De cijfers die de onderwijspolitiek van Sarkozy veroordelen

Facebooktwittergoogle_plusmail

Een vergelijkende studie 1 over de Europese onderwijssystemen brengt het bewijs dat de hervormingen die door de regering van Nicolas Sarkozy worden aangekondigd – versoepeling van de schoolkaart en opheffing van het eenheidscollege – zullen leiden tot een catastrofale vergroting van de sociale tegenstellingen in het Frans onderwijs.

Schoolkaart

Nicolas Sarkozy heeft beloofd gedaan te maken met de “carte scolaire” (schoolkaart), het systeem dat aan de leerlingen een school toewijst in functie van hun woonplaats. In eerste instantie is hij van plan het systeem te versoepelen door de mogelijkheden om ervan af te wijken te vermeerderen. Maar hij verbergt niet dat hij het volledig wil afschaffen, zodra de “onderwijsautonomie” er zal zijn. Eén van de belangrijkste redenen die hij voor de afschaffing van de carte scolaire inroept is sociale rechtvaardigheid: nu moeten kinderen uit bescheiden milieus dikwijls in “moeilijke” scholen, colleges of lycea school lopen waar zich problemen als geweld, afhaken en schoolmislukking concentreren. Versoepeling van het systeem van de schoolkaart zou het hen mogelijk maken scholen te kiezen met een hoger niveau in beter gesitueerde wijken. Op dat vlak waren de kandidaat van de UMP en Segolène Royal het eens, ook al blijft de PS officieel achter de schoolkaart staan.

De critici van Sarkozy repliceren dat zijn hervorming in plaats van tot gelijkheid te leiden meer sociale segregatie zal veroorzaken. De beste leerlingen uit de bevoorrechte sociale lagen zullen de eersten zijn om te vertrekken uit de laagst aangeschreven scholen die daardoor sneller dreigen te evolueren tot een “gettoschool”. De ‘betere’ scholen daarentegen zullen kunnen profiteren van de versoepeling of de afschaffing van de schoolkaart om over te gaan tot een politiek van selectievere rekrutering, die leerlingen in moeilijkheden zal dwingen naar andere scholen te gaan.

Eenheidscollege

De Franse president heeft ook aangekondigd dat hij komaf wil maken met het “collège unique” (eenheidscollege), een soort gemeenschappelijke stam tussen het lager onderwijs en het hoger secundair onderwijs (lyceum). Hij vindt dat een te grote ongelijkheid in prestaties tussen leerlingen tot een “niveauverlaging” zou leiden waaronder vooral de jongeren uit bescheiden milieus zouden lijden, want zij kunnen niet gemakkelijk ontsnappen aan deze heterogene klassen. Anderen denken dan weer dat een vroegere oriëntatie uiteraard de vorm zal aannemen van sociale selectie en alweer de sociale segregatie in het Frans onderwijs zal vergroten.

Wie heeft er gelijk? A priori snijden beide argumentaties blijkbaar hout. Een recente studie van Ovds (Oproep voor een democratische school) maakt het nu mogelijk deze vraag te beantwoorden. We schetsen hier de grote lijnen en de conclusies van deze studie.

Rangschikking van de landen volgens sociale gelijkheid in het onderwijs

De studie geeft eerst een rangschikking van de graad van sociale ongelijkheid in de onderwijssystemen van de West-Europese landen [[De vroegere 15 lidstaten van de Europese Unie, plus Noorwegen en zonder Luxemburg.
]]. Die rangschikking is gebaseerd op een “indexcijfer van sociale bepaaldheid van de schoolprestaties”, berekend aan de hand van de resultaten wiskunde bij de internationale PISA-tests van 2003 [[3 De internationale PISA-enquête meet de prestaties van vijftienjarige leerlingen in wiskunde en leesvaardigheid in de geïndustrialiseerde landen en enkele landen van de Derde Wereld. T.a.v. de door de OESO (de initiatiefnemer van deze enquêtes) op basis van PISA gepubliceerde rapporten is voorzichtigheid vereist: ze zijn dikwijls erg geïnstrumentaliseerd ten voordele van de politieke en economische keuzes van dit studiebureau van het wereldkapitalisme. De databank van de statistische gegevens van PISA daarentegen bevat een immense informatierijkdom die we niet mogen negeren. De PISA-enquêtes zijn vandaag aan hun derde uitgave (2000, 2003, 2006) toe, maar de resultaten van de enquête 2006 waren nog niet beschikbaar bij de publicatie van dit artikel; daarom gebruiken we systematisch de gegevens van 2003]].

Grafiek 1
Index van de sociale determinatie van schoolse prestaties (wiskunde, Pisa 2003)
GRa.jpgIndex 0 betekent dat de resultaten van de leerlingen volledig onafhankelijk zijn van hun sociale afkomst. Index 1 wil zeggen dat de waarschijnlijkheid dat een kind uit een “hoger” sociaal milieu betere resultaten behaalt dan een kind uit een “lager” sociaal milieu tweemaal groter is dan de omgekeerde waarschijnlijkheid. De facto komt geen enkel land in de buurt van 0, en geen enkel komt boven 1 uit.
Grafiek 1 toont ons een rangschikking die we maar al te goed kennen: België en Duitsland zijn kampioen van de sociale ongelijkheid op school, terwijl de mediterrane en de Scandinavische landen (behalve Denemarken) betere resultaten behalen. Frankrijk scoort middelmatig: de op drie na laatste plaats, wat de indruk kan wekken dat de schoolkaart en het eenheidscollege er niet in geslaagd zijn het Frans onderwijssysteem gelijk te maken. Met zijn index 0,77 bezet het toch, met Denemarken, Nederland, Oostenrijk en Ierland, een mediaanplaats tussen de scores van België (0,93) en Finland (0,55).

Keuzevrijheid en gelijkheid

Wet verklaart de verschillen tussen landen? Het antwoord op die vraag is natuurlijk veelvoudig en complex. Een ontelbaar aantal culturele, pedagogische, organisatorische, geografische, sociale, budgettaire…. factoren lopen ongetwijfeld door elkaar heen en leiden tot het klassement hierboven. Toch laten aangepaste statistische technieken toe het relatieve belang van bepaalde van die factoren te bepalen. We hebben vooral de invloed willen bestuderen van twee structurele factoren: de graad van vrijheid in de keuze van een school en de leeftijd waarop de leerlingen verdeeld worden over verschillende onderwijsvormen.

De keuzevrijheid van de ouders (of de leerlingen) hangt van drie factoren af:
het aantal scholen dicht bij de woonplaats;
het al dan niet bestaan van een min of meer dwingende reglementering voor de toewijzing van leerlingen aan openbare scholen (bijvoorbeeld via een systeem van schoolkaart);
het aandeel van het niet-openbaar onderwijs in het scholenaanbod (privé- of gesubsidieerd privé-onderwijs) dat ontsnapt aan elke reglementering wat betreft rekrutering van leerlingen.
Door die drie factoren te combineren hebben we een “index van keuzevrijheid” gemaakt. Als de leerlingen maar tot één school toegang hebben – omdat er geen privé-onderwijs is, omdat ze niet mogen kiezen, of gewoonweg omdat er te weinig scholen zijn – dan is de index 0. De waarde van deze index verwijdert zich daarentegen van 0 als er veel scholen zijn, als het deel van het privé-onderwijs hoog is en als de landen weinig dwang opleggen in de toewijzing van leerlingen aan openbare scholen.

Grafiek 2
Index van keuzevrijheid
GRb.jpgBelgië is het land met de hoogste keuzevrijheidsindex (1,87). Dat komt omdat België hoog scoort voor elk van de drie samenstellende factoren van de index. Zestig procent van de scholen in ons land zijn gesubsidieerde scholen met een privaatrechterlijk karakter (meestal katholieke scholen). Er bestaat geen enkele regeling die de keuzevrijheid van de ouders beperkt, zelfs niet in het openbaar onderwijs. De hoge bevolkingsdichtheid (343 inwoners per vierkante kilometer) brengt ook een dicht onderwijsaanbod met zich mee. Portugal daarentegen, met vrijwel alleen openbare scholen, een schoolkaart even dwingend als in Frankrijk, en een lage schooldichtheid wegens de lage urbanisatiegraad, heeft de zwakste index (0,18). Finland heeft de tweede plaats (0,49). Frankrijk bekleedt opnieuw een middenpositie (0,65), het gevolg van enerzijds het effect van de schoolkaart (toewijzing van een school) en van anderzijds een vrij hoog aanbod van privé-onderwijs.

Wij komen terug tot onze kernvraag: is er in het onderwijs een correlatie tussen keuzevrijheid en sociale gelijkheid? Om hierop te antwoorden vergelijken we onze twee indices: de index van sociale determinatie en de index van keuzevrijheid. Dit is het resultaat:

Grafiek 3
Keuzevrijheid en graad van sociale ongelijkheid
GR1.jpgIn grafiek 3 vertegenwoordigt elk driehoekje één van de 15 landen die worden bestudeerd volgens de twee betrokken indexen. Hoe meer een land zich op de grafiek rechts bevindt, hoe meer keuzevrijheid de ouders hebben om de school voor hun kind te kiezen. Hoe hoger een land op de grafiek is geplaatst, hoe meer de schoolprestaties sterk door de sociale afkomst worden bepaald. Het resultaat is frappant. De punten die de landen voorstellen zijn vrij regelmatig verdeeld langs een stijgende rechte lijn, een teken dus van een zeer sterke correlatie tussen keuzevrijheid en sociale ongelijkheid. Enkel Duitsland (DEU) verwijdert zich aanzienlijk van de algemene tendens; we komen daarop terug. Een statistische berekening die “lineaire regressie” wordt genoemd, maakt het mogelijk verder te gaan in die vaststelling. Die berekening leert ons namelijk dat 47% van de verschillen in sociale gelijkheid van de onderwijssystemen van de 15 bestudeerde landen, verbonden zijn met de graad van keuzevrijheid [[In technische termen: de determinatiecoëfficiënt (R2) van de regressie is gelijk aan 0,47]]. Om het eenvoudig te zeggen: keuzevrijheid leidt tot ongelijkheid.

We komen terug op Frankrijk. De afschaffing van de schoolkaart zou er de keuzevrijheidsindex doen verschuiven van 0,65 tot 1,14. Daardoor zou de index van sociale bepaaldheid van de schoolresultaten met iets minder dan 0,1 vergroten. Frankrijk zou dus langs de rechte stippellijn van de grafiek naar boven en naar rechts uitwijken. Frankrijk zou dan het Verenigd Koninkrijk voorbijsteken op het vlak van sociale ongelijkheid. De maatregelen ten voordele van de ontwikkeling van het gesubsidieerd privé-onderwijs zouden dat effect ongetwijfeld nog versterken.

Voortijdige selectie en gelijkheid

Maar dat is niet alles. De huidige Franse regering stelt niet enkel voor de schoolkaart af te schaffen, maar wil ook gedaan maken met het eenheidscollege. Onze studie ontleedt eveneens dat aspect van de structuur van de onderwijssystemen en zijn invloed op de gelijkheid. De studie toont met name aan dat 34% van de verschillen tussen onze 15 West-Europese landen op het vlak van schoolgelijkheid, kunnen worden verklaard door de leeftijd waarop de eerste studie-oriëntering voorkomt.

In Duitsland heeft de eerste hiërarchiserende selectie plaats vanaf 10 jaar. Die uitzonderlijke situatie (alleen Oostenrijk doet hetzelfde) verklaart zeer waarschijnlijk waarom dit land zo ver afstaat van de algemene tendens van grafiek 3. De Scandinavische landen daarentegen, waar de leerlingen tot hun 16de een gemeenschappelijke scholing krijgen, behoren tot de landen met minder sociale bepaaldheid van de schoolprestaties.

Wat gebeurt er als keuzevrijheid en vroege selectie worden samengebracht? Om die laatste vraag te beantwoorden hebben we een nieuwe index gemaakt: de “eenheidsschoolindex”. Die varieert tussen 0 en 1. De landen die een grote keuzevrijheid met vroege oriëntatie verbinden hebben een eenheidsschoolindex die dicht bij 0 ligt. Zo heeft België index 0,04. Landen daarentegen met weinig keuzevrijheid of een late selectie, hebben een index dicht bij 1. Zo is het in Finland, met index 0,83. Zoals steeds neemt Frankrijk een middenpositie in: 0,61.

Een nieuwe studie van lineaire regressie toont aan dat deze eenheidsschoolindex toelaat 66% van de verschillen tussen Europese landen op het vlak van sociale bepaaldheid van de schoolprestaties te verklaren [[Men zou kunnen geloven dat het volstaat de determinatiecoëfficiënten van de twee voorgaande waarnemingen op te tellen: 47% voor de keuzevrijheid en 34% voor de selectie, wat 81% voor de combinatie van de twee zou opleveren. Maar dat klopt niet. De twee parameters zijn immers niet onafhankelijk van mekaar, maar zijn onderling verbonden: de landen met minder keuzevrijheid zijn immers dikwijls ook die met latere oriëntering. Zo zal de determinatiecoëfficiënt die is verbonden met hun gemeenschappelijke invloed op de schoolse gelijkheid uiteraard onder de 81% liggen]].

Figuur 4 (hieronder) illustreert de zeer sterke relatie tussen de eenheidsschoolindex en de index van sociale determinatie van de prestaties. Men onderscheidt er duidelijk drie clusters van landen. Links boven de groep landen met sterk gesegregeerde onderwijssystemen: grote keuzevrijheid, vroege selectie. In die landen blijkt de graad van sociale ongelijkheid over ’t algemeen erg hoog te zijn. Onderaan rechts de landen met veeleer de eenheidsschool: weinig keuzevrijheid en late oriëntering. Daar is de sociale determinatiegraad van de prestaties in ’t algemeen veel beperkter. Tussen de twee: de tussenliggende landen, waaronder Frankrijk.

Grafiek 4
Eenheidsschool en graad van sociale ongelijkheid
GR3.jpgWe hebben kunnen berekenen dat de Franse eenheidsschoolindex prompt zou verspringen van 0,61 naar 0,30 als Frankrijk niet enkel de schoolkaart zou afschaffen maar daarnaast de leeftijd van de eerste studie-oriëntering zou verlagen van 14 naar 12 jaar. Als we de regressielijn van de grafiek hierboven volgen, zien we dat daardoor de Franse index van sociale bepaaldheid (dus de graad van sociale ongelijkheid) die van Duitsland en België zou benaderen. Frankrijk zou dus zijn tussenpositie verliezen en terug te vinden zijn in de kopgroep van de landen met de meest ongelijke onderwijssystemen.

Conclusies en alternatieve mogelijkheden

In juni 2003 publiceerde Ovds een studie onder de titel “De Belgische schoolmislukking” die veel ophef veroorzaakte. We onthulden er de cijfers over de sociale ongelijkheid in het Belgisch onderwijs. We kunnen er zeker van zijn dat men in Frankrijk heel snel over “De Franse schoolcatastrofe” zou spreken als de Franse regering de schoolkaart en het eenheidscollege zou afschaffen….

Moet men dan niets veranderen aan het Franse onderwijssysteem? Zeker wel.
Ten eerste moet de schoolkaart inderdaad “vernieuwd” worden. Niet door het systeem te versoepelen, maar door het te versterken. Ondermeer door over te stappen van de strikte toewijzing op basis van de woonplaats naar een systeem dat rekening houdt met de sociale afkomst zodat in alle scholen een sociale mix tot stand komt en zo het residentiële zappen gestopt wordt.

Ten tweede moet worden verhinderd dat het bestaan van privé-onderwijs (gesubsidieerd of niet) het regulerend effect van de schoolkaart vernietigt. De carte scolaire zou in elk geval ook moeten worden toegepast op het gesubsidieerd privaat onderwijs. Maar dat zou de sociale competitie tussen privé-onderwijs en openbaar onderwijs niet kunnen verhinderen. De enige realistische oplossing is dus het “nationaliseren” van de privé-scholen door er openbare scholen van te maken.

Tenslotte: veeleer dan te zeuren over een eenheidscollege dat niet goed werkt, zouden we beter nadenken over de redenen van zijn mislukking. Hoe komt het dat de verschillen tussen de leerlingen al zo groot zijn als ze 11 jaar zijn, en dat ze dan al zo sterk door hun sociale afkomst zijn bepaald? We kennen het antwoord: omdat de basisschool, met de middelen die ze heeft, niet alle voorwaarden kan vervullen die leiden tot een schoolsucces, en omdat het college niet voldoende middelen kan mobiliseren om de kloof te overbruggen. Wie slaagt er tenslotte in het college? De “besten”, en zij die het geluk hebben elders, in de familiesfeer, de hulp te vinden die het college niet kan bieden. In die context is het nuttig nog een laatste cijfers uit de PISA-enquête aan te halen: in geen enkel Europees land (nieuwe EU-leden inbegrepen) is het aantal vijftienjarige leerlingen in de wiskundeklas zo hoog als in Frankrijk. Er zijn gemiddeld 27 leerlingen, tegen 24 in Duitsland en Nederland, 23 in Oostenrijk en Portugal, 22 in Spanje, 20 in Italië en Zweden en … 18 in Finland. Deze cijfers uit de Pisa-enquête zijn in de Franse media niet aan bod gekomen.

Lees ook: De carte scolaire in Frankrijk

References   [ + ]

Nico Hirtt est physicien de formation et a fait carrière comme professeur de mathématique et de physique. En 1995, il fut l'un des fondateurs de l'Aped, il a aussi été rédacteur en chef de la revue trimestrielle L'école démocratique. Il est actuellement chargé d'étude pour l'Aped. Il est l'auteur de nombreux articles et ouvrages sur l'école.