Lavigne en Van Hecke over taalachterstand en allochtonen

Facebooktwittergoogle_plusmail

In “De Tijd” (1 september 2007) gaan Urbain Lavigne en Mieke Van Hecke, de bazen van het Gemeenschapsonderwijs en van het katholiek onderwijs o.a. in op de taalachterstand bij allochtonen.

Journalist “De Tijd”: ‘Dreigt de kwaliteit van ons onderwijs ook aangetast te worden als in klassen steeds meer kinderen zitten die geen Nederlands spreken?’

Lavigne: ‘Sommige leerlingen spreken niet alleen geen Nederlands, maar ook geen Frans, alleen Berbers bijvoorbeeld. Het is ontzettend moeilijk om daarmee om te gaan.’


Van Hecke
: ‘Je moet in elk geval heel flexibel zijn. Waarom geven we aan een homogene allochtone populatie in een eerste jaar basisschool niet enkele vakken in hun eigen taal? Laat ons dat overlaten aan de professionaliteit van de leerkrachten.’

Journalist van “De Tijd”: ‘Uit recente OESO-rapporten blijkt dat ons land het slechtste scoort wat de slaagkansen van allochtonen betreft’.

Van Hecke: ‘Het baart mij grote zorgen dat we de taal- en leerachterstand tegen het einde van het lager onderwijs vaak niet kunnen inhalen. Ik ken een Antwerpse lagere school waar 60 procent van de allochtonen buitengaat zonder diploma. Ondanks alle inspanningen die we doen. We slagen er absoluut niet in een link te leggen tussen de Vlaamse schoolcultuur en de eigen allochtone leefcultuur. Dat komt deels omdat we binnen die gemeenschappen geen aanspreekpunten vinden die aan de gezinnen kunnen uitleggen wat ze moeten doen om hun kinderen een succesvolle schoolcarrière te laten lopen. Er zijn genoeg tips: Nederlands praten, naar Nederlandse tv-zenders kijken, ze naar autochtone vrijetijdsstructuren sturen, aandacht hebben voor huiswerk, enzovoort. We kunnen hun dat maar niet overbrengen.’

Lavigne: ‘De Vlaamse schoolcultuur is erg gericht op ouders die hun kinderen volgen, die toezien op het huiswerk, enzovoort. In allochtone gezinnen zijn thuis en school totaal gescheiden werelden. De ouders zijn dikwijls ook de onderwijstaal niet machtig, zodat ze hun kinderen niet kunnen opvolgen. Helaas zijn hun schoolprestaties dan navenant.’

Journalist van “De Tijd”: ‘Er zijn toch genoeg allochtone verenigingen die als aanspreekpunt kunnen dienen?’

Van Hecke: ‘In Limburg is er een kleuterschool die enkele allochtone moeders bereid had gevonden in een oudervereniging te stappen. Het jaar nadien waren ze uit hun eigen gemeenschap gesloten. ‘Hun kinderen hadden betere resultaten, dus ze hadden het alleen voor hun eigen kinderen gedaan’, was de kritiek.’

Lavigne: ‘Wij hebben in enkele scholen leercentra opgericht, waar leerlingen na schooltijd kunnen blijven voor huiswerkbegeleiding en waar ze computers kunnen gebruiken. We experimenteren met ‘schoolbuddies’ die de scholieren thuis gaan helpen. Dat soort initiatieven willen we uitbreiden. Maar het is wel behoorlijk verontrustend te horen dat de jongste generatie allochtone jongeren slechter Nederlands spreekt dan hun ouders of grootouders.’

Van Hecke: ‘In de steden kunnen allochtonen tegenwoordig alles vinden wat ze nodig hebben om als gezin te functioneren: winkels, advocaten, dokters. De noodzaak om de andere taal te spreken om zich te integreren, wordt kleiner. Men beseft wel dat Nederlands belangrijk is om werk te vinden in de toekomst. Daarom begrijp ik niet waarom ze het belang van een diploma niet inzien.’

(Bron: De Tijd, 1 september 2007)