nieuwe economische machthebbers vandaag.

Hieronder volgt het eerste artikel:
“Onderwijs in een veiligheidsstaat” van Latifa Amezghal.

Dat onderwijs niet ontsnapt aan het veiligheidsparadigma blijkt duidelijk uit een aantal reële casussen: praktijkvoorbeelden die illustreren hoe onze samenleving zich de jongste decennia heeft georganiseerd rond het voorkomen van problemen en hoe jongeren in het vizier zijn gekomen van restrictieve regelgeving en beleid.

“In een bepaald gerechtelijk arrondissement zijn scholen meer en meer vragende partij voor de organisaties van drugsacties met politiehonden op school. Daarnaast eisen die scholen feedback van het parket over het gevolg dat gegeven is aan de door de school gemelde feiten en wensen ze een kopie van de beschikking van de jeugdrechter. Verder dringen ze aan informatie over de zaak te krijgen. Het parket wordt verzocht uitleg te geven indien de jongere de dag na de feiten terug op school zit. Dat is thans gebonden door het beroepsgeheim.”

“Jongeren worden gesanctioneerd en met name uitgesloten van school voor feiten gepleegd na schooltijd, in de omgeving van de school en dus in de publieke ruimte. De motivatie van de school: het is een risicovolle leerling die al voldoende waarschuwingen heeft gekregen en dit is de druppel.”

“Aan Franstalige kant krijgt het parket meldingen van de school via de politie over een minderjarige die twee halve dagen ongewettigd afwezig was. Waar is het centre psycho-médico-sociaux?”

“Het Centrum voor Leerlingenbegeleiding belt regelmatig naar het parket om meldingen te doen, hoewel de medewerkers gebonden zijn door het beroepsgeheim.”

“In sommige scholen is er camerabewaking. In een bepaalde school was er een diefstal en aan de hand van camerabeelden kon men de jongeren identificeren die de portefeuille hadden gestolen. Als gevolg van de identificatie heeft men klacht ingediend en zijn de feiten via de politie bij het parket terecht gekomen.”

“Sommige scholen zijn ook vragende partij om met parket en politie samen te werken om meer controle en vat te krijgen op de leerlingen.”

“Een leerling heeft gevochten in de bus (openbaar vervoer) na de schooluren op weg naar huis. Als gevolg hiervan werd hij van school gestuurd. Is het aan de school om maatregelen te treffen naar aanleiding van feiten die niet in schoolverband gebeuren? Is het aan het onderwijs tout court om maatregelen te nemen?”

Een samenwerking die vragen doet rijzen

Bovenstaande voorbeelden roepen meteen een aantal vragen op. Van waar komt de samenwerking tussen scholen enerzijds en politie en justitie anderzijds? Hoe zit het met het recht op onderwijs en verdienen minder ingrijpende maatregelen zoals orde- en tuchtsancties op school geen voorrang? Wat met het juridisch principe van onschuld tot het tegendeel is bewezen? Hoe zit het met het doorgeven van (vertrouwelijke) informatie en het recht van leerlingen dat de door hun toevertrouwde gegevens aan het Centrum voor Leerlingenbegeleiding geheim gehouden worden? Wordt het voorkomen en bestrijden van niet tolereerbaar gedrag een bijkomende doelstelling van onderwijs? Hoe ver wil men gaan om de schoolomgevingen “veilig” te houden?

2006: een belangrijke ministeriële omzendbrief

De aanleiding van een samenwerking van voornoemde actoren situeert zich in 2006 als gevolg van een aantal voorvallen die een storm van verontwaardiging hebben geoogst. We denken aan de zogenaamde mp3 moord op Joe Van Holsbeeck, de moord in Antwerpen op de Malinese au-pair Oulematou Niangadou en de tweejarige peuter Luna Drowart door Hans Van Temsche en de steekpartij in Oostende bij een ruzie om een sigaret.

Deze feitelijkheden “in ons land zetten mij aan tot het versterken en versnellen van een aantal genomen maatregelen en initiatieven in het domein van de preventie én integrale aanpak van jeugdcriminaliteit. Veiligheid is een zaak voor ieder van ons” aldus de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Patrick Dewael.

De ministeriële omzendbrief (1) die naar aanleiding hiervan werd uitgevaardigd vraagt aandacht voor de fenomenen geweld, dreiging met geweld en afpersing (het zogenaamde “steaming”) en wapenbezit door jongeren, spijbelgedrag en andere feiten zoals drugsfeiten, geweldsdelicten, diefstallen. De lokale politie wordt verzocht maatregelen te nemen met als doel bij te dragen tot een veilige schoolomgeving. Daartoe dient de politie een partnerschap aan te gaan met de schoolgemeenschappen en als concrete uitvoering hiervan moet de lokale politie in een vast aanspreekpunt voorzien. Het aanspreekpunt vervult een scharnierfunctie tussen de schoolgemeenschappen enerzijds en de lokale politie anderzijds. Het geheel van afspraken (samenwerking – informatie uitwisseling – doorverwijzing – contactpunt) wordt vastgelegd in een overeenkomst. Intussen is de omzendbrief al een hele tijd van kracht. Op basis van de beschikbare praktijkvoorbeelden en lezing van enkele documenten (2) staan we stil bij deze samenwerking tussen enerzijds onderwijs en anderzijds politie en justitie.

Hoe ver staan we vandaag?

In de meeste politiezones is een aanspreekpunt aangeduid en in heel wat zones heeft men een samenwerkingsprotocol afgesloten. Wat kan er nu concreet in een dergelijk samenwerkingsprotocol opgenomen worden? Bij wijze van voorbeeld halen we enkele elementen uit de overeenkomst van de Voerense scholengemeenschap waartoe de directeurs van de desbetreffende scholen zich toe verbinden. “De directeurs brengen de lokale politie onmiddellijk op de hoogte van strafbare feiten en als misdrijf omschreven feiten die door de leerlingen, al dan niet in groep, worden begaan. Ook wanneer de scholen ernstige vermoedens over zulke feiten hebben, brengen zij de lokale politie op de hoogte. Daarnaast engageren zij zich om de lokale politie de toestemming te verlenen om op school preventieve of gerichte acties te voeren, die tot doel hebben de veiligheid van personeelsleden en leerlingen te garanderen. De scholen verlenen aan dergelijke acties hun actieve medewerking. De directie verbindt zich ertoe dezelfde handelwijze toe te passen, wanneer derden aan politie of justitie melding hebben gemaakt van door leerlingen gepleegde strafbare feiten en als misdrijf omschreven feiten of van ernstige vermoedens hiervan. De directeurs verbinden zich in principe om op elke aanvraag van de lokale politie om op school preventief of gericht op te treden in te gaan. Indien de directeur uitzonderlijk aan deze vraag niet kan voldoen, pleegt hij overleg met de ondertekenende partijen.” (3)

Dit voorbeeld illustreert hoe weinig ruimte er is om voorrang te geven aan het subsidiariteitprincipe. Immers, de scholen moeten onmiddellijk de politie op de hoogte brengen van de feiten. Een vechtpartij tussen twee of meer leerlingen is strikt genomen ook een strafbaar feit (geweldsdelict) doch het zou de voorkeur moeten krijgen om zulke zaken op school “af te handelen”. Zulke incidenten kunnen beter binnen de school worden opgelost bijvoorbeeld door middel van een herstelgericht groepsoverleg (HERGO) (4) of door met de betrokkenen in dialoog te treden.

Daarnaast worden zelfs “ernstige vermoedens over zulke feiten” aan politie gemeld. Vooraleer er sprake is van een strafbaar feit en louter op basis van een vermoeden (zie hieronder), wordt het mogelijk om preventief tussen te komen in het leven van jongeren. Hoewel de feiten nog niet bewezen zijn en er van “schuld” geen sprake is, zien we dat inmenging van diverse actoren mogelijk is. Wat met het juridisch principe van vermoeden van onschuld? Ook het recht op onderwijs komt in het gedrang: men kan jongeren van school uitsluiten op basis van nog niet vastgestelde “schuld” (zie praktijkvoorbeeld 2).

Ambtsgeheim, beroepsgeheim en vertrouwen komen in het gedrang

Verder verlenen de scholen actieve medewerking aan preventieve en gerichte acties. Waaruit zou die medewerking dan moeten bestaan? Omvat dit het installeren van situationele preventiemaatregelen zoals camerabewaking, veiligheidsloten of alarmsystemen? Moeten personeelsleden van een school die een pedagogische opdracht hebben “actief” meewerken aan politionele acties? Wat verwacht men dan precies? Dat men “enkel” informatie uitwisselt?

Er is heel wat regelgeving die deze informatie-uitwisseling reguleert, zoals de bepalingen rond het beroepsgeheim, het ambtsgeheim, met meldingsplicht en meldingsrecht. De correcte toepassing van die regelgeving zou een permanente afweging moeten zijn voor het handelen van scholen bij een vraag om informatie van autoriteiten.

Dezelfde reflex is noodzakelijk indien scholen informatie verstrekken. Men kan zich afvragen of die rechtsgronden voldoende bekend zijn en de grenzen van de betrokkenen binnen dit kader voldoende verduidelijkt. Volgend citaat illustreert dat het niet evident is om uit te maken wanneer men een beroep kan en moet doen op de politie: “Nu weten de scholen vaak niet wanneer ze de politie moeten inschakelen. Bedoeling is om dat nu bij elk feit te doen. De verbindingsinspecteur zal telkens contact opnemen met het parket.” Schoolpersoneel – leerkrachten, directie, leerlingbegeleiders, secretariaat – is gebonden door een ambtsgeheim. Het ambtsgeheim of de discretieplicht is de verplichting om bij het uitoefenen van een ambt of functie geen vertrouwelijke gegevens vrij te geven aan anderen dan diegenen die gerechtigd zijn om er kennis van te nemen. Vertrouwelijke gegevens zijn gegevens die de private levenssfeer raken en als dusdanig niet openbaar zijn. Het ambtsgeheim vereist dat er discreet wordt omgegaan met dergelijke gegevens ten aanzien van “personen extra muros”. Het ambtsgeheim houdt dus in dat schoolpersoneel vertrouwelijke gegevens kenbaar moet maken aan de schooldirectie, indien deze daarom vraagt. De directie is echter zelf ook gebonden door de discretieplicht en moet dus discreet omgaan met deze gegevens.

In de concrete praktijk kan bijvoorbeeld de leerlingenbegeleider in vertrouwen worden genomen door leerlingen en binnen deze vertrouwensrelatie over “gevoelige” informatie beschikken. Aangezien deze niet gebonden is door het beroepsgeheim bestaat er een reële kans dat die informatie bij politie en justitie terecht komt als deze de directie erom verzoekt. Puur feitelijke informatie, informatie over objectief vaststelbare gegevens, mag altijd door de school aan de politie worden doorgegeven. Hieronder vallen het al dan niet aanwezig zijn op school van een leerling, strafbare feiten die op school plaatsvinden zoals een leraar die een leerling drugs ziet verkopen op school of getuigenissen van leerlingen over strafbare feiten die ze andere leerlingen zagen plegen. Het CLB-personeel daarentegen is wel gebonden door het beroepsgeheim. Het beroepsgeheim is een geheimhoudingsplicht die van toepassing is op allen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd. Het gaat hier om een zwijgplicht verbonden aan een vertrouwensrelatie. De vertrouwelijkheid is gegarandeerd ten aanzien van alle derden.(5)

Een praktijk die illustreert hoe het recht op privacy en op geheimhouding in het gedrang komt, is de detachering van een ambtenaar van een bepaalde stad (uitvoerende macht) naar het parket (gerechtelijke macht). Diens taak bestaat erin feedback (informatie) te geven aan de scholen in het kader van dossiers die in het kader van de samenwerkingsverbanden door de scholen zijn aangemeld. Bij deze praktijk rijzen enkele vragen: een ambtenaar beschikt slechts over een discretieplicht en zal in aanmerking komen met dossiers waarin vertrouwelijke informatie is opgenomen. Naar ons inzicht is alleen iemand die gebonden is aan het beroepsgeheim gerechtigd hiervan kennis te nemen. Hier lijkt dan ook sprake van een “bevoegdheidsoverschrijding.” Los hiervan kunnen we ons afvragen op welke regelgeving men in dit kader steunt.

Intra muros, extra muros … en zelfs op de lagere school

Schoolpersoneel kan naast zaken die op school gebeuren ook zaken melden die rond de school gebeuren. De bewoordingen in de omzendbrief laten dat toe. Men wil immers veilige “schoolomgevingen” creëren en daartoe gaat men partnerschappen aan met scholengemeenschappen. Dat dit ook zo door sommige betrokken actoren geïnterpreteerd kan worden, verduidelijkt volgend citaat: “Een protocol om snel en preventief agressie van leerlingen in en rond de scholen, alsook het spijbelgedrag aan te pakken, wordt (…) ondertekend. (…) Agressie in en rond de scholen en jongeren met problematische opvoedingssituaties staan hoog gequoteerd om op te volgen.” De ministeriële omzendbrief sluit niet uit dat er ook protocollen kunnen afgesloten worden met scholen van het basisonderwijs. De politie zal zich waarschijnlijk in eerste instantie richten tot de scholen van het secundair onderwijs. Toch kan niet met honderd procent zekerheid worden uitgesloten dat ook lagere scholen het voorwerp van een overeenkomst kunnen zijn. De omzendbrief heeft het ten slotte over “schoolgemeenschappen”.

We kunnen stellen dat er op deze manier een uitbreiding mogelijk is van de actieradius naar lagere scholen met jonge kinderen (en hun gezinnen) om pro-actief en preventief te kunnen optreden. Hoewel de omzendbrief het heeft over “jeugdcriminaliteit en spijbelen” zien we dat men in de concrete toepassing ook andere (probleem)gedragingen zoals rondhangen op straat en “kattekwaad” uithalen aanpakt of dat kinderen met een moeilijke opvoedingssituatie het voorwerp van actie worden.
Het aanstellen van een aanspreekpunt verlaagt de drempel voor (sommige) scholen om klacht in te dienen en feiten te melden. “Tot nog toe bleven zulke overtredingen (diefstallen, vechtpartijen) vaak binnen de schoolmuren en werd er intern een oplossing gezocht. Met het protocol moet de stap naar de politie kleiner worden.”

Het gevaar van de “ernstige vermoedens”

Bijkomend verwacht men van de scholen toestemming en medewerking aan acties wanneer derden aan politie of justitie melding hebben gemaakt van strafbare feiten of bij ernstige vermoedens hiervan. In concreto zouden ouders van medeleerlingen feiten of ernstige vermoedens hiervan aan politie en justitie kunnen melden. Dit hoeft op het eerste zicht niet problematisch te zijn aangezien er een rechtsgrond bestaat om als particulier, onder bepaalde voorwaarden, strafbare feiten te melden aan de procureur des Konings (artikel 30 wetboek strafvordering). Een belangrijke voorwaarde is echter dat de particulier (“derden”) die hiervan melding maakt effectief getuige is geweest van een aanslag hetzij op de openbare veiligheid, hetzij op iemands leven of eigendom. Hier knelt het schoentje: men verlaat immers de piste dat derden (zowel scholen als andere derden) effectief getuige moeten geweest zijn van de strafbare feiten. Het volstaat nu dat er “ernstige vermoedens van strafbare feiten” zijn.

We maken hierbij drie kanttekeningen.

Ten eerste moet men zich afvragen wanneer er sprake is van “ernstige vermoedens van strafbare feiten”. De betrokken partners en de scholen zouden kunnen afspreken dat men bijvoorbeeld moet steunen op feiten of omstandigheden om te kunnen spreken van “ernstige vermoedens van strafbare feiten”. Die vermoedens dienen naar objectieve maatstaven gemeten “redelijk” te zijn, dat wil zeggen “niet enkel volgens de persoon die dit percipieert maar redelijk op zichzelf.” Dit houdt evenwel het risico in van “rolvervaging” en het opnemen van oneigelijke rollen: scholen zijn immers geen politionele of justitiële actoren (zie praktijkvoorbeeld 5).

Ten tweede stelt zich de vraag of het wenselijk is dat scholen en andere derden zulke vermoedens kunnen melden aan politie en justitie. Het blijft mogelijk dat de jongeren de feiten niet heeft begaan.

Ten derde merken we op dat men het legitiem vindt dat er, naar aanleiding van vermoedens geuit door particulieren, politioneel en justitieel opgetreden wordt ten aanzien van jongeren in een schoolse context terwijl dit optreden verregaande gevolgen voor de leerling kan hebben.

Het veiligheidsopbod als middel tot sociale controle

Een belangrijk principe uit het klassiek strafrecht komt in het gedrang, met name dat de overheid pas kan optreden ten aanzien van gedrag dat door de wet als strafbaar is vastgelegd (legaliteitsbeginsel). Het strafrecht is normaliter reactief: het reageert zodra er een misdrijf is gepleegd. De jongste decennia is er sprake van een “verschuiving” van strafrechtelijke grenzen. In een maatschappij waar veiligheid het Leitmotiv is geworden, is niet langer een “strafrechtelijke” inbreuk de aanleiding tot actie, maar het voorkomen of de reductie van veiligheidsrisico’s is centraal komen te staan. Er is niet alleen een verschuiving merkbaar in het moment waarop er reactie komt, ook de aard van het aan te pakken gedrag is veranderd. Problematisch is dat het binnen het huidige veiligheidsdiscours niet langer gaat om reële criminaliteit maar ook om gedragingen die wettelijk zijn toegestaan. Wat vroeger als onprettig, onbehoorlijk of onduldbaar gedrag werd beschouwd, wordt nu als onwettig bestempeld, zoals het rondhangen van jongeren aan de schoolpoort. Ook zien we een verschuiving bij de actoren die instaan voor onze veiligheid. Had de politie vroeger de exclusieve taak om hiervoor in te staan, dan merken we nu dat de verantwoordelijkheid voor veiligheid wordt gedeeld tussen politionele en niet-politionele (of private) partners. En dat men de uitvoering hiervan steeds meer overlaat aan scholen, de hulpverlening, het welzijnswerk, burgers, vrijwilligers, lokale besturen en private (veiligheids)sector. Deze gezamenlijke verantwoordelijkheid krijgt vooral vorm op lokaal niveau in een groeiend aantal samenwerkingsverbanden en netwerken. Die organisaties hebben hun eigen doeleinden, maar krijgen binnen het veiligheidsparadigma een extra functie toebedeeld.

Criminologen waarschuwen voor een al te onkritische strijd tegen criminaliteit en onveiligheid. Professor Patrick Hebberecht concludeert na analyse van strafbaarstellingen dat het strafrecht in toenemende mate wordt aangewend als een sociale controlestrategie ten aanzien van machteloze groepen die een (potentiële) fysische, materiële en culturele bedreiging vormen voor economische en politieke machtsgroepen. “De strafbaarstelling van delicten die nog geen schade teweeg hebben gebracht en de toenemende wens om mensen niet vanwege hun daad, maar vanwege de mate waarin we hen als riskante groepen beschouwen aan te pakken, hebben het strafrecht veranderd.”

“In essentie gaat het om disciplinering van alle groepen in de samenleving wie het uiterlijk en het gedrag afwijkt van de middenklassenorm zoals (bepaalde) jongerengroepen, migranten, druggebruikers, et cetera. Het fundamentele gevaar schuilt hierin dat sociaal-economische problemen van de meest kwetsbaren worden vertaald als een “onveiligheidsprobleem” en maatschappelijke kwetsbaarheid wordt gecriminaliseerd. (6) We kunnen tot een gelijksoortig vaststelling komen inzake het (integrale en geïntegreerde) veiligheidsbeleid. Het veiligheidsbeleid houdt per definitie in dat lokale overheden (bestuurlijke, gerechtelijke en andere in dit geval ook scholen) vertrekken van lokale “noden”. Dit houdt onmiskenbaar risico’s in zich: wiens noden vormen het uitgangspunt van het beleid en welke doelstellingen beoogt men. Het is duidelijk dat “eenieder er zijn eigen inhoud aan kan geven en dat het een lastige en gemakkelijk te misbruiken notie is.

Als we de school in dit kader plaatsen, kunnen we bovenstaande redenering doortrekken: de schoolomgeving dient om jongeren (en hun context) die een bedreiging voor “de veiligheid” vormen te spotten. In België hanteren we nochtans de filosofie van het jeugdbeschermingsrecht. Als staat hebben we ervoor gekozen om minderjarigen te beschermen (ze mogen “fouten” maken, jeugdzondes worden niet op strafblad vermeld, voorkeur wordt gegeven aan pedagogische dan wel “bestraffende” maatregelen). Daarom moet men voorzichtig omgaan met informatie. Blijkbaar hanteren niet alle scholen deze visie. Als het parket of de jeugdrechtbank beslist om een minderjarige niet te sanctioneren voor bepaalde feiten en de jongere terug naar school te sturen, zien we dat sommige scholen als het ware “het recht in eigen handen nemen” en zelf maatregelen nemen. Het lijkt erop dat de procedures en beslissingen van justitie “pro forma” zijn want als bepaalde scholen het niet eens zijn met de beslissing van justitie, schorst de school de leerling definitief. We lijken te evolueren naar een maatschappij waarin controle en sanctie voorop staan en waarin de illusie heerst dat alle risico’s kunnen voorkomen worden. Sommige scholen lijken hier graag in mee te stappen. Hoe is het anders te verklaren dat bepaalde scholen per se een kopie willen van de beschikking en per se willen weten wat het parket besloten heeft? Wat met het geheim van het onderzoek? Wat met de minst ingrijpende maatregel voor de minderjarige? Dat alles staat haaks op de beschermingsfilosofie.

Probleemgedrag van jongeren: een normaal verschijnsel

We weten dat het overgrote deel van probleemgedragingen leeftijdsgebonden is. Vanaf ongeveer de leeftijd van 12 jaar zien we problematisch gedrag verschijnen met een hoogtepunt tussen 15 en 17 jaar. (7) Daarnaast zijn er een aantal jongeren, die geconfronteerd worden met een bijkomende maatschappelijke kwetsbaarheid. Volgens Walgrave en Vettenburg is maatschappelijk kwetsbaar “degene die in zijn contact met de maatschappelijke instellingen telkens weer te maken krijgt met de controlerende en sanctionerende aspecten ervan en minder geniet van het positieve aanbod.“ (8)

“Deze maatschappelijke kwetsbaarheid, het uitgesloten worden uit het positieve aanbod van instituties, en integendeel, het kwetsende ervan ervaren waardoor men in een vicieuze cirkel kan terecht komen van isolatie en delinquentie, kan beschouwd worden als een uiting van existentiële kwetsbaarheid.”(9)

Deze jongeren hebben meestal een verleden van conflict- en pijnervaringen en worstelen met hun leven. Een positieve welzijnsgerichte benadering verdient daarom de voorkeur boven een probleemgerichte aanpak. Het onderwijs en onderwijsbeleid dienen ruimte te creëren voor een schoolcultuur waarin dialoog primeert. Schoolactoren en leerkrachten in het bijzonder zouden moeten beschikken over tools om met de meest kwetsbare kinderen en jongeren te kunnen omgaan en deze maatschappelijke kwetsbaarheid om te buigen.

Ondersteuning van school en jeugdwerk met maatschappelijk kwetsbare jeugd kan van grote betekenis zijn voor maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren. In dit verband zijn er overigens een aantal goede praktijken waarin scholen en jeugdwerkingen met maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren de handen in elkaar slaan om het leven en de schoolsituatie van deze kinderen en jongeren positief te beïnvloeden.

Zulke projecten impliceren een participatieve schoolcultuur waar ruimte is voor dialoog om samen te werken met betrokkenen, die de leefwereld van deze kinderen en jongeren goed kennen.

Latifa Amezghal

Voetnoten

(1) Federale overheidsdienst Binnenlandse zaken – 7 JULI 2006 – Ministeriële omzendbrief PLP 41 tot versterking en/of bijsturing van het lokaal veiligheidsbeleid en de specifieke aanpak van de jeugdcriminaliteit, met in het bijzonder een aanspreekpunt voor de scholen, B.S. 24/07/2006, p. 36397- 36401.

(2) Veiligheidsprotocol der Voerense schoolgemeenschappen ministeriële omzendbrief PLP 41 (Staatsblad,7 juli 2006)

(3) http://www.ond.vlaanderen.be/leerplicht/actoren/politie/PLP%2041%20-%20krijtlijnennota.doc, http://www.tsteunpunt.be/Upload/Extern/Protocol%20scholen%20politie%20parket.doc, http://koine.vsko.be/doc/vvkbao/AM/06-AM_Veiligheid%20samenwerking%20school%20en%20politie.doc
Met name de burgemeester van Voeren, zonechef lokale politie Voeren en Procureur Des Konings van het gerechtelijk arrondissement Tongeren. Er werden criminologen toegewezen aan de parketten om bijzondere aandacht op te brengen voor onder andere jeugddelinquentie en voor de spijbelproblematiek.

(4) HERGO is aangewezen in situaties waarbij er nood is aan herstel door de ene partij naar de andere partij toe, bijvoorbeeld bij feiten van geweld. HERGO is een bemiddelingsvorm waarbij niet alleen de dader(s) en slachtoffer(s) aanwezig zijn, maar waarbij zij elk ook hun “achterban” mogen meebrengen (personen uit hun sociale netwerk, die hen kunnen ondersteunen tijdens het proces). Het gehele proces wordt gestuurd door een moderator/bemiddelaar. Tijdens de HERGO op school probeert men samen een oplossing te vinden voor wat er gebeurd is”.
In: Krijtlijnen inzake de verhouding vast aanspreekpunt lokale politie – school in het kader van omzendbrief PLP 41.
http://www.ond.vlaanderen.be/leerplicht/actoren/politie/PLP%2041%20krijtlijnennota.doc.

(5) ANKAERT, E. en PUT, J., Advies Beroepsgeheim en ambtsgeheim in het onderwijs en de CLB’s, met specifieke aandacht voor de vertrouwensleerkracht en de bijstandspersoon. In opdracht van het departement Onderwijs & Vorming, oktober 2007, te raadplegen via www.ond.vlaanderen.be/clb/thema/Ambtsgeheim_beroepsgeheim/default.htm

(6) Dirk Geldof, ‘Welzijn in dienst van veiligheid?’, p. 12- 24. Alert jaargang 32, 2006, nr.1.
Stefaan Pleysier, “Integrale veiligheid” als dogma? Grenzen aan het heersende veiligheidsdiscours”, Tijdschrift voor Veiligheid 2008 (7). Patrick Hebberecht, “De verpaarsing van de criminaliteitsbestrijding in België. Kritisch opstellen over misdaad en misdaadcontrole in de laatmoderniteit, 2008, VUBPRESS, Brussel.

(7) Johan Deklerck, “De preventiepiramide. Preventie van probleemgedrag in het onderwijs” 2010, Acco, Leuven.

(8) Missie, waarde en visie, “Emancipatorisch jeugdwerk met maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren.” www.uitdemarge.be

(9) Johan Deklerck, “De preventiepiramide. Preventie van probleemgedrag in het onderwijs” 2010, Acco, Leuven.

Wie is Latifa Amezghal?

Latifa Amezghal is geboren en getogen in Genk, in een voormalige mijncité. Lagere school liep ze in een wijkschooltje (met welgeteld 5 ‘blanke’ kindjes, de rest was van ‘vreemde afkomst’). In het secundair onderwijs kwam ze eerst in het beroeps terecht, maar ze behaalde het diploma TSO richting “sociale en technische wetenschappen”. In Hasselt studeerde ze orthopedagogie en was ze vervolgens werkzaam in de gehandicaptensector, voornamelijk met tienerjongens met ernstige gedragsproblemen.
Aan de V.U.B. ging ze criminologie studeren. Na haar stage in de gevangenis van Hasselt, kwam ze terecht in de bijzondere jeugdbijstand en in de Vlaamse administratie, afdeling gemeenschapsinstellingen (gesloten opvang voor jongeren die misdrijf omschreven feiten hebben gepleegd of die wegens een problematische opvoedingssituatie niet meer thuis mogen/ kunnen wonen).

Thans is ze stafmedewerker verbonden aan Uit De Marge vzw, Steunpunt voor jeugdwerk met maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren. De twee centrale thema’s waarrond ze werkt zijn onderwijs en jeugdhulpverlening. Ze staat in voor het beleids-, studie- en vormingswerk m.b.t. de onderwijsparticipatie van maatschappelijk kwetsbare jongeren, de jeugdhulpverlening en de belangenbehartiging.

Uit De Marge is zeer actief op het Vlaamse niveau, voornamelijk op vlak van overleg en werkgroepen van de bovenbouw van het jeugdwerk, met name in de Vlaamse Jeugdraad en bij het Steunpunt Jeugd. Op die manier fungeerde Uit De Marge als een actieve partner voor Vlaams beleid inzake jeugd(werk) en maatschappelijke kwetsbaarheid.

Dit artikel verscheen in “De democratische school”, nr. 43, september 2010.