Jan Van Damme: “Onderwijswereld moet bij de les blijven”

Facebooktwittergoogle_plusmail

Dat we tijdens de Vlaamse regeringsvorming weinig horen over onderwijs, maakt JAN VAN DAMME ongerust. Het beleid van de voorbije jaren was goed, maar het kan beter, zowel voor het basis- als voor het secundair onderwijs. (Vrije tribune in De Standaard, 3 juli 2009)

De beperkte discussie over het onderwijsbeleid suggereert dat we in de komende jaren een voortzetting krijgen van het beleid van de voorbije jaren. Ondanks de vele positieve kwaliteiten van dit beleid zijn er nochtans belangrijke nieuwe prioriteiten.

Wat het basisonderwijs betreft, is de grote achterstand van kansarme leerlingen van allochtone herkomst terecht een prioriteit. Maar ik zie ook drie prioriteiten die vooralsnog buiten het blikveld blijven.

Ten eerste: de goed presterende leerlingen. Uit recent onderzoek blijkt dat het Vlaamse basisonderwijs het in een internationale vergelijking betreffende de leesvaardigheid in het vierde leerjaar, erg goed doet wat betreft de zwakke presteerders maar zeer duidelijk achterop blijft wat betreft de sterk presterende leerlingen. Op dit punt doen minstens twintig landen het beter dan Vlaanderen. Ook aandacht voor sterke leerlingen moet een beleidsprioriteit worden.

Ten tweede is het van belang dat onze basisscholen in staat zijn zelf te beoordelen wat hun sterke en zwakke kanten zijn, in het bijzonder wat betreft de ontwikkeling van hun (verschillende soorten) leerlingen. We verwachten veel van de zogenaamde paralleltoetsen voor de eindtermen en van de informatie die scholen langs die weg kunnen krijgen over waar ze staan met hun leerlingen op het einde van de lagere school. Dat is echter rijkelijk laat: na negen of meer jaar schoollopen. Van groot belang is dat scholen ook de kans krijgen de vooruitgang die hun leerlingen maken in de loop van het lager onderwijs te beoordelen. Initiatieven van onderwijskoepels of in het kader van een lopend interuniversitair project (dat overigens gefinancierd wordt door de Vlaamse overheid) bieden waardevolle mogelijkheden, maar zijn niet leefbaar zonder steun van de overheid of zonder een ernstige verhoging van de werkingsmiddelen van de scholen.

En dan een derde punt: op dit ogenblik maken veel onderwijzers en onderwijzeressen gebruik van de nieuwe mogelijkheden in ons hoger onderwijs om een universitair diploma te behalen. En omgekeerd zijn er heel wat universitair gediplomeerden (ook met beroepservaring) die een diploma van onderwijzer behalen. Velen van hen gaan echter niet werken in het basisonderwijs. Om de zeer eenvoudige reden dat de overheid hen niet als universitair betaalt, tenzij hun school daar zware kosten voor draagt. Daarom de uitdrukkelijke vraag aan de Vlaamse regering om de universitair gediplomeerden niet langer weg te houden uit onze basisscholen. We hebben hen echt nodig om de ambities van ‘Vlaanderen in actie’ waar te maken.

Wat het secundair onderwijs betreft, wordt veel verwacht van een nieuwe hervorming. Toch heb ik de indruk dat de voorliggende voorstellen nog onvoldoende onderbouwd zijn.

Wat de eerste graad betreft, zal men moeten rekening houden met de zeer grote verschillen tussen de leerlingen bij de start. Opsplitsen in klassen met sterker presterende leerlingen en andere met zwakker presterenden heeft echter veelal een negatief gevolg. Leerkrachten neigen dan immers de groepen ‘minder sterke leerlingen’ (of individuele leerlingen uit die groep) te onderschatten. De verwachtingen van de leerkrachten ten aanzien van die leerlingen én de steun die ze krijgen, moet omhoog.

De commissie-Monard stelt voor om de onderwijsvormen (ASO, TSO, KSO en BSO) te vervangen door ‘belangstellingsgebieden‘. Dit klinkt sympathiek. Uit onderzoek is echter gebleken dat het op het einde van het tweede leerjaar voor veel leerlingen nog niet duidelijk is welke richting ze het best uitgaan. Het is naïef te denken dat dit minder het geval zal zijn als het om hun ‘belangstelling’ zal gaan dan om hun algemeen prestatieniveau. Een realistische aanpak vereist dan ook dat een nieuwe studierichting starten voor het vijfde leerjaar mogelijk blijft voor alle leerlingen die dit wensen. Dat dat nu niet kan, heeft volgens mij bijgedragen tot een minder positieve waardering van ons Technisch Secundair Onderwijs.

Wat het gehele onderwijsbeleid betreft, hoop ik dat door de volgende regering een grote stap gezet zal worden naar professionalisering van het onderwijs(beleid). De Vlaamse overheid zegt in het algemeen veel te verwachten van onderzoeks- en ontwikkelingswerk voor toekomstige maatschappelijke innovatie. Alleen blijkt dit niet te gelden voor de onderwijssector waarvoor die overheid de hoofdverantwoordelijkheid draagt.

Waarom geen ‘steunpunt’ voor didactisch onderzoek, dat rechtstreeks relevant is voor de onderwijspraktijk, naast de 14 steunpunten voor beleidsgericht onderzoek? En waarom zo’n beperkt en selectief gebruik maken van beleidsgericht onderzoek in de onderwijssector?

Laat ons dit laatste nog wat concretiseren. Het Rekenhof vroeg onlangs waarom de Vlaamse overheid het gelijke-onderwijskansenbeleid niet echt evalueerde. De minister antwoordde dat de administratie daarvoor niet over het nodige personeel beschikt. Dit deed me terugdenken aan de Vlaamse deelname aan TIMSS, het internationale onderzoek naar prestaties voor wiskunde en wetenschappen in 2003, zowel in het basis- en als in het secundair onderwijs. Dat was tevens het beginjaar van het gelijke-onderwijskansenbeleid.
Als we nu eens opnieuw zouden meedoen aan TIMSS in 2011, dan kunnen we nagaan of de samenhang van de prestaties met de socio-economische herkomst in die periode van acht jaar afgenomen is. En of scholen met meer kansarmen (die nu meer middelen krijgen) het nu relatief beter doen. Dat lijkt me nuttige informatie om na te denken over ons beleid en over de effecten van dit beleid. Overigens, dan kunnen we meteen ook vaststellen of de achteruitgang van het algemeen prestatieniveau van wiskunde in het secundair onderwijs die we in 2003 vaststelden, bevestigd wordt. Een lat die negatieve resultaten oplevert niet meer gebruiken lijkt inderdaad niet de beste oplossing.

We zien hoopvol uit naar de regeringsverklaring en naar het toekomstige onderwijsbeleid.

Deze vrije tribune verscheen in De Standaard, 3 juli 2009

Jan Van Damme is hoogleraar Pedagogische Wetenschappen aan de KU Leuven.