Inleiding: onze visie op de school en onze vaststellingen

Facebooktwittergoogle_plusmail

A. Wat zegt ons programma?

Voorwoord

De Oproep voor een democratische school (OVDS) laat sinds meer dan 10 jaar een kritische stem klinken over het onderwijsbeleid. Zo klaagden we de Belgische “onderwijscatastrofe” aan: de ongelijkheid in het onderwijs bereikt bij ons recordhoogtes. Ze ontstaat vooral doordat het basisonderwijs middelen te kort heeft, en doordat de hiërarchische onderwijsvormen en ons ultraliberaal onderwijssysteem een vroegtijdige selectie doorvoeren. Ons onderwijssysteem is immers gebaseerd op de absolute vrijheid van vraag en aanbod en op het dogma van de concurrentie.

“Maar wat stellen jullie in de plaats?” krijgen we vaak te horen van mensen die onze kritische analyses wel appreciëren maar onvoldoende vinden.

Het programma dat hier volgt wil antwoorden op deze vraag. Zonder taboe. Op het gevaar af enkele heilige huisjes af te breken. Maar als we echt de kloof in het onderwijs willen verminderen, als we echt elke jongere de mogelijkheid willen geven de kennis en vaardigheden te verwerven die nodig zijn om de wereld te begrijpen en hem rechtvaardiger te maken, dan moeten we wel enkele historische gegevenheden van het Belgisch onderwijs dooreenschudden.
De krachtlijnen van onze voorstellen lijken ons noodzakelijk en onlosmakelijk met elkaar verbonden. Aan een gedetailleerde uitwerking zijn we nog niet toe.

Vaststellingen die haaks staan op onze onderwijsvisie

Wij denken dat het leerplichtonderwijs een instrument van collectieve emancipatie kan zijn, een formidabele hefboom om de wereld te begrijpen en rechtvaardiger te maken. Met de woorden van Célestin Freinet, om “te helpen aan de vorming van een mens die strijdt voor een samenleving waar vrijheid, rechtvaardigheid, broederlijkheid en niet-vervreemdende arbeid de fundamenten vormen, een maatschappij waar de uitbuiting van de ene mens door de andere niet meer bestaat”.

De school is ook een plaats van individuele emancipatie, van opvoeding en socialisering. Elk kind moet er zijn talenten en sociale vaardigheden ontwikkelen. Wij zijn ervan overtuigd dat alle leerlingen de kennis en vaardigheden van het algemeen vormend en polytechnisch onderwijs kunnen verwerven. Enkel een zeer kleine groep met een bijzondere geestelijke handicap, is hiertoe niet in staat. Uiteraard dienen we het onderwijs eerst in progressieve zin te hervormen. Iedereen bekwaam, maar niet allen in dezelfde mate.

Dit veronderstelt dat de school de rechten van het kind en van de leerling respecteert. Het recht om te leren, het recht op uitleg, op hulp, op een luisterend oor. Het recht om te leven, te spelen, zich uit te drukken. Het recht op tijd voor zichzelf zonder permanent onder druk te staan. Het recht op een comfortabele zitplaats, aangename lokalen, fatsoenlijke maaltijden, enz.

Ons huidig onderwijs bereikt deze objectieven zeker onvoldoende.

Onze scholen leveren niet veel burgers af die de wereld begrijpen en zich engageren om hem te veranderen. Immers, vaak krijgen de leerlingen te horen: je moet de wereld aanvaarden zoals hij is, je moet je aanpassen. Moet je dan de toenemende ongelijkheid aanvaarden tussen de minderheid superrijken en de meerderheid van de wereldbevolking die enkel kan pogen te overleven ? En wat met de onmenselijke arbeidsomstandigheden? De vernietiging van het leefmilieu? Moet je leren aanvaarden wat onaanvaardbaar is? Volgens ons moet het onderwijs daaraan niet meewerken.

De sociale ongelijkheid die de kinderen uit de volksklassen treft, zet zich door op school en verdiept zich. Deze ongelijkheid bestaat vanaf het kleuteronderwijs, in elke klas, soms tussen de klassen van eenzelfde school en tussen de scholen. In het secundair onderwijs bouwen de verschillende onderwijsvormen (ASO, TSO, BSO) deze segregatie structureel in. Het ultraliberalisme van ons onderwijssysteem versterkt ze. Ons onderwijssysteem functioneert immers als een semi-markt met concurrentie tussen scholen en netten. De tekorten van het kapitalisme vind je terug in het onderwijs.

Bepaalde pedagogische praktijken veronderstellen een verhouding tot het leren die het voorrecht is van de bemiddelde en/of intellectuele bevolkingslagen.
Onze scholen verwijzen te veel kinderen uit de volkse milieus naar het buitengewoon onderwijs. De groep “niet schoolbare” jongeren neemt bovendien toe. We willen daarvoor niet de leraars aansprakelijk stellen. Zij hebben vaak te grote klassen, ze hebben niet de nodige tijd om alle jongeren te doen slagen en om hen te helpen wat ze op school leerden te integreren in hun leven en hun praktijk.

Mislukken, overzitten of de angst ervoor betekenen een ware beproeving voor heel wat jongeren. De examendruk of de druk om te slagen is soms buitensporig. Te veel leerlingen komen tegen hun zin naar school, begrijpen niet waartoe ze dient, de motivatie ontbreekt.

De gemiddelde grootte van de scholen is de jongste twintig jaar toegenomen. Mammoetscholen dreigen kazernes te worden.
Vooral in de scholen waar de moeilijkheden zich concentreren voelen leerkrachten hun beroep zwaarder worden. De vaak onsamenhangende of onleesbare en – paradoxaal genoeg – soms weinig ambitieuze (vooral in het kwalificatieonderwijs) leerplannen zijn niet van aard om het hen gemakkelijker te maken.
De problemen van de leerlingen maken het leven van de leerkrachten niet gemakkelijker … en omgekeerd.
Vergeten we ten slotte ook niet de sociale – en financiële – kostprijs van al die jongeren die afhaken in ons catastrofaal onderwijssysteem.

We beperken ons tot deze negatieve vaststellingen. In andere publicaties hebben we ze voldoende geanalyseerd. We proberen nu eerder te bedenken hoe een ander onderwijs er zou kunnen uitzien.

B. Uw vragen, onze antwoorden

Maar is de school al geen plaats van opvoeding en socialisatie?

Van de socialisatie brengt de school tegenwoordig te weinig terecht. Het blijft te dikwijls beperkt tot kunnen lezen, schrijven, rekenen… en consumeren. Maar de mens heeft heel wat meer nodig om in de maatschappij te kunnen leven. Waar leert men zorg te dragen voor zichzelf en zijn naasten? Waar leert men koken en zich gezond voeden? Hoe leert men affectief leven? Waar leert men leven in de spanningen van elke dag, waar leert men conflicten oplossen? Waar leert men zijn rechten verdedigen, opkomen en militeren voor een rechtvaardige zaak?

School en maatschappij zijn ongetwijfeld al bezig in de opvoeding waarden door te geven, maar de dominante waarden zijn individueel succes, arrivisme, concurrentie, individualisme, direct consumptiegenot,… Wij daarentegen willen de jongeren opvoeden tot waarden waarmee ze samen kunnen opstaan tegen de huidige wereldorde: solidariteit in plaats van individualisme, samenwerking i.p.v. competitie, actie en engagement i.p.v. onderwerping en fatalisme, echte liefde voor de kunst i.p.v. consumptie van een gestandaardiseerde cultuur, passie voor wetenschap en techniek als middel om de wereld te begrijpen en waarderen, en niet blind geloven in het woord van specialisten of in de almacht van de technologie.

De wereld kun je niet veranderen!

En toch zal het moeten! De sociale, economische, politieke, culturele en religieuze spanningen worden in een geglobaliseerde wereld altijd maar groter. De stroom van vluchtelingen van arme naar rijke landen wordt altijd maar groter. De technische en ecologische uitdagingen worden elke dag dringender. Binnen enkele jaren is het tijdperk van de goedkope petroleum voorbij. Dan zal heel de economische basis van onze maatschappij op zijn kop worden gezet. En alle politieke, juridische, morele… structuren zullen veranderen in het zog ervan. Zullen we de wereld niet veranderen? Maar de wereld verandert al, en wees ervan overtuigd dat dat altijd sneller zal gaan. Gaan we dan een generatie vormen die aan deze veranderingen zal deelnemen en ze leiden? Of een generatie die ze alleen maar zal ondergaan?

Alle leerlingen bekwaam, dat zie ik niet gebeuren…

We zeggen niet dat alle leerlingen “even bekwaam” zijn. Er zijn misschien verschillen sinds de geboorte, voorbestemmingen of aangeboren capaciteiten. En zelfs los daarvan, zullen er altijd ongelijkheden zijn in de manier waarop de leerlingen met de school hun voordeel doen, wat we ook doen om dat te vermijden. De inzet van “iedereen bekwaam” betekent enkel dat alle jongeren (of in elk geval de grote meerderheid van hen) in staat zijn in te treden in de vaardigheden die tegenwoordig doorslaggevend zijn om uit te groeien tot een kritisch en bewust burger. Dat wil niet zeggen dat de leerlingen niet hun sterke en zwakke punten kunnen hebben; wij moeten zo goed mogelijk hun krachten stimuleren die hen doen vooruitgaan en hun zwakheden te boven komen.

Rechten voor leerlingen? Akkoord. Maar wat doen we met hun plichten?

Staat het ene het andere in de weg? We pleiten niet voor een zogezegd “egalitaire” relatie tussen lesgever en leerlingen. Dat zou pure hypocrisie zijn, want de pedagogische relatie is per definitie ongelijk. Naargelang van de pedagogische filosofie die men (tijdelijk) volgt, is de leerkracht ofwel de bezitter van kennis die hij de leerlingen moet doorgeven, of hun “gids” en “coach” op weg naar de zelfverwerkelijking van de vaardigheden. Meestal is er een complexe combinatie van deze twee uitersten. Maar hoe dan ook: nooit is hij de gelijke van de leerlingen. In de pedagogische relatie hebben beide actoren rechten en plichten, maar die zijn wel verschillend.

Leerlingen hebben het recht zich de vaardigheden eigen te maken en zijn verplicht tot leren; ze hebben het recht op uitleg en de plicht vragen te stellen als ze iets niet hebben begrepen; ze hebben het recht hun schooltijd in behoorlijke materiële en morele omstandigheden door te brengen en de plicht deze omstandigheden t.a.v. de medeleerlingen en de leerkrachten te respecteren; ze hebben het recht en de plicht vooruit te gaan; ze hebben het recht zich uit te drukken en de plicht dat te doen met respect voor het kader en de voorziene momenten; ze hebben recht op respect en de plicht anderen te respecteren. Rechten en plichten zijn geen tegengestelde, maar elkaar aanvullende principes.

Het Vlaams onderwijs is één van de best presterende ter wereld. Waarom dan veranderen?

Het hangt er maar van af van welke “prestatie” men spreekt. Als men de resultaten van het PISA-onderzoek als maatstaf gebruikt, dan is het Vlaams onderwijs inderdaad gemiddeld één van de best presterende ter wereld. Maar wat bewijst dat? Dat een vrij grote kopgroep van Vlaamse 15-jarigen heel efficiënt op specifieke tests reageert die bepaalde vaardigheden meten voor lezen en wiskunde. Maar kan men de prestatie daartoe herleiden? En als men tests had afgenomen over de kennis van geschiedenis of aardrijkskunde? Of over artistieke cultuur? Of over de ontwikkeling van solidariteits- en samenwerkingswaarden? Het is onduidelijk wat die tests zouden hebben opgeleverd.

PISA leert ons daarentegen nog iets over het Vlaams onderwijs: het is ook één van de meest ongelijke van de wereld: bij de landen van de OESO is het Vlaanderen waar de verschillen tussen allochtonen en autochtonen het grootst zijn. Het gaat niet op dat de elites goed scoren, als men diegenen uitsluit van de vaardigheden die er in de toekomst het meest nood aan zullen hebben in hun strijd voor emancipatie.

De minister mag het Vlaams onderwijs dan wel uitroepen tot “wereldkampioen in wiskunde”, de realiteit is ook dat heel wat leerlingen de school verlaten (al dan niet met een diploma) zonder procenten te kunnen berekenen (omdat men de regel van drie niet beheerst), zonder een vergelijking van de eerste graad met één onbekende te kunnen oplossen of zonder de inhoud van een kubus te kunnen berekenen. Wanneer lerarenopleidingen hun studenten – onderwijzers in spe – bij het begin van het schooljaar testen, blijkt dat sommigen niet de leerstof beheersen van … het lager onderwijs, hoewel ze minstens zes of zeven jaren secundair onderwijs achter de rug hebben!

Het is toch goed dat de elites worden vooruitgeholpen? Dat is toch de beste waarborg dat iedereen vooruitgaat?

Neen, dat is geen waarborg. Vergelijkende internationale statistieken tonen aan dat de landen met de meest strikte en vroegtijdige selectie niet noodzakelijk die zijn met het hoogste gemiddelde niveau. Er is in feite geen correlatie tussen elitarisme en gemiddelde kwaliteit van de opvoeding. Het is daarentegen zeker dat men de situatie van de leerlingen in moeilijkheden verslecht, als men hen in dezelfde klas bijeen zet.

Verwacht men niet te veel van de school? En de ouders? En de maatschappij?

Ja, men verwacht steeds meer van de school. Maar dat is ook nodig. De traditionele socialisatie- en opvoedingsplekken verliezen geleidelijk hun relevantie. Het gezin is vaak herleid tot een éénouderstructuur. Of beide ouders werken in atypische uurroosters. De grootouders wonen dikwijls te ver om er met het openbaar vervoer gemakkelijk te geraken. Veel kinderen zitten lange uren alleen thuis, voor tv of pc.

En nu is het juist de tv, die vroeger werd voorvoeld als de magische draaischijf voor een nieuwe volkscultuur, die vaak het tegenovergestelde doet: publiciteit en stompzinnige uitzendingen werken het moeizame onderwijs- en opvoedingswerk van ouders en school tegen. In een dergelijke context moet de school, veel meer dan nu, de plaats worden waar kinderen en jongeren weer kunnen leven, zich emanciperen, opgevoed en gesocialiseerd worden. Zonder daarom haar eerste taak tekort te doen: onderwijs. We moeten dan ook meer tijd en ruimte vrijmaken voor de school.

[
TERUG NAAR OVERZICHT->749]