Het testament van Ryszard Kapuściński

Facebooktwittergoogle_plusmail

Hij was getuige van de dekolonisatie van de jaren vijftig tot negentig van vorige eeuw. De Derde Wereld – en vooral het Afrikaanse continent – waren zijn tweede thuis. Hij heeft verslag uitgebracht over meer dan dertig revoluties, staatsgrepen en burgeroorlogen in de voormalige Europese kolonies. Hij reisde in de jaren vijftig door een reeks door geen mens bezochte Sovjetrepublieken.

Eind de jaren negentig van vorige eeuw deed hij deze lange reportagereis nog eens over. Net op tijd want het Sovjetimperium stond op instorten en de Sovjetrepublieken gingen stormachtige tijden en vaak verschrikkelijke burgeroorlogen tegemoet. We begonnen stilaan te weten dat er landen bestonden die Armenië heetten, of Georgië, Azerbeidzjan, Tadzjikistan, Oezbekistan, Turkmenistan.

Een jaar voor zijn overlijden op 23 januari 2007 publiceerde de Poolse reporter en wereldburger, Ryszard Kapuściński, een bundel waarin hij de teksten van zes van zijn lezingen had gebundeld. De jaren voordien had hij voornamelijk de snel en wild om zich heen grijpende globalisering van de wereldeconomie becommentarieerd en bekritiseerd. Kapuściński’s antiglobalisme sloot naadloos aan bij zijn antikolonialisme, zijn antiracisme en zijn aversie voor westers monoculturalisme, eurocentrisme, blank superioriteitsdenken en de vraat- en moordzucht van de koloniale metropolen.

Zopas heeft zijn Nederlandse uitgever, ‘De Arbeiderspers’, deze essays (eigenlijk redevoeringen) vertaald onder de titel ‘De Ander’. Kapuściński heeft het over de thema’s die hem al zovele decennia na aan het hart lagen: hoe gaan wij om met andere volkeren, met onze multi-etnische, multiculturele wereld met zijn globalisering, grootscheepse migraties, vluchtelingenstromen en mensen en volkeren die hun plek onder de zon opeisen?

De opinies van deze grote Poolse reporter doen ertoe en zullen ongetwijfeld vele mensen (overtuigde en minder overtuigde critici van de globalisering) inspireren en aan het denken zetten. Kapuściński laat ons postuum een fraai geschenk na.’Ik en de Ander’ en ‘Wij en de Ander’, vormen het centrale thema van deze essays.

Een kwarteeuw getuige

Ryszard Kapuściński is een belangrijke getuige geweest van de tweede helft van de twintigste eeuw. Dat was een eeuw waarin de wereld in een razend tempo veranderde, meestal met immense, menselijke catastrofen als gevolg. De kolonisatie van hele continenten, de dekolonisatie en de rekolonisatie. Twee gruwelijke wereldoorlogen (met een dodentol van meer dan 50 miljoen tijdens de Eerste Wereldoorlog – 40 miljoen burgers en 10 miljoen militairen – en 72 miljoen doden tijdens Wereldoorlog II – 47 miljoen burgers en 25 miljoen soldaten). Een resem technologische en industriële omwentelingen (waarbij de militaire industrie vaak een beslissende rol speelde). De ontwikkeling van de ruimtevaart, de elektronica, de nieuwe massamedia. Drastische evoluties in de wereld van de schilderkunst, de literatuur, de fotografie, de cinema. Veel te veel om in een notendop te persen.

Ook de journalistiek kreeg een heel ander gelaat. De twintigste eeuw kan gerust bestempeld worden als de periode van de grote doorbraak van de literaire reportage. Schrijvers-journalisten als John Reed, Jack London, Upton Sinclair, Ilja Ehrenburg, Ernest Hemingway, Egon Erwin Kisch, Günter Wallraff en Ryszard Kapuściński maakten van de reportage een volwaardig literair genre .

‘De Ander’ is van een heel ander kaliber. Kapuściński bundelt hier een aantal politieke, maatschappelijke en filosofische beschouwingen die hij in 1990, 2003 en 2004 heeft neergeschreven. Het zijn stuk voor stuk relatief korte toespraken die hij heeft gehouden voor diverse (gerenommeerde) instellingen als het internationale schrijversymposium in het Oostenrijkse Graz (1990), drie voordrachten voor het ‘Institut für die Wissenschaft vom Menschen’ in Wenen (2004), zijn redevoering bij de opening van het academiejaar van de Jósef Tischner Europese Hogeschool in Krakau (Polen) en zijn redevoering bij de uitreiking van zijn titel doctor honoris causa aan de Jagieloński Universiteit in Krakau.

Xenofobie, ziekte van bange mensen

Europa heeft zich door de eeuwen heen een kwalijke, hebzuchtige en roofzuchtige reputatie aangemeten. En dat is ooit anders geweest. Kapuściński haalt graag het voorbeeld van de Griekse historicus Herodotos aan, over wie hij het in 2004 gepubliceerde, fenomenale ‘Reizen met Herodotos’ schreef. ‘Onze betrekkingen met de overige bewoners van de planeet, met de Anderen’ zegt Kapuściński tijdens een causerie in Wenen, ‘zouden telkens weer scherp en duidelijk aan de orde komen, in al hun complexiteit en met de nodige dramatiek. Die relaties kennen een lange geschiedenis. Ze maken hun intrede in de literatuur met de imposante ‘Historiën’ van Herodotos. De Griekse historicus, die tweeënhalfduizend jaar geleden leefde en schreef, laat ons zien hoe de wereld waartoe hij toegang had, toen al werd bewoond door talrijke ontwikkelde en volwassen samenlevingen met een ontwikkelde cultuur en een sterke identiteit; dat reeds de eerste Europeaan, dat wil zeggen de Griek, ondanks het feit dat hij de niet-Griek een onverstaanbare barbaros noemde vanwege diens brabbeltaal, besefte dat die Ander wel iemand was. Herodotos zelf schrijft over de Anderen zonder minachting of haat, hij tracht hen te leren kennen en te begrijpen. Vaak toont hij zelfs aan dat zij de Grieken in vele opzichten overtreffen.

Herodotos kent de sedentaire natuur van de mens en hij weet dat men om de Anderen te leren kennen op reis moet gaan, hen moet bereiken, de wil moet tonen hen te ontmoeten. Daarom reist hij voortdurend, bezoekt Egyptenaren en Scythen, Perzen en Lydiërs. Hij onthoudt alles wat hij zelf van hen heeft gehoord en wat hij zelf heeft gezien. Kortom, hij wil de Anderen leren kennen omdat hij begrijpt dat we, als we onszelf beter willen leren kennen, de Anderen moeten leren kennen; zij vormen immers de spiegel waarin we onszelf bekijken…Als wereldburger is hij gekant tegen het buiten de deur houden van de Anderen, tegen het afgrendelen van de poort voor hen. Xenofobie, zo lijkt Herodotos te verkondigen, is een ziekte van bange mensen…’

Weerzinwekkende vertegenwoordigers van Europa…

Het wereldbeeld van de oude Griek overleefde de ‘moderne’ tijden echter niet. ‘Het einde van de Europese Middeleeuwen en het begin van de moderne tijd,’ aldus Kapuściński, ‘is een grote Europese expeditie met als doel de wereld te veroveren, de Ander te knechten en te beroven. Hier werden bloedige en wrede bladzijden geschreven in de geschiedenis van onze planeet. De schaal van deze genocidale praktijken van dit ruim drie eeuwen durende tijdperk zou pas in de twintigste eeuw worden overtroffen, de eeuw die de macabere gedaante van de holocaust zou aannemen.’

‘Het beeld van de Ander bij de Europeanen, die erop uit zijn de planeet te veroveren, is dat van de naakte wilde, een kannibaal en een heiden. Hem vernederen en vertrappen is zowel een heilig recht als de plicht van de Europeaan – die blank en christen is. Aan de basis van de ongekende bruutheid en wreedheid van de blanken lag niet alleen een verblindende begeerte naar het bezit van goud en slaven, iets waardoor de breinen van de Europese elite werden verteerd, maar ook een uiterst laag niveau van beschaving en moreel besef van degenen die de wijde wereld werden ingestuurd als een voorpost van contacten met de Anderen. De bemanning van de toenmalige schepen was grotendeels samengesteld uit misdadigers, criminelen, bandieten, notoir en evident gespuis, en in het beste geval uit zwervers, daklozen en mislukkelingen. Het was immers lastig een normaal mens over te halen tot het ondernemen van een avonturistische reis die vaak ook een dodelijke afloop kende.’

‘Het feit dat Europa eeuwenlang zijn slechtste, weerzinwekkendste vertegenwoordigers uitzond voor een ontmoeting met de Anderen, nota bene ook voor de allereerste ontmoeting, zou een trieste schaduw werpen op onze relaties met de Anderen; het zou de gangbare opvattingen over hen doen ontstaan, het zou ervoor zorgen dat stereotypen, vooroordelen en fobieën zich in onze breinen nestelden, die in een of andere vorm tot op de dag van vandaag voortleven.

Zelfs nu nog word ik daarmee geconfronteerd als ik bijvoorbeeld uit de mond van serieuze mensen, zou je zeggen, hoor dat de rekolonisatie van Afrika de enige oplossing voor dat continent zou zijn. Veroveren, koloniseren, onderwerpen, afhankelijk maken – deze reflex ten opzichte van de Anderen herhaalt zich voortdurend in de loop van de wereldgeschiedenis. Het duurt erg lang voordat het idee van gelijkheid in de relatie tot de Andere in het menselijk brein opkomt. Het gebeurt pas vele duizenden jaren nadat de mens zijn sporen op aarde begon achter te laten.

Botsing der beschavingen

Kapuściński staat ook af en toe stil bij begrippen die in de hedendaagse politiek, journalistiek en filosofie erg in trek zijn. Neem bijvoorbeeld ‘de botsing der beschavingen’, een van de stokpaardjes van de Bushiaanse propagandist Samuel Huntington.’Het is goed erop te wijzen,’ stelt de Poolse reporter, ‘dat ons denken sterk eurocentristisch.is, overigens net als dat van de meeste bekende historici, dat we telkens wanneer we spreken of schrijven over de relatie met de Anderen, bijvoorbeeld over een conflict met de Anderen, er stilzwijgend van uitgaan dat het om een conflict gaat tussen Europeanen en niet-Europeanen. Maar gelijksoortige confrontaties en oorlogen verzwolgen zeeën aan slachtoffers binnen de niet-Europese familie, oorlogen die werden uitgevochten tussen de Mongolen en de Chinezen, tussen de Azteken en hun buurstammen, tussen de moslims en de belijders van het hindoeïsme enzovoort.

Al met al is de botsing der beschavingen geen hedendaags verzinsel, gezien het feit dat de hele geschiedenis van de mensheid gepaard gaat met dat verschijnsel. We moeten ook niet vergeten dat een conflict, een botsing slechts een van de mogelijke – en geenszins noodzakelijke – vormen van onderling contact tussen beschavingen vertegenwoordigt.

Een andere, zelf vaker voorkomende vorm is de uitwisseling, die niet zelden op het moment van de botsing zelf plaatsvindt, als het ware binnen in die botsingssituatie. Een voorbeeld. Begin de jaren negentig verbleef ik in Liberia, waar een burgeroorlog aan de gang was. Ik reisde af naar het front met een eenheid van het regeringsleger. De frontlinie liep langs de rivier waarvan de oevers op de plek van onze aankomst door een brug waren verbonden. Aan de regeringszijde van de brug was een grote markt. Aan de andere kant van de brug, die door de rebellen van Charles Taylor was bezet, waren slechts verlaten velden. Aan dit front langs de rivier werd er tot het middaguur onophoudelijk geschoten, dreunden de mortieren door. ’s Middags was het rustig, de rebellen staken de brug over om inkopen te doen op de markt. Onderweg deponeerden ze hun wapens bij een regeringspatrouille, die hen de wapens teruggaf wanneer ze met de boodschappen van de markt terugliepen. Op de plek van een gewapend, bloedig conflict vond tegelijkertijd een uitwisseling plaats van koopwaar en andere goederen. De Ander kan dus worden aangezien voor zowel een vijand als een klant. Het zijn de omstandigheden, de situatie en de context waardoor wij op een gegeven moment in een bepaalde persoon een vijand of een partner zien. Want die Ander kan zowel het een als het ander zijn.’

Verlichting en humanisme

Cultuur en literatuur kunnen, volgens Kapuściński voor enig soelaas zorgen. Daarmee toont hij zich een onverbeterlijke optimist. ‘Wanneer ik het heb over relaties met Anderen, beperk ik me tot de interculturele en interraciale relaties, omdat het een domein is waarmee ik het vaakst in aanraking ben gekomen,’ aldus Kapuściński. ‘Als we dit vanuit historisch oogpunt beschouwen, zien we hoe in de achttiende eeuw, na drie eeuwen van brute en meedogenloze expansie van de koningshuizen en het Europese kapitaal (en het gaat hier niet alleen om de onderwerping van de bevolking en de verovering van de overzeese territoria, maar ook over de continentale acties, zoals de uitroeiing van de Siberische volken door de Russen), een geleidelijke, weliswaar slechts gedeeltelijke maar niettemin belangrijke verandering zich voltrekt in de atmosfeer en de verhouding tot de Ander, tot de Anderen – merendeels de niet-Europese samenlevingen. Het is het tijdperk van de Verlichting, van het humanisme, van de revolutionaire ontdekking dat een niet-blanke, een niet-christen, een wilde, een monsterlijke en volstrekt niet op ons lijkende Ander ook een mens is.’

Volgens Kapuściński ‘is het met name de literatuur die de weg vrijmaakt voor deze revelatie.’ ‘Er verschijnen werken zoals die van Daniel Defoe en Jonathan Swift, J.J. Rousseau en Voltaire, Fontenelle en Montesquieu, Goethe en Herder. Er is sprake van een buitengewone eruptie van talenten, breinen, harten; tientallen auteurs brandmerken de missstanden en wreedheden waaraan de veroveraars van diverse pluimage en verschillende nationaliteiten zich schuldig maken, door hard te roepen dat de Anderen, die beroofd en vermoord worden, onze ‘gelijken’, ‘onze broeders in Christus’ zijn, die onze eerbied en respect verdienen. Er komt een beweging ter bestrijding van de slavernij op gang, de cartografie bloeit, er worden wetenschappelijke expedities georganiseerd, niet om te veroveren en te temmen, maar om de nieuwe landen, de nog onbekende volkeren en culturen te ontdekken en te verkennen’

‘Angst voor de Ander,’ stelt Kapuściński, ‘wordt steeds vaker vervangen door nieuwsgierigheid en de wil hem nader te leren kennen. Dit gaat gepaard met een ongekende ontwikkeling van het genre van de reportage en andere soorten reisliteratuur, om maar de reeds tot de klassiekers behorende werken te noemen zoals ‘A Description Of The East’ van Richard Pococke, werken van James Cook of Mungo Park en vooral ‘Histoire générale des voyages’ van Antoine François Prévost – een verzameling relazen uit de hele wereld. Zijn leeftijdsgenoot Albrecht von Haller, de grote Zwitserse bioloog en filosoof, schreef halverwege de achttiende eeuw: ‘Niets zal beter de vooroordelen doen verdwijnen dan de kennis van vele volken, hun andere gebruiken, rechten en opvattingen – een andersheid die als we even de moeite nemen, ons leert de onderlinge verschillen tussen mensen te verwerpen en datgene als natuurlijk te beschouwen wat alle volkeren gemeen hebben; de primaire natuurwetten gelden immers voor alle volkeren. Niemand beledigen, eenieder geven wat hem toekomt’…’

In tijden van primair nationalisme, etnische navelstaarderij en vunzig racisme (als het tenminste daarbij blijft en als één ander niet ontaardt in etnische moordzucht) reikt Kapuściński ons waardevolle argumenten aan voor het debat over cruciale vragen als. ‘Hoe gaan we met andere volkeren om? Waar moet het met onze planeet naartoe? Hoe bedwingen we hedendaagse, dodelijke plagen zoals een volstrekt gebrek aan rationaliteit, nationalisme, racisme, eurocentristische doordrammerij en religieus fanatisme van welke strekking dan ook?’

Wie het werk van Kapuściński wil ontdekken (of herontdekken) beschikt over een behoorlijke lijst van Nederlandse vertalingen (meestal nog beschikbaar in de boekhandel): ‘ De sjah aller sjahs’, ‘De keizer’, ‘Nog een dag’, ‘Imperium’, ‘De voetbaloorlog’, ‘Ebbenhout’, ‘Lapidarium’, ‘Reizen met Herodotos’, ‘De Ander’ .

De kruisbestuiving tussen literatuur en journalistiek heeft in de tweede helft van de vorige eeuw trouwens een aantal zeer lezenswaardige boeken opgeleverd. In 1966 publiceerde de Nederlandse auteur Harry Mulisch zijn relaas over het proces van nazi-oorlogsmisdadiger, Adolf Eichmann, in Jeruzalem ( ‘De zaak 40/61′ ) en in 1968 volgde zijn reportageboek over het Cuba van Fidel Castro. ( ‘Het woord bij de daad’ , een boek dat veertig jaar na datum nog steeds onder vuur ligt en dat door de inmiddels tachtigjarige Mulisch nog steeds met hand en tand wordt verdedigd).

In de Arabische wereld bestond dan weer het omgekeerde fenomeen. Politieke activisten en journalisten ontpopten zich tot geniale literatoren. De Palestijnse militant en leider van het ‘Volksfront voor de Bevrijding van Palestina’, Ghassan Kanafani, heeft een prachtige erfenis van romans, novellen en korte verhalen nagelaten. In 1973 kwam hij in Beiroet om toen de Israëlische geheime dienst Mossad zijn auto opblies. In Israël werkte de Palestijnse journalist Emile Habibi vele jaren als journalist voor de krant van de communistische partij. Ook hij liet na zijn dood een indrukwekkend oeuvre na (onder meer de in het Nederlands vertaalde hilarisch-absurde roman ‘De wonderlijke lotgevallen van Sa’ied de pessoptimist’).

Ryszard Kapuściński, ‘De Ander’, De Arbeiderspers, Amsterdam, Antwerpen, 2008, 115 blz., ISBN 978 90 295 6632 2, 10 euro.