Het geven van een naam is een vorm van in bezit nemen

Facebooktwittergoogle_plusmail

In zijn nieuwe boek Europese namen voor de wereld gidst Jacques Pauwels ons door de geschiedenis van de Europese ontdekkings- en veroveringsreizen met behulp van de onomastiek, de studie van de herkomst van namen. Een gesprek over Columbus, Kaffers en Visigoten.

Er zijn maar weinig geschiedkundigen die zich bezighouden met onomastiek. Waarom heeft u voor deze methode gekozen om het tijdperk van de ontdekkingsreizen en de kolonisatie te bestuderen?

Jacques Pauwels.

Het gooit een ander licht op die geschiedenis. Wat ik te vertellen heb over de Europese gebiedsuitbreiding ondermijnt de bestaande interpretaties niet, maar vult ze aan. Zo is het geven van een naam aan mensen of aan een land een vorm van in bezit nemen. Als de Europeanen ergens aankwamen, vroegen ze nooit: ‘hoe heet u?’, maar zeiden ze: ‘wij noemen u’. Dat is een vorm van macht uitoefenen over die mensen.

Dat waren ook vaak christelijke namen. Denk maar aan San Juan, San Francisco, Santiago, … Het was de bedoeling dat die heiligen de veroveraars zouden bijstaan in hun strijd. Neem bijvoorbeeld Santiago – Sint Jacob – dat was een heilige die volgens een oude legende de Christelijke Spanjaarden had bijgestaan in hun oorlog tegen de Moren – de Arabieren – en nu moest die komen helpen in de strijd tegen de Indianen. De overzeese Moren, zeg maar. Die waren overigens helemaal geen Indianen, inwoners van India dus. Het kon Columbus, die de verkeerde naam uitgevonden heeft, niet schelen hoe de bewoners van Amerika zichzelf noemden.

Uw boek begint met de Reconquista – de herovering van Spanje op de Moren – en u argumenteert dat het koloniale tijdperk daar in feite een logische uitloper van is. Hoezo?

Jacques Pauwels.

Teveel geschiedenisboeken stellen het voor alsof Europa in de Middeleeuwen bezig was met zichzelf tot in 1492 een eigenzinnige zeevaarder de Atlantische Oceaan oversteekt om Amerika te ontdekken, zodat er plots een totaal nieuw tijdperk aanbreekt. Dat klopt niet. De reis van Columbus moet men bekijken binnen de logica van de uitbreiding van West-Europa’s Middeleeuwse, feodale systeem. Eerst naar de zuidelijke en oostelijke randgebieden van Europa zelf. En dan, met de zogenaamde kruistochten, naar het Midden-Oosten, maar dat werd een mislukking. Succes had men daarentegen wel in Spanje, de Baltische gebieden, en ook in Ierland en Schotland. Die Europese randgebieden waren tegen 1492 volledig geïntegreerd in het West-Europese systeem.

De uitbreiding van het West-Europese feodalisme ging dan naadloos verder aan de overkant van de Oceaan. De Reconquista van Spanje op de Moren werd de Conquista van de indianen aan de overkant van de oceaan.

U noemt Reconquista – herovering – een zeer treffende benaming, veel beter dan Liberacion – bevrijding. Waarom?

Jacques Pauwels.

Was de Reconquista het werk geweest van President Bush, dan zouden ze dat de ‘bevrijding’ in plaats van de ‘verovering’ van Spanje hebben gesproken. Toen hadden ze nog geen communicatie-experts en spindoctors. De Reconquista was inderdaad een verovering en geen bevrijding. De oorspronkelijke bevolking van Spanje waren de Iberiërs, die dan gelatiniseerd werden door de Romeinen. Iberië werden na het uiteenvallen van het Romeinse Rijk bezet door de Visigoten. De Visigoten stichtten een christelijk koninkrijk, en daarom genieten zij de sympathie van onze geschiedschrijvers. Daarna kwamen de islamitische Arabieren het land veroveren, maar voor de Iberiërs voelde dat eerder aan als een bevrijding. Dat is de reden waarom Spanje binnen een enkel jaar door de Arabieren veroverd werd, terwijl de Reconquista maar liefst achthonderd jaar zou aanslepen.

Voor de Iberiërs was het veel beter leven onder de Arabieren dan onder de Visigoten. Toen de christenen het land veroverden, voerden zij er het West-Europese feodale systeem in. Dat betekende dat een edelman zich kwam vestigen op het land en de bewoners als lijfeigenen voor hem moesten werken. Ze werden ook gedwongen zich te bekeren tot het christendom, anders kon de kerk geen tienden op hun opbrengsten heffen. Onder het Arabische systeem daarentegen bestond kleine landeigendom voor de boeren en was je niet verplicht moslim te worden. Mensen met een andere religie moesten wel een extra belasting betalen. Dat islamitisch systeem was ook niet ideaal, maar de Iberiërs verkozen het boven lijfeigenschap en gedwongen bekering.

In uw boek verwijst u naar Zheng Ho, een Chinese admiraal, die ook ontdekkingstochten ondernam, maar geen namen gaf. Was dat naamgeven een exclusief Europese praktijk?

Jacques Pauwels.

Exclusief Europees zou ik dat niet noemen. De Arabieren hebben ook aan gebiedsuitbreiding gedaan en ook namen gegeven. Denk maar aan Al Andalus voor Spanje, waar je nu nog steeds Andalusië hebt.

Maar de vergelijking met China is zeer interessant. De Chinezen hebben in de 15e eeuw ook ontdekkingsreizen ondernomen zoals de Europeanen, bijvoorbeeld naar Oost-Afrika. De Chinezen kwamen ergens aan, bekeken alles eens goed, en waren weer weg. Ze hebben aan overzeese landen nooit een andere naam gegeven omdat ze nooit overzeese landen gekoloniseerd hebben. Ze hadden natuurlijk wel namen voor landen die ze kenden. De Chinezen hadden zelfs een naam voor het Romeinse Rijk.

De logica van de Europese expansie daarentegen was ontdekken, in bezit nemen, en naamgeven. Ontdekte landen en volkeren kregen een Europse naam, en ook de mensen werden met nieuwe, Europese en christelijke naam ‘herdoopt’. Dat hoorde allemaal bij het exporteren van het Europese sociale en economische systeem naar de rest van de wereld. Europa had die veroveringen nodig, China niet.

Waarom?

Jacques Pauwels.

De logica van het Europese economische en sociale systeem voerden onvermijdelijk tot uitbreiding van het systeem. Landbezit betekende rijkdom en macht voor de adel en de kerk, en rijkdom en macht konden eigenlijk alleen vergroot worden door territoriale uitbreiding. Een andere reden voor de uitbreiding waren de tegenstellingen binnen het Europese feodale systeem. Uitbreiding kon bepaalde problemen oplossen. Omwille van de bevolkingsaangroei waren er in West-Europa talrijke ‘landloze’ boeren, en dat sociaal probleem kon opgelost worden door uitwijking naar veroverde gebieden. Maar uiteindelijk bleek dat niet houdbaar en zou het feodalisme toch aan zijn einde komen.

Het is uit de combinatie van interne crisis en overzeese uitbreiding dat in Europa het kapitalisme is kunnen ontstaan. Dat kapitalisme is op dezelfde manier gewoon verder gegaan met zijn problemen uit te voeren naar de rest van de wereld. Om een voorbeeld te geven, de kolonisatie van de nieuwe wereld maakte het mogelijk om lastige proletariërs al dan niet vrijwillig te verschepen, te doen verdwijnen, uit Europa. Ook kon men ‘landhongerige’ en dus potentieel opstandige boeren land aanbieden in de nieuwe wereld, land dat men had afgenomen van de inheemse bevolking, de ‘indianen’. De sociale problemen in Europa werden dus opgelost ten koste van de mensen in de derde wereld. Veel hedendaagse problemen van de derde wereld vinden hun oorsprong in dit mechanisme.

U beschrijft nog een ander aspect van het geven van namen, namelijk het ontmenselijken van volkeren. Kan u daar wat meer uitleg over geven?

Jacques Pauwels.

Bepaalde mensen kregen bijzonder lelijke namen. Dat waren dan voornamelijk de volkeren die weerstand boden tegen de Europese expansie. Neem bijvoorbeeld de term ‘kannibaal’. Veel van de volkeren die deze naam kregen, waren helemaal geen menseneters, maar werden op die manier gedemoniseerd. Andere voorbeelden zijn Bosjesman, Kaffer of in het engels ‘Japs’ en ‘Chinks’. Het geven van een denigrerende naam verlaagde het statuut van die mensen, ‘ontmenselijkte’ hen. Een Bosjesman neerschieten was niet erg, want het was toch maar een soort beest. Het geven van een naam maakte niet enkel het roven van een land gemakkelijker, maar ook als het nodig was het doden van mensen en zelfs het uitmoorden van een heel volk.

Europese namen voor de wereld gaat voort op ‘Een geschiedenis van de namen van landen en volkeren’, dat u in 2006 schreef. Hoe verhouden die twee boeken zich tot mekaar?

Jacques Pauwels.

Europese namen voor de wereld is het vervolg van een voorafgaande studie. Ik spreek niet graag over een deel 1 en een deel 2, omdat de mensen dan denken dat ze eerste het ene moeten gelezen hebben voordat ze het andere kunnen lezen. Je kan de twee boeken gerust afzonderlijk lezen, of zelfs eerst het tweede en daarna pas het eerste, maar ze hangen wel samen. Het eerste deel gaat over de oudheid en de ‘oude wereld’, dus Europa, Azië en Afrika. Een geschiedenis van duizenden jaren terug. Daarin bespreek ik hoe die landen en hun volkeren aan hun naam zijn geraakt. Bijvoorbeeld Azië, Europa, Griekenland, Egypte, enzovoort.
In het eerste deel bespreek ik hoe veel namen in Europa in feite niet-Europees van oorsprong zijn.

Het tweede boek beantwoordt de vraag hoe landen en volkeren in de ‘nieuwe wereld’ aan Europese namen geraakt zijn. In het eerste deel is het dus Europa dat namen ontvangt van anderen, in het tweede deel geeft Europa zijn namen aan de wereld. Het eerste boek had eigenlijk ‘Niet-Europese namen voor Europa’ kunnen heten, ware het niet dat ook Afrikaanse en Aziatische namen erin aan bod komen, zoals Egypte, China en Marokko.

In het verleden heeft u veel gepubliceerd over de Tweede Wereldoorlog en ook over de Parijse Revolutie, maar met deze boeken bestrijkt u bijna heel de geschiedenis. Is dat wel haalbaar in twee boeken?

Jacques Pauwels.

Het resultaat ligt voor u (lacht). Geen enkel boek kan natuurlijk alle namen verklaren. Ik maak geen aanspraak op volledigheid, dat was ook niet de bedoeling. Dan krijg je gewoon een lijst van duizenden bladzijden lang met namen waar de meeste mensen nog nooit van gehoord hebben. Ik heb een keuze gemaakt op basis van twee criteria. Ten eerste gaat het om namen waarmee het publiek vertrouwd is. Bijvoorbeeld Amerika, Canada, Montreal, Melbourne, … Ten tweede moeten het natuurlijk namen zijn waarvan de oorsprong en de betekenis bekend zijn. Soms bestaat er onzekerheid, maar dan geef ik de meest overtuigende verklaringen. De methode die ik in mijn boek gebruik, laat mensen overigens ook toe om zelf een uitleg te vinden voor namen die ik niet behandeld heb.

U probeert uw werk steeds toegankelijk te maken voor een breed publiek, wat voor universitaire geschiedkundigen toch niet altijd vanzelfsprekend is. Vanwaar die keuze?

Jacques Pauwels.

Ik heb indertijd een doctoraatsthesis geschreven met talloze voetnoten, en specifiek gericht op specialisten. Maar zelf verkies ik om op een, laten we zeggen, ‘populaire’ manier aan geschiedschrijving te doen. Conventionele geschiedenis is maar al te vaak een saaie boel. Ik heb ook een reisbureau en ga dus met veel mensen op reis. Dan vertel ik over de geschiedenis op een vlotte manier met hier en daar wat humor. Toen ik nog les gaf, deed ik dat op dezelfde manier. Ik heb daar altijd heel positieve reacties opgekregen. Geschiedenis moet en kan op een interessante en vlotte wijze gegeven worden.

Waarom vindt u dat zo belangrijk?

Jacques Pauwels.

Zonder kennis van de geschiedenis sta je hulpeloos om de problemen van vandaag te begrijpen. Denk bijvoorbeeld maar aan de economie. Veel mensen denken dat dit zuiver een kwestie is van de ‘markt’, van ‘vraag’ en ‘aanbod’. Maar van waar komt die ‘markt’? Waarom hebben bepaalde mensen genoeg geld om hun ‘vraag’ (koop)kracht bij te zetten, en anderen niet? Waarom is er een ‘aanbod’ van een bepaald product wel op een zeker ogenblik, en dan weer niet? Dat zijn allemaal vragen voor de geschiedenis. Het is de geschiedenis die ons leert hoe we gekomen zijn tot de problemen en de mogelijkheden die ons vandaag confronteren.

U bent ook niet bang om in uw boeken politieke standpunten in te nemen. Vindt u dat noodzakelijk als geschiedkundige?

Jacques Pauwels.

Een geschiedenis zonder interpretatie is geen geschiedenis. Sommige mensen zeggen: ‘Geef me de feiten en niets buiten de feiten’. Maar dat gaat gewoon niet, want bepaalde feiten citeren betekent andere feiten weglaten. De keuze die men daarbij maakt, is al een bepaalde vorm van subjectiviteit. Neem nu het thema van de namen. Dat kan op zichzelf heel banaal zijn. Toponymische en onomastische woordenboeken geven de betekenis van namen, maar dat is nog geen geschiedenis.

Ik vond dat het ontstaan en de betekenis van namen van landen en volkeren moest aangeboden worden binnen het kader van een grotere geschiedenis. De Europeanen gaven overal ter wereld namen binnen het kader van de uitbreiding van het Europese systeem, eerst het feodale, daarna het kapitalistische. Anders gezegd, we behandelen die namen binnen het kader van het kolonialisme, of het imperialisme, als je die naam wil gebruiken. En dat is een onderwerp dat niet behandeld kan worden zonder dat er politiek bij te pas komt.

Jacques R. Pauwels, Europese namen voor de Wereld , EPO (2008), blz. 272. Prijs 21,50 euro.

Jacques R. Pauwels studeerde geschiedenis aan de Rijksuniversiteit van Gent en behaalde in Toronto doctoraten in de geschiedenis en in de politieke wetenschappen. Hij doceerde aan meerdere universiteiten in Canada en publiceerde in Canada, de VS, Duitsland, Italië, Spanje, Cuba, Nederland en België over de Tweede Wereldoorlog, de Franse Revolutie en andere historische onderwerpen.

Bij uitgeverij EPO publiceerde Jacques R. Pauwels volgende boeken: De mythe van de ‘goede oorlog’: Amerika in de Tweede Wereldoorlog , De Canadezen en de bevrijding van België 1944-1945 , Een geschiedenis van de NAMEN van landen en volkeren , en Het Parijs van de sansculotten .

Meer info op www.jacquespauwels.net