Is er een verschil in onderwijskwaliteit tussen de netten?

Facebooktwittergoogle_plusmail

De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, of kortweg de OESO, peilt om de drie jaar naar de kennis van vijftienjarigen. Het recentste Pisa-onderzoek – en Pisa staat dan voor Programme for International Student Assessment – werd in 2006 in 57 landen uitgevoerd. In het onderzoek, waaraan ongeveer 8.000 Vlaamse en Franstalige leerlingen deelnamen, werd ook het vrije onderwijs, voornamelijk katholieke scholen dan, vergeleken met het officiële net, zeg maar de scholen van gemeenten en steden, provincies en het gemeenschapsonderwijs. Senator Alain Destexhe, en met hem De Standaard, beweerden, op basis van deze resultaten, dat het Vlaamse vrije onderwijs kwalitatief beter scoorde dan het Vlaamse officiële onderwijs. Te kort door de bocht, zo bleek later!

Dé essentiële vraag is en blijft natuurlijk of een Pisa-onderzoek, waar wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid en leesvaardigheid worden getoetst, wel iets kan zeggen over de kwaliteit van onze scholen en zeker over de kwaliteit van onze onderwijsnetten. Wij vroegen het aan Ides Nicaise van het Leuvense HIVA.

Ides Nicaise:

Uit een onderzoek zoals Pisa kun je heel veel halen. Waar ik Pisa persoonlijk het interessantst voor vind, is voor vergelijkingen tussen onderwijssystemen. Ik bedoel daarmee dat door het feit dat je meer dan vijftig landen hebt in dat onderzoek, je ook de macroaspecten van het onderwijssysteem met elkaar kunt vergelijken en de invloed van deze macrokenmerken op de resultaten van leerlingen kunt meten. In het ene land begint men bijvoorbeeld later aan het secundaire onderwijs dan in het andere land. In het ene land splitst men vroeger leerlingen op in verschillende studierichtingen dan in het andere. In het ene land hecht men meer belang aan toetsing dan in het andere land, en al dat soort dingen meer. Ook de organisatie van scholen, de omvang van scholen, de omvang van klassen, al dat soort dingen worden meegenomen in Pisa en dat levert dus een heel rijke bron van materiaal op.

Maar we moeten wel opletten met één ding. Pisa is een toets bij vijftienjarigen en dus een momentopname. Op die manier kun je dus niet longitudinaal, door de tijd heen, leerlingen volgen. En als je de invloed van een school op een leerling wilt meten, dan zou je eigenlijk moeten kunnen corrigeren vóór de beginfase, dus op het moment dat de leerling in een school binnenstapt, om te zien wat precies de toegevoegde waarde is van wat de school heeft bijgebracht aan die leerling. Dat kun je met Pisa niet. Dat is een statistische beperking waar we omheen moeten proberen te geraken. Dus sommige dingen kun je beter niet met Pisa, andere wel.

Het Vrije Woord:

De essentiële vraag is en blijft natuurlijk: wat streven we na met ons onderwijs? Ik neem aan dat een onderzoek als Pisa daar eigenlijk weinig over kan zeggen!

Ides Nicaise:

In Pisa zitten heel veel vragen, maar wat telkens opnieuw de voorgrond en de voorpagina’s van de kranten haalt, zijn de scores op wiskunde, wetenschappen en taal. Dat zijn cognitieve resultaten, dat zijn outputs. Dat wil zeggen: wat presteert een leerling op vijftien jaar op deze items? Daarmee is geen toegevoegde waarde gemeten en daarmee is ook alleen de cognitieve dimensie van het onderwijs in kaart gebracht. Er zijn daarnaast nog heel wat andere zaken waarvoor het onderwijs zich verantwoordelijk voelt. Ik denk bijvoorbeeld aan technische, aan praktische vaardigheden en ik zou het heel leuk vinden om eens een soortgelijk Pisa-onderzoek te zien waarbij men de praktische vaardigheden van vijftienjarigen in kaart brengt.

Er is een onderzoek aan de gang, georganiseerd door de Oproep voor een Democratische School, waarbij men de burgerschapsvaardigheden van leerlingen meet op het eind van het secundaire onderwijs. Dat wordt in Pisa niet gemeten en dit is mijns inziens zeker zo belangrijk. Het onderwijs heeft zeker ook de ambitie om jonge mensen op te voeden tot bewuste, kritische burgers, en die vaardigheden zitten in Pisa niet.

Er zijn nog andere aspecten, zoals het welbevinden van leerlingen. Er zijn in Pisa wel vragen opgenomen in die zin, maar die worden praktisch nooit gebruikt, ze worden niet geanalyseerd. En ook dat is nog stof voor veel verder onderzoek. En ten slotte denk ik ook aan factoren zoals sociale gelijkheid en gelukkig wordt daar in Pisa grote aandacht aan gegeven. Dus als je een oordeel wilt vellen over de kwaliteit van een school bijvoorbeeld, kijk dan niet alleen naar wat de leerlingen presteren op wiskunde, maar kijk ook naar andere aspecten, zoals hun welbevinden, en kijk naar de sociale gelijkheid in de resultaten op die school.

Het Vrije Woord:

Als we even terugkeren naar onze oorspronkelijke vergelijking – aan de ene kant het vrije onderwijs, hoofdzakelijk katholieke onderwijs, en aan de andere kant het officiële onderwijs –, dan vergelijken we eigenlijk toch wel twee dingen die niet helemaal hetzelfde zijn. Ik denk bijvoorbeeld: het gemeenschapsonderwijs heeft veel meer technische richtingen, beroepsscholen ook. Moeten er dan geen correcties worden uitgevoerd?

Ides Nicaise:

Absoluut, en u verwijst daar naar de studie die senator Destexhe enkele maanden geleden in de pers heeft gebracht, waarbij hij nogal snel concludeert dat het katholieke onderwijs beter presteert dan de andere netten, dan het officiële onderwijs. Zelfs Mieke Van Hecke van het katholieke onderwijs heeft onmiddellijk gereageerd dat men daar zeer voorzichtig mee moest omspringen, dat men eigenlijk appelen met peren vergelijkt. Destexhe houdt voet bij stuk omdat hij zegt rekening te hebben gehouden met verschillen in het scholingsniveau van ouders en met verschillen in de etnische achtergrond van de leerlingen. Het is namelijk zo dat in het gemeenschapsonderwijs bijvoorbeeld meer leerlingen van allochtone afkomst zitten en ook meer leerlingen met laaggeschoolde ouders. Dat heeft te maken met sociologische en historische realiteiten en daarmee moet zeker rekening gehouden worden.

Maar er is meer aan de hand dan alleen het scholingsniveau of de etnische afkomst van ouders. Je zou tal van factoren onder controle moeten kunnen houden om echt de toegevoegde waarde van een school te kunnen meten. Er zijn ook goede onderzoeken geweest op basis van andere databronnen. Ik denk aan het Loso-onderzoek, dat hier vanuit Leuven is gevoerd in de jaren negentig, en nu het lopende Sibo-onderzoek. Loso ging over het secundaire onderwijs, en het Sibo-onderzoek gaat over het basisonderwijs. Wat doet men daar? Men volgt een cohorte leerlingen die instapt in de derde kleuterklas en men volgt die door het hele lagere onderwijs. Het voordeel van die benadering is dat je effectief toegevoegde waarde kunt meten, kunt zien wat de beginsituatie van die leerlingen was en je kunt x-jaren achteraf kijken waar zij staan op allerlei domeinen. Met deze correctie voor de beginscores van leerlingen ziet men al dat de verschillen tussen netten bijvoorbeeld niet meer significant zijn.

Er zijn dus geen noemenswaardige verschillen meer tussen netten naarmate je bijkomende statistische verfijningen gaat toevoegen. Er is in de statistiek heel veel debat over de methodologie waarmee je dergelijke vergelijkingen moet maken, maar als je corrigeert voor het feit dat sommige scholen echt selecteren in hun doelpubliek of dat sommige ouders zichzelf selecteren naar bepaalde netten of scholen, dan kom je soms zelfs tot omgekeerde effecten, namelijk dat het gemeenschapsonderwijs beter presteert dan het vrije onderwijs.

Dus het debat daarover is zeker niet beslecht. Laten we zeggen: gelukkig, want het is zelfs niet wenselijk, denk ik, dat er systematisch dergelijke halve waarheden de wereld ingestuurd zouden worden, want dat heeft natuurlijk zeer nefaste gevolgen voor de schoolkeuze van ouders. Dat zou ouders die zelf niet wetenschappelijk geschoold zijn, aansporen tot verkeerde keuzes. Dus onderzoekers in Vlaanderen zijn het momenteel roerend eens over het feit dat je geen appelen met peren mag vergelijken, dat je op dit ogenblik geen enkele evidentie hebt om te zeggen dat het ene net systematisch beter presteert dan het andere. Wat is er aan de hand? Wel, in het vrije onderwijs krijg je een zekere selectie van mensen, het is natuurlijk ook het grootste net, maar het zijn scholen die zich in het verleden ook hebben kunnen permitteren – en een aantal scholen doet dat ongegeneerd – om leerlingen te selecteren op basis van bijvoorbeeld hun intelligentie, hun studieresultaten in het vorige onderwijsniveau en dergelijke meer. Ik wil zeker niet alle scholen over één kam scheren, maar in het vrije onderwijs kon dat gemakkelijker. Momenteel wordt dat moeilijker. Daardoor krijg je dus de indruk dat leerlingen in het vrije onderwijs beter presteren en dat die scholen beter zouden zijn. Het ligt dus niet aan de toegevoegde waarde van de scholen, maar aan het soort selectiemechanismen.

Het Vrije Woord:

In verband met de kwaliteitsbevorderende factoren van het onderwijs wordt nogal eens verwezen naar de autonomie van de scholen. Een grotere autonomie, onder meer inzake personeelsbeleid, zou in een betere kwaliteit kunnen resulteren!

Ides Nicaise:

Ook daar wil ik verwijzen naar internationaal onderzoek. Het is inderdaad zo dat in onderwijssystemen waar meer vrijheid heerst op het lagere echelon, op het niveau van scholen, van gemeenten, ook gemiddeld beter gepresteerd wordt. Dus autonomie is goed voor de prestatie van scholen.

Maar autonomie heeft ook haar mogelijke risico’s en zelfs perverse effecten in termen van ongelijkheid. Ik denk bijvoorbeeld aan wat in Zweden heeft plaatsgevonden in de jaren negentig. Men heeft sinds 1991 het onderwijs gedecentraliseerd naar de gemeenten toe en een paar jaar nadien heeft men ook de vrije oprichting van scholen in Zweden ingevoerd. Misschien wel goed voor de gemiddelde prestaties in de scholen, omdat je op die manier een zekere concurrentieprikkel in het systeem inbouwt, maar het blijkt in elk geval dat de ongelijkheid daardoor is toegenomen en dat er zelfs groepen zijn in de samenleving, ik denk aan allochtonen in Zweden, die erop achteruit zijn gegaan door dit systeem. Dus je moet heel voorzichtig zijn met autonomie en proberen ze zo door te voeren dat ze niet ten nadele of ten koste gaat van de zwakste groepen.

Tot zover nog Ides Nicaise over de kwaliteit van het onderwijs.

Transcriptie van een uitzending van “Het vrije woord” (25 augustus 2008, VRT-radio)

Samenstelling en presentatie waren van Frank Stappaerts.
De tekst van dit programma kun je bestellen bij de Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging, Lange Leemstraat 57, 2018 Antwerpen, tel.: 03 233 70 32. Of op [www.h-vv.be.
->http://www.h-vv.be]

1 REACTIE

  1. Hervormingen Pascal Smet en Gelijke Kansen
    Zijn kinderen van (al dan niet gespecialiseerde) loontrekkenden niet het meest gebaat met een onderwijs dat de hoogste eisen stelt op gebied van sociale vaardigheden, wiskunde, wetenschappen, talen ? Kan de lagere school in zes jaar tijd de talenten en interesses van leerlingen niet ontdekken zodat ze op twaalfjarige leeftijd al een keuze kunnen maken zodat het secundair de tijd heeft om zijn leerlingen klaar te stomen voor een hoge opleiding aan de universiteit? De onderwijzer zou er toch moeten in slagen om te bepalen of kinderen ASO, TSO of BSO moeten volgen (En ik spreek hiermee geen “waarde”-oordeel uit over deze onderwijsvormen.), want indien Smet zijn hervormingen doorvoert, dan is de tijd voor de voor de “carrière” van de leerling interessante vakken (dat kan dus ook muziek of techniek zijn…) binnen het secundair nog beperkter. Ik stel vast dat ondanks inspecties leerlingen in het secundair nog altijd heel wat tijd verspillen (bvb powerpoints maken met knip en plak materiaal van internet of het lezen van banale teksten omdat literatuur te elitair is?). Ik zie ook dat leerlingen die willen slagen in het ingangsexamen geneeskunde, buiten schooltijd (en dikwijls tegen betaling) extra lessen moeten volgen, terwijl ze aan bepaalde activiteiten moeten deelnemen die voor hen ballast zijn. Na de passage van Smet op onderwijs dreigt deze toestand nog te veralgemenen. Hogere opleidingen voor kansarme kinderen worden de facto moeilijker gemaakt.

Comments are closed.