Voorschoolse educatie

Facebooktwittergoogle_plusmail

Tijdens de studiedag “Gelijke kansen: het kan” (rond het boek van Ides Nicaise) op 4 februari 2009 animeerde Analisa Gadaleta de werkgroep “voorschoolse educatie”. Ze gaf een uitgebreide inleiding.

Annalisa Gadaleta (fractiemedewerker Groen! Vlaams Parlement) bedankt de organisatoren om deze werkgroep te mogen begeleiden die een brug poogt te slaan tussen twee verschillende werelden, namelijk ‘welzijn’ en ‘onderwijs’. De realiteit van de 21ste eeuw is fel veranderd, er is volgens haar nood aan meer coördinatie en coherentie tussen de verschillende beleidsdomeinen, en toch worden maar timide stappen ondernomen in deze richting. Goed onderwijs veronderstelt een kind dat zich goed voelt; de leerkrachten kunnen deze doelstelling niet alleen tot een goed einde brengen. Om te illustreren hoe welzijn en school dicht bij elkaar staan, verwijst Annalisa Gadaleta naar GB en de zaak Veronica.

Voor-schoolse educatie – enkele prikkels – stof tot nadenken en discussie:

Annalisa Gadaleta vindt de titel ‘voor-schoolse educatie’ een beetje provocerend voor wie in de kinderopvang werkt, want neemt de school als vertrekpunt. Het onderwijs blijkt dus de “referentie” te zijn, er is een voor en een na. Dat lijkt haar problematisch omdat het de meerwaarde van de kinderopvang als project op zich ontkent maar ook (en nog meer) omdat het de krachtlijnen van het leven van het kind ontkent, voor wie de “voor” en “na” gewoon bestaan omdat de maatschappij zo ingedeeld is en niet omdat dit zijn eigen ritme respecteert. Niemand zal ontkennen dat de sprong van de crèche naar de school heel groot is, om te zwijgen van de sprong tussen de thuissituatie en de school.

Ten laatste lijkt de keuze voor het woord “educatie” heel veelzeggend. Educatie lijkt een middenweg te zijn tussen opvoeding en onderwijs, en toch zouden het onderwijs en de opvoeding “educatie” als doel moeten hebben, ten minste als we vertrekken vanuit de oorspronkelijk betekenis van het woord. Afgeleid van het Latijnse woord “educere”, houdt het woord “educatie” veel beweging in. Vandaag staat in elk opvoedingsproces (ook in het onderwijs, dat deels ook een opvoedingsproces is) een resultaat voorop en niet het proces: we verwachten allemaal, ook als ouders, een kind dat in de maatschappij past, als volwassene, werknemer, consument en als toekomstige ouder. Dat is op zich niet verkeerd: we leven in een bredere context, de vraag is of we ons moeten aanpassen aan deze context of deze in vraag stellen. Ten slotte vraagt Annalisa Gadaleta zich af of het onderwijs bang is voor zijn “opvoedingstaken”? Voor het doorgeven van waarden en normen? Waarom heeft men het over educatie en niet over opvoeding?

Korte geschiedenis

Kinderopvang is niet geboren onder een gelijke kansen ster, integendeel. In het begin ging het vooral om het vinden van een manier om de torenhoge kindersterfte tegen te gaan. Voor de beleidsmakers van de 20ste eeuw waren het niet de slechte levensomstandigheden van de arbeiders die aan de grond lagen van de kindersterfte, maar wel de onwetendheid en slechte zorgen van de werkende moeders. De overheid besloot dan ook de zorgtaken van het gezin over te nemen. Dit was meer vanuit caritatieve dan vanuit emancipatorische beweegredenen. In deze periode mochten ouders bijvoorbeeld – uit hygiënische overwegingen – niet in de crèche komen.

Zonder te gevaarlijke vergelijkingen te willen doen, hoort Annalisa Gadaleta vandaag, in het discours rond de allochtonen in het onderwijs, een beetje een echo van deze manier om over kinderopvang te denken en te organiseren. Het is omdat men allochtoon is dat een achterstand in het onderwijs zich voordoet en niet omwille van de sociale achterstand van de allochtone gezinnen. Het “waarden en normen” debat speelde ook in het begin van de kinderopvang een belangrijke rol. De dominante waarden en normen van de bourgeoisie waren onaantastbaar en universeel verklaard. De arbeiderklasse was niet echt vrij om de kinderen op te voeden op “haar” manier. Het debat over waarden en normen duikt steeds op als men bezig is met de slecht opgevoede kinderen.

De tweede grote golf in de geschiedenis van de kinderopvang komt met de emancipatie van de vrouw via arbeidsparticipatie buitenshuis. Kinderopvang wint dan aan belang. De rol die de kinderopvang gespeeld heeft in de vrouwenemancipatie is trouwens niet te ontkennen. Bij wijze van voorbeeld: de kinderopvang in Rome is ontstaan in de jaren ’70 op vraag van de feministische beweging. In deze tweede golf staat de kinderopvang met al zijn zorgtaken centraal; noch de opvoeding noch de educatie lijken een grote rol te spelen.

In Vlaanderen wordt ook de keuze gemaakt om de kinderopvang niet te sterk te professionaliseren, integendeel: er wordt massaal (meer dan elders in Europa) gekozen voor de onthaalouders, met een huishoudelijke sfeer en vooral goedkope vorm van kinderopvang.

In de jaren ’70 wordt de kinderopvang in Zweden onderworpen aan een diepgaande politieke en maatschappelijke discussie die tot een hervorming van de kinderopvang leidt. De kinderopvang wordt een soort van “pre-school” met drie basisprincipes: 1) kinderen met specifieke zorgbehoeften worden geïntegreerd (tegelijkertijd een vorm van sociale mix en inclusie); 2) de samenwerking met de ouders moet centraal worden; 3) de pedagogie is gebaseerd op dialoog tussen het kind en de begeleider, die een ondersteunde en stimulerende taak heeft. Vandaag is er een Zweden ook maar één opleiding tot leerkracht voor kinderen tussen 0 en 18 jaar; er is een gemeenschappelijke studieperiode en daarna kan men zich specialiseren voor de voor-schoolse, de schoolse of de naschoolse educatie.

Sinds de jaren ’70 heeft de kinderopvang ook enorme stappen vooruit gemaakt in Vlaanderen, maar de stempel “zorg” blijft toch wel aanwezig. Dat heeft zeker met een soort individualisering van de maatschappij te maken: “ik ben vrij om mijn kinderen op mijn manier op te voeden en ik delegeer de opvoedingstaken omdat het niet anders kan”. Het is geen toeval, als men bedenkt dat vooral tweeverdieners grote gebruikers zijn van de kinderopvang. Tegelijkertijd krijgt de kinderopvang ook een sociale functie, bv. de werkzoekende ouder die tijd krijgt om te gaan solliciteren. De pedagogische functie blijft een beetje op de achtergrond staan, maar wint aan belang, zoals het recente debat rond de kwalificatievereisten in de kinderopvang bewijst. De kinderopvang krijgt een extra taak: kinderen klaarstomen om op een goede manier aan het onderwijsparcours te beginnen. (= derde golf in de geschiedenis, kinderopvang krijgt een zorgfunctie, een sociale en pedagogische functie)

Annalisa Gadaleta besluit bovengeschetste geschiedenis met twee opmerkingen.

Een. De kinderopvang is altijd ten dienste geweest van andere maatschappelijke doelstellingen: gezondheid (bestrijden van kindersterfte), economie (ter bevordering van de arbeidsparticipatie van de vrouw), en nu intellectuele doelstellingen (het onderwijs). De kinderopvang moet constant voor zijn eigen plaats en autonomie vechten, en dat bemoeilijkt juist het debat en eventuele toenaderingen tussen het onderwijs en de kinderopvang.

Twee. Het gaat in Vlaanderen meer over opvang dan over kinderen. De plaats van het kind in de kinderopvang is een zeer recente aanwinst; de kinderopvang heeft meer de ouders en de behoeften van de maatschappij centraal gesteld. De vraag hierbij is wat een kwaliteitsvolle opvang kan betekenen voor een kind? De internationale onderzoeken zijn het daarmee eens: vanaf één jaar draagt de kinderopvang bij tot de ontwikkeling van de sociale en intellectuele competenties van het kind; er is veel meer discussie over de effecten van de kinderopvang op zeer jonge baby’s en dat pleit voor een gezinsbeleid dat het thuisblijven mogelijk maakt, samen met de uitbreiding en de diversificatie van het aanbod.

Van opvang naar educatief project

Annalisa Gadaleta vangt het voorlaatste hoofdstuk van haar uiteenzetting aan met een anekdote over Denemarken waar een debat aan de gang is over het verplicht maken van de kinderopvang voor werkzoekenden. De kinderopvang als activeringsmirakel, of kinderopvang (zoals in het begin) als een manier om opvoedingstaken over te nemen? In elk geval toont dit voorbeeld aan dat de kinderopvang een voorbeeld van de nieuwe verzorgingsstaat kan worden.

De verzorgingsstaat vertrekt vanuit het principe van de herverdeling van de rijkdom om een soort collectieve verzekering te garanderen (werkloosheid, ziekte, enz.). Het is in een zekere zin een passief systeem die de huidige kapitalistische economie niet eens meer in vraag durft te stellen. De economie verandert en wordt meer een “kennis” economie; meer kennen en kunnen, met het onderwijs als draaiende motor van de economie. Met als resultaat een te grote kloof tussen degenen die veel weten en degenen die “weinig” weten. Met als consequentie: een toenemende drukte om alle drempels naar het kennen en kunnen weg te nemen. En daarmee kan men niet vroeg genoeg beginnen; de kinderopvang komt in beeld als een nieuwe actor.

Het onderwijs verwacht bepaalde competenties van een kleuter, men kan zich afvragen of dit terecht is? Moet iedereen de schoolpoort binnenkomen met hetzelfde niveau of vooral: moet iedereen met hetzelfde “niveau” buiten komen? En de plaats van de “educatie” in dit verhaal? Het gaat Annalisa Gadaleta om de verhouding tussen kinderopvang en onderwijs als vertrekpunt te nemen voor een serene discussie over de rol en de essentie van het onderwijs. Het is evident dat er vandaag een politiek debat gevoerd moet worden over de herverdeling van de kennis als sleutel tot herverdeling van de rijkdom. En in die zin heeft de kinderopvang wel een rol te spelen. Zoals de titel van de werkgroep doet vermoeden: ‘we moeten investeren in baby’s als we gelijke kansen willen creëren’, maar dit alleen zal niet voldoende zijn.

Een radicale maatschappelijke en economische verandering zal even noodzakelijk zijn. De essentie is dat kinderopvang draait rond het kind en zijn unieke en harmonieuze ontwikkeling.
Momenteel is de bekommernis van het beleid vooral het tekort aan plaatsen in de kinderdagverblijven.

Uitdagingen van kinderopvang

  • een nieuwe manier van werken (zowel wat beleid, bevoegdheden maar ook concrete manieren van werken betreft – bv. coöperatieven);
  • de pedagogie op maat van de doelstellingen van de kinderopvang, Annalisa Gadaleta zou bijna een ‘ecologische pedagogie’ zeggen;
  • samenwerking over de beleidsdomeinen heen en tussen de wereld van “thuis” en de wereld van “de opvang”;
  • diversiteit: niet alleen de taal, maar ook de waarden en normen, de rituelen, de leefwerelden;
  • het respect voor ritme, het groeiproces van elk kind, maar ook respect voor zijn identiteit die ook thuis vorm krijgt;
  • de kwaliteit maar vooral een nieuwe manier van denken rond de kwaliteit (zie de huidige regelgeving van Kind en Gezin);
  • het personeel, juist omdat al deze uitdagingen via de volwassenen (ouders en begeleiders) vorm moeten krijgen. Dat wil zeggen: een andere kwalificatie, vorming en opleiding van het personeel van de kinderopvang (bv. leerkrachten die zowel in een school als in een crèche kunnen werken).

Vragen en bedenkingen

  • Als we het even hebben over het personeel. Zijn mensen nog gemotiveerd om het beroep uit te oefenen?
    Het beroep van ‘kinderverzorgster’ wordt maatschappelijk weinig gewaardeerd. Iedereen zou dat kunnen doen. In de meeste landen wordt een A1 diploma verwacht.
  • Bedenking. Betreffende het tekort aan plaatsen (als enig agendapunt van de regering) en de kwalificatie van het personeel. Moeten we de vereisten nivelleren om meer plaatsen te creëren?
  • Vaststelling. Als we de drie golven in de geschiedenis nogmaals bekijken – vrouwen bij de haard, vrouwen weg van de haard, pedagogie – bevinden we ons momenteel in de tweede golf: kinderopvang is gemakkelijk voor de ouders. Het pedagogisch aspect staat nog in de beginfase.
  • Hoe kunnen we werken rond een mentaliteitswijziging bij de mensen?
    Een beleidsmaatregel kan bijvoorbeeld een opwaardering van het beroep van kinderverzorgster zijn. De zorgtaak is voor de meeste gezinnen voldoende, maar sommigen willen daadwerkelijk meer.
  • Vaststelling; Het heeft geen zin om te investeren in de sociale functie als je niet investeert in de pedagogische functie.
  • Vaststelling. Er zit veel potentieel in de investering in baby’s. In België is dat nog steeds minder prioritair, het staat zelfs nog niet op de politieke agenda.
  • Vaststelling. Vanuit de kinderopvang vindt men het normaal dat als één ouder thuis is, de kinderen ook thuisblijven. Dit heeft te maken met het tekort aan plaatsen. Er zou verandering in moeten komen door een beleidsmaatregel.
  • Vaststelling/slotopmerking. Kinderopvang = betalend, dus het is geen onderwijs. Het is logisch dat kinderen meer thuisblijven als één of beide ouders thuis zijn. Kinderopvang wordt momenteel niet geregeld door decreten maar door besluiten die constant veranderen. Annalisa Gadaleta pleit voor een decretale vastlegging. Zij vraagt zich af of verandering moet komen vanuit het onderwijs of vanuit de kinderopvang? Momenteel denkt men dat het een EN..EN..verhaal is.

De aandacht voor kinderopvang gaat momenteel niet naar de kinderen. De clash tussen de crèche/opvoeding van ouders en naar school gaan is groot. Zo is men bv. de taal niet machtig, krijgt men weinig aandacht, is er teveel lawaai,..In die zin kan kinderopvang wel een goede brug zijn met de school. Men gaat er tegenwoordig van uit dat alles vroeger moet starten.

Annalisa Gadaleta pleit voor aandacht voor het tempo/eigenheid/ritme van kinderen. Kinderen moeten centraal staan. Een kind dat zich goed voelt, presteert nu éénmaal goed op school. De brug met welzijn is zeer belangrijk. Net zoals de samenwerking met de ouders en de kinderopvang zeer belangrijk is. Bv. in Zweden bestaan coöperatieven van ouders die crèches oprichten. In Vlaanderen zijn de crèches parentales zo goed als onbestaande. Betrekken van ouders is trouwens ook emancipatorisch interessant. Men moet ook beseffen dat de opvoeding niet overal gelijk is. Deze culturele verschillen moeten meegegeven worden bij de opleiding.

– Is er een decreet op komst?

In deze en vorige legislatuur werden er al drie werkgroepen opgericht maar bestaat er nog geen decreet. Dit heeft veel te maken met de kloof die bestaat tussen de erkende en gesubsidieerde kinderopvang (kost €45 per dag per kind aan de overheid) en de zelfstandigen (de overheid gaat vanuit een kost van €25 per kind per dag). Zolang dit niet wordt opgelost, komt er geen decreet. Bovendien is de huidige vraag van de kiezer: creatie van meer opvangplaatsen.