Schuchtere stappen naar de afschaffing van ASO, TSO en BSO

Facebooktwittergoogle_plusmail

Het Vlaamse onderwijs mag dan wel de hemel in geprezen worden voor zijn voortreffelijke vorming in wiskunde en talen, in tal van studies, publicaties en artikels wordt meer een meer gewezen op de nefaste gevolgen van het “watervalsysteem” en de grote, sociale ongelijkheid binnen de verschillende studierichtingen.

Reeds eind de jaren ’90 stelde Professor Jan Van Damme dat “de afstand en het verschil in prestige tussen aso, tso en bso het voornaamste probleem is van het secundair onderwijs”.

Het jongste nummer van Klasse (september 2007) bloklettert “ASO, BSO, TSO AFSCHAFFEN” . Het artikel introduceert drie Vlaamse proeftuinscholen waar ze de leerlingen niet langer in aso-, tso- of bso-hokjes stoppen, met succes. Sommigen van hen gaan zo ver de huidige twaalfjarige schoolloopbaan in vraag te stellen en opperen voor een middenschool tot zestien jaar of het opsplitsen van de twaalf jaar in drie blokken van vier jaar of het afschaffen van de studierichtingen in het eerste jaar of eerste graad van het secundair onderwijs.

Andere maatregelen die in het kader van de proeftuinen aan bod komen, zijn: twee leraren voor een klas zetten om de verschillen op te vangen; een elektronische competentieportfolio organiseren; alle studierichtingen onderbrengen in één gebouw; de termen ASO, TSO, BSO schrappen; de school een “neutrale” naam geven. Men kan zich bij sommige maatregelen de vraag stellen of ze veel aarde aan de dijk zouden brengen. Binnen “economische vorming” bv. blijft “economie” ASO), “handel” (TSO), kantoor (BSO) immers bestaan. Ook al spreekt men nu van “leerdomeinen”, “keuzes”, “ervaringen”, “competenties”, staat “TSO” of “BSO” niet meer in de naam en ontmoeten de leerlingen en leraren van verschillende onderwijsniveaus elkaar in één gebouw, toch moeten de initiatiefnemers toegeven dat “de mensen zullen blijven vergelijken : wat is meer waard?”

Toen in februari 2007 het H. Hartcollege in Ganshoren (Brussel) aankondigde zijn deuren te sluiten, laaiden de discussies rond de kwaliteit van het technisch onderwijs en de selectienormen weer hoog op. De Brusselse en Vlaamse onderwijswereld stonden op hun kop. Het Masereelfonds en Rodenbachfonds organiseerden op 3 mei in “De Markten” een druk bijgewoonde debatavond “Het grote onderwijsdebat – Naar een Marshallplan voor het onderwijs te Brussel?” .

Onderwijsminister Frank Vandenbroucke gaf toe dat de té vroege selectie en de erbarmelijke kwaliteit van het (Brussels) technisch onderwijs dienen aangepakt te worden, maar dat de “juiste” oplossing van het probleem nog niet in het verschiet ligt. Er moeten alleszins “bredere oriënteringsmogelijkheden” komen in de eerste graad binnen de verschillende scholen.
Luc Debacker van het Gemeenschapsonderwijs opteerde voor het uitstellen van het attest lager onderwijs, en dus ook van de selectie, tot na de eerste graad. Dit zou neerkomen op een 4-4-4-structuur ipv de huidige 6-6. De minister “aarzelt voor zo’n revoluties” en wijst ook de “eenheidsworst” (= de gemeenschappelijke stam) af. Volgens hem ligt de absolute prioriteit in de aanpak van de taalkennis van in het lager onderwijs: “de lat hoog voor talen”. Het nieuwe schooljaar wordt dan ook ingeleid met het thema “Talen zijn het probleem van élke leraar”. Daarnaast verklaarde de minister 30 miljoen € te voorzien voor moderne uitrusting om de technische en beroepsafdelingen interessanter te maken. Ook de CLB’s zullen een actievere rol moeten gaan spelen.

Het programma van OVDS kan een afdoend antwoord en waardevol alternatief bieden voor de voor handen liggende problematiek. In OVDS willen we dat alle leerlingen van 6 tot 15 jaar binnen een gemeenschappelijke stam de basiskennis en -vaardigheden verwerven in wiskunde, leesvaardigheid, vreemde talen, met daarnaast een algemene cultuur van hoog niveau (geschiedenis, aardrijkskunde, wetenschappen, literatuur, kunst, filosofie…) Terwijl het huidige onderwijssysteem “technologische analfabeten” voortbrengt, krijgen alle leerlingen binnen de gemeenschappelijke stam een technologische initiatie op het vlak van ICT, gezondheid, electriciteit, landbouw, industrie. Op die manier wordt ook het hoofd geboden aan de onderwaardering van het technisch en beroepsonderwijs, het negatieve zelfbeeld van bso-leerlingen en het maken van keuzes op basis van sociaal prestige ipv op basis van capaciteiten en interesses.

Door de volledige gemeenschappelijkheid en door het polyvalent karakter van de vorming moeten de jongeren slechts op 16 jaar een eerste keuze maken voor een bepaalde studierichting, met veel meer kennis van zaken dan nu. Klasse verwijst naar onderzoeken die uitwijzen dat de vooropleiding in feite geen doorslaggevende rol speelt om succes te hebben in het hoger onderwijs, dan wel een sterke motivatie, zelfkennis en goed kunnen plannen.
Daarenboven zou de sociale selectie in het onderwijs in belangrijke mate teruggedrongen worden, op voorwaarde natuurlijk dat er allerlei begeleidende maatregelen worden genomen vanaf het basisonderwijs. Ook kan het project van de gemeenschapsschool alleen maar lukken mits een hele reeks andere maatregelen en verwezenlijkingen : de gemeenschappelijke stam is één van de tien onlosmakelijk verbonden schakels van het OVDS-programma.

Romy Aerts