3. De leerlingen toewijzen aan een school

Facebooktwittergoogle_plusmail

A. Wat zegt ons programma?

3. De leerlingen toewijzen aan een school

Elke leerling krijgt vanaf het eerste leerjaar een school toegewezen voor de duur van 10 jaar. Deze toewijzing vervalt bij verhuizing of in uitzonderlijke omstandigheden. De bedoeling is gettoscholen te voorkomen en een voldoende sociale mix te halen in elke school.

Deze toewijzing gebeurt volgens de woonplaats en volgens het gezinsinkomen. Dit systeem vereist dat we het grondgebied geografisch indelen in sociaal gemengde zones.

Tot een bepaalde datum moeten de scholen eerst de leerlingen inschrijven die hen zijn toegewezen. Deze leerlingen zijn dus zeker van een plaats. Het aantal plaatsen in een school wordt vooraf vastgelegd volgens de objectieve capaciteit en mag niet worden overschreden. Na de vervaldatum (15 augustus bv.) kan de school eventueel overblijvende plaatsen vrij toekennen. Dit systeem gaat er vanuit dat er geen herexamens meer zijn.

Gemotiveerde afwijkingen op dit inschrijvingssysteem zijn mogelijk op advies van de klassenraad en/of het CLB van de school.

B. Uw vragen, onze antwoorden

3. De leerlingen toewijzen aan een school

Wat doen jullie met de vrije schoolkeuze? Met de vrijheid van de ouders?

Ouders die van de vrijheid op schoolkeuze willen gebruik maken, zullen dat nog altijd kunnen … maar op eigen risico. In de mate dat er nog plaatsen over zijn nadat alle ouders gebruik hebben kunnen maken van hun RECHT op een nabij gelegen kwaliteitsschool.

In elk systeem moet er naar een evenwicht gestreefd worden tussen vrijheid en gelijkheid. Soms moet de balans doorslaan in het voordeel van het ene. Vrijheid kan niet altijd als de absolute waarde beschouwd worden. Wie zou het bv. in zijn hoofd halen de vrijheid op te eisen om door een rood licht te rijden ?

De ouders vechten niet met gelijke wapens als het op de “vrijheid” van schoolkeuze aankomt. Wie uit de sociaal-economisch meest bevoorrechte milieus komt, kent beter de spelregels. Men weet dat men lang op voorhand moet inschrijven in een “goede” school. Dit fenomeen roept sociaal homogene scholen in het leven. In elitaire scholen zitten vooral jongeren uit de bevoorrechte klassen bijeen. Aan de andere kant van het spectrum vindt men scholen met bijna enkel jongeren uit de volksklassen, met een concentratie van leerlingen met leerproblemen voor wie de toegang tot andere scholen afschrikt (om culturele of financiële redenen ) of regelrecht wordt afgeraden. Hun ouders aanvaarden gemakkelijk de “raadgevingen” inzake oriëntering naar een technische of beroepsschool, ook al zijn de resultaten in het lager onderwijs bevredigend. Aan bemiddelde ouders geeft niemand deze raad, zelfs als zoon of dochter maar middelmatig scoort.

Wat wij willen is de vrije schoolkeuze vervangen door een hoger recht. Het recht om een kwaliteitsschool te vinden vlakbij huis, waar men zeker is van een plaats te vinden voor zijn kind. Als dit recht, dat nu gehypotekeerd wordt door de vrije schoolkeuze, zou gerealiseerd worden, wordt de vrije schoolkeuze overbodig.

Vele ouders staan er op een kwaliteitsschool voor hun kind te kunnen kiezen. Wat is daar mis mee?

Deze bezorgdheid is zeer legitiem. Maar vandaag zijn de scholen zeer ongelijk, precies door het mechanisme van de “vrije keuze”. Terwijl sommigen erin slagen een “goede” school te vinden, gaat dit ten koste van anderen die terecht komen in concentratiescholen of “ghettoscholen”. Wij willen dat het recht op goed onderwijs voor iedereen geldt. Ons antwoord aan ouders die een goede school wensen te vinden is niet dat ze moeten beginnen vechten om een plaatsje te bemachtigen in de elitescholen maar dat ze ervoor moeten ijveren dat alle scholen kwaliteitsscholen worden.

Zal de opheffing van de vrije schoolkeuze niet leiden tot een wildgroei van privé-initiatieven? Zullen sommige rijke ouders dan niet overwegen om leerkrachten te betalen voor onderwijs aan huis of in privé-scholen?

In de huidige juridische situatie waar geen schoolplicht maar leerplicht bestaat zou de tendens naar thuisonderwijs zich inderdaad kunnen versterken, wat een ondermijning van ons project zou betekenen. Wij stellen voor om de wet te veranderen en de schoolplicht tot 18 jaar in te voeren.

Kan men vrijheid van schoolkeuze en gelijkheid niet met elkaar verzoenen ?

OVDS heeft in een studie gebaseerd op de cijfers van PISA (een internationaal vergelijkend onderzoek, georganiseerd door de OESO) aangetoond dat, hoe meer een land beperkingen oplegt inzake de “keuze” van de school, hoe efficiënter zijn strijd is tegen de (sociale) ongelijkheden in het onderwijs. Laten we dus niet hypocriet zijn. We kunnen niet zeggen “ik ben voor de vrijheid van keuze” zonder eraan toe te voegen “en dus tegen de gelijkheid”. En vice versa.

Als je voor een rechtvaardiger opvoedkundig systeem bent, ben je tegen de vrijheid van schoolkeuze.
Men kan zich bovendien de vraag stellen of deze vrijheid wel voor iedereen geldt. Hoeveel ouders zijn er niet die zich helemaal niet gemakkelijk voelen bij de keuze van een school. Hebben ze een goede keuze gemaakt? Hebben ze wel kunnen kiezen? Als de leerling de uitslag van de herexamens moet afwachten is het soms te laat om nog een school met de gewenste studierichting te kiezen wegens “vol”. Zij moeten dan noodgedwongen een andere studierichting kiezen of een school die op grote afstand is gelegen.

Veel ouders zouden een zucht van verlichting slaken als hun kinderen automatisch een nabij gelegen of goed bereikbare kwaliteitsschool zou worden toegewezen. Met de zekerheid dat de school en de klassen heterogeen zijn samengesteld, zonder een extreme concentratie in die ene of andere zin qua socio-economische afkomst. In de wetenschap dat de school en de klassen niet te groot in omvang en dank zij de nodige omkadering de draagkracht bezitten om leer- en gedragsproblemen effectief aan te pakken.
Het wegvallen van deze concurrentie zou ook directies en onderwijzend personeel heel wat tijd, energie en geld besparen, die nu aangewend worden om de onverbiddelijke concurrentieslag te winnen.

De keuze van de ouders beperken? Is dat niet te radicaal en totaal onrealistisch?

In dat geval zou het merendeel van de Europese landen revolutionair zijn. Bijna alle landen hanteren nu op de één of andere manier een systeem van verplichte toewijzing van de leerlingen aan de schoolinstellingen. België is – samen met Nederland en Oostenrijk – veeleer een uitzondering. Op internationale ontmoetingen uiten buitenlandse onderwijsspecialisten en syndicalisten vaak hun verwondering over het ultraliberalisme dat hierrond in België bestaat. Het shockeert hen want in hun ogen kan een dergelijk systeem alleen maar een bron van ongelijkheid en deregulering zijn: onstabiliteit van het pedagogisch team op een school, concurrentie tussen de instellingen, de verplichting om zich op de “onderwijsmarkt” te profileren om zoveel mogelijk leerlingen te recruteren, in plaats van sereen te kunnen nadenken om de opvoeding te kunnen verbeteren ten dienste van de leerlingen die nu in de instelling school lopen… Spijtig genoeg is het dat wat we in België vaststellen!

Maar in Frankrijk functioneert de “carte scolaire”niet. De gezinnen uit de bovenste sociale lagen ontsnappen er aan door te verhuizen naar de hippe wijken, door elitaire opties te kiezen of door hun kinderen in het privaat contractonderwijs te plaatsen.

Vooreerst moet toch worden aangestipt dat er in het Frans onderwijs minder sociale segregatie is dan in België. Dit blijkt duidelijk uit de statistieken van het PISA-onderzoek en dit is zeer waarschijnlijk onder andere het resultaat van het bestaan van de “schoolkaart”.

Het is waar dat de Franse “carte scolaire” op diverse manieren wordt omzeild. Daarom is ons voorstel anders dan wat men in Frankrijk hanteert. Wij willen juist rekening houden met het niet onverdeeld positief bilan van de Franse schoolkaart.
België is ten eerste een dichtbevolkt land. De rijke en arme wijken van onze grote steden liggen meestal vlak naast elkaar. Alles draait dus om de manier van opdeling: vrij grote zones, waarin zowel “rijken” als “armen” wonen, en waarin men twee tot drie scholen kan voorzien. Men wijst de leerlingen vervolgens aan de scholen toe, rekening houdend met het inkomen van de ouders, om een sociale verscheidenheid te waarborgen in elke instelling en om elke vorm van sociale apartheid tegen te gaan.

Ten tweede is ons systeem van toewijzing van leerlingen onlosmakelijk verbonden met het eerste punt van ons programma: de gemeenschappelijke stam tot 16 jaar. In Frankrijk begint de differienciëring in de studiekeuze vanaf het “collège” (de eerste drie jaren van het secundair onderwijs die in principe gemeenschappelijk zijn) en de recente beslissingen van de Franse regering gaan deze differentiëring nog versterken.

Ten derde: punt 4 van ons programma stelt een fusie van de netten voor, precies om te verhinderen dat de invoering van een schoolkaart naar een sociale segregatie zou leiden tussen het officieel en het vrij onderwijs. In Frankrijk vallen de vrije scholen buiten het systeem van de “carte scolaire” en wenden de rijkere families zich vaak tot deze scholen om het systeem te omzeilen.

Wat doe je dan met een rijke gemeente als Lasne? Hoe realiseer je daar een sociale mix in de scholen?

Lasne is de rijkste gemeente van België maar toch nog sociaal meer gemengd dan men denkt. Het gemiddelde inkomen per gezin bedraagt er 39.000 €, dwz 63 % boven het gemiddeld nationaal inkomen van 23.900 €. Toch leeft de helft van de bevolking van deze gemeente met minder dan 22.100 € (het gemiddeld inkomen van Doornik of Mechelen). In een arme gemeente als La Louvière leeft de helft van de gezinnen met minder dan 16.000 € per jaar.

Maar in Lasne is er toch ook een kwart van de gezinnen in deze situatie. Niet verwonderlijk: waar er mooie villa’s zijn, zijn er ook tuiniers, werkvrouwen en veel gemeentepersoneel voor het onderhoud nodig. Zij wonen natuurlijk niet allemaal in Lasne, waar de woningprijzen zeer hoog liggen, maar toch meer dan men denkt. Niet alle wijken van deze gemeente zijn bebouwd met villa’s! Zo woont ook niet iedereen in La Louvière in arbeiderswijken: één vierde van de bevolking verdient jaarlijks meer dan 33.000 €, hetzij het gemiddeld inkomen van Waterloo, de derde rijkste gemeente van Waals Brabant.

Wat gebeurt er nu vandaag? Vooreerst vindt er reeds een sociale selectie plaats tussen de kinderen die school lopen in hun gemeente. In het lager onderwijs is deze breuk vaak merkbaar tussen het gemeentelijk onderwijs en het vrij net. Bij de overgang naar het secundair spelen de mobiliteit van de leerlingen samen met het sociaal karakter van de selectie volgens onderwijsvormen en studierichtingen een grote rol. In Lasne is er geen secundair onderwijs. De jongeren gaan dus naar Waterloo of Eigenbrakel. Maar de enen zullen naar hippe scholen als Berlaimont gaan, terwijl de anderen terecht komen in technische of beroepsafdelingen.

Wij zouden in Lasne een secundaire school oprichten waar, net als in La Louvière, kinderen uit alle sociale lagen een zelfde opvoeding en opleiding genieten. Natuurlijk zullen er dan nog altijd meer arme leerlingen in La Louvière en meer rijke jongeren in Lasne rondlopen. Maar de sociale breuk zal minder groot zijn dan vandaag.

Gaan jullie, door de slechte leerlingen een beetje overal te verspreiden, geen niveauverlaging teweeg brengen en het ontstaan van een intellectuele elite, die de gemeenschap zo nodig heeft, tegen gaan?

De leerlingen die men nu in ghettoscholen concentreeert zijn geen “slechte” leerlingen. In elk geval niet in het begin. Het zijn kinderen uit een volks milieu. Op sociaal vlak armer dan de anderen. Zoals de anderen hebben zij nood aan ondersteuning, maar hun ouders hebben minder mogelijkheden om hen die geïndividualiseerde begeleiding te bieden. Door deze kinderen in één groep onder te brengen, zoals men dat nu doet, groeit de kloof, die aanvankelijk nog zeer klein was, met het jaar. Alle studies tonen daarentegen aan dat deze kinderen beter zullen vooruitgaan indien zij in meer heterogene klasgroepen terecht komen, dat zij gestimuleerd worden en niet gaan afhaken, zonder dat dit de “betere” leerlingen benadeelt.

Bovendien bewijzen internationale vergelijkingen zoals het PISA-onderzoek duidelijk dat de landen die minder sociale segregatie toepassen en de selectie volgens studierichting uitstellen, betere gemiddelde resultaten behalen dan de andere landen. Gelijkheid en leerwinst voor allen gaan hier hand in hand. Ongelijkheid hoeft dus niet fataal de prijs te zijn die men moet betalen voor kwaliteit, zoals sommige voorstanders van ons zeer ongelijk onderwijssysteem beweren.

Wie zou trouwens durven beweren dat de universitairen die in de Scandinavische landen afstuderen minder goed gevormd zijn dan de Belgische?

Gaan de inhoud en de pedagogische initiatieven niet verschralen als scholen niet langer gestimuleerd worden om hun best te doen in de concurrentieslag om de leerlingen?

Concurrentie en stimulansen zijn niet hetzelfde. Concurrentie tussen de netten en tussen de scholen brengt hen tot initiatieven die weinig met pedagogie en alles met marketing te doen hebben. Scholen organiseren soms activiteiten met weinig pedagogische meerwaarde maar die leerlingen aantrekken, veeleer dan activiteiten die pedagogisch een veel grotere verrijking zouden betekenen voor de leerlingen maar op het eerste zicht weinig aantrekkelijk zijn.

Zal de afschaffing van de herexamens het aantal schoolmislukkingen niet verhogen aangezien men de leerling een “tweede kans” ontneemt ?

In de huidige context heeft een herexamen mogelijk enige pedagogische waarde voor het handvol leerlingen die hun tweede kans met beide handen grijpen. Toch moet men toegeven dat het meestal weinig zin heeft en onrechtvaardig is: hoe zou een leerling die er tussen september en juni niet in slaagt in het schoolse kader, in aanwezigheid van zijn leerkracht en medeleerlingen, de doelstellingen van de cursus te behalen, vooruitgang kunen boeken wanneer hij aan zijn lot is overgelaten gedurende de twee zomermaanden? De leerlingen die het halen zijn vaak degenen die familiaal bevoorrecht zijn, op financieel (privélessen) of cultureel vlak (ouders die zelf gestudeerd hebben).

Ons project van de gemeenschappelijke school zou ons uit deze impasse moeten halen. De jongeren zullen meer enthousiasme vertonen om te studeren en te leren. Evaluatie en remediëring zullen opgedreven moeten worden zodat we geen leerlingen meer zien afhaken. Herexamens kunnen vervangen worden door inhaallessen tijdens de schoolvakanties om bij de start van het nieuwe schooljaar weer aan te knopen.

Kan er in bepaalde gevallen meer soepelheid aan de dag worden gelegd? Bijvoorbeeld als een leerling na zware disciplinaire problemen een uitsluiting heeft gekregen of als er grote psychologische problemen zijn in de verhouding met een leraar? .

Ja, natuurlijk, al moet een dergelijke situatie zoveel mogelijk vermeden worden, anders zou het evenwicht van het systeem ontwricht worden en zouden we opnieuw sociale ongelijkheden zien de kop opsteken tussen de verschillende instellingen. Afwijkingen mogen slechts in ernstige gevallen toegestaan worden, bv. door een commissie met de verschillende schooldirecties van de regio. Geen sprake van om zonder afdoende reden van school te veranderen.

We gaan er vanuit dat de gemeenschappelijke basisschool voor de leerlingen ook het leerplezier zal verhogen en de verhoudingen met de leraars zal verbeteren zodat er weinig leerlingen de behoefte zullen voelen om van school te veranderen.

En wat als de sfeer op school mij niet aanstaat ?

Elke gemeenschappelijke sc->749]hool moet in staat zijn alle leerlingen uit een bepaalde buurt, ongeacht hun sociale herkomst, enz. te kunnen ontvangen.
Zij weerspiegelt immers de sociale samenstelling van de gemeente/wijk. De school heeft ook een sociale functie: het integreren van de jongeren in hun sociale omgeving. De school moet zich ook aanpassen aan de individuele leerling en zijn ontwikkeling ter harte nemen.

Zij moet een evenwicht vinden tussen beide aspecten en aangepaste methodieken vinden opdat alle kinderen hun plaats vinden..
Wanneer een leerling ondanks alle inspanningen zijn plaats niet vindt in een school kan het overplaatsen naar een andere school overwogen worden.

[
TERUG NAAR OVERZICHT->749]