Van waar komen de slechte resultaten van migrantenleerlingen in België

Facebooktwittergoogle_plusmail

Het PISA-onderzoek toont in België grotere verschillen tussen autochtone en allochtone leerlingen dan elders. Onze studie toont aan dat deze situatie voornamelijk voortvloeit uit de sociale positie van de leerlingen die uit de immigratie komen, en dat de specifiek etnische, culturele en taalkundige factoren zwak zijn (in Vlaanderen) of onbetekenend (in de Franstalige Gemeenschap in België). Dat heeft cruciale implicaties voor de noodzakelijke maatregelen om de weinig benijdenswaardige positie van ons land in de internationale statistieken te counteren.

Download de volledige studie in PDF :
pisa_immig_nl.pdfIn een recent gepubliceerd rapport heeft de OESO zich gebogen over de schoolse competenties van leerlingen die uit de immigratie voortkomen, op basis van het uitgebreid internationaal PISA-onderzoek van 2003. Het rapport stelt dat “talrijke ontwikkelde landen er niet in slagen kinderen uit de immigratie via het onderwijs in onze maatschappij te integreren”(…) Die kinderen lopen (dikwijls) een schoolachterstand van meer dan twee jaar op in vergelijking met hun autochtone medeleerlingen”. In het rapport van de OESO worden bepaalde landen, waaronder België, met de vinger gewezen. Wij maken inderdaad deel uit van de landen waar “bij de kinderen van de tweede immigratiegeneratie die heel hun schoolloopbaan in het gastland hebben gevolgd, meer dan een derde ondermaats presteert t.o.v. het basisgeschiktheidsniveau in wiskunde”.

Het blijkt ook dat, van alle OESO-landen, België de grootste verschillen heeft tussen de resultaten van de allochtone en de autochtone leerlingen. Maar met een subtiel verschil tussen de gemeenschappen: Vlaanderen is “kampioen” voor de verschillen tussen autochtonen (geboren in België, en met tenminste één ouder die ook in België is geboren) en kinderen van de “de tweede generatie” (geboren in België, uit vreemde ouders), terwijl onze twee gemeenschappen het wereldrecord delen voor de verschillen tussen autochtone kinderen en kinderen van “de eerste generatie” (die in het buitenland geboren zijn).

Dit rapport is vrij onopgemerkt gebleven in de Franstalige Gemeenschap – waar de politieke klasse soms meer bezig lijkt met de toekomst van de Formule I-races of de schandalen dan met de onderwijsproblemen. Maar in het Noorden van ons land heeft het veel stof doen opwaaien: minister Vandenbroucke heeft op de dag van de publicatie , een nota verspreid met de essentiële lessen die er voor Vlaanderen uit voortvloeien.

In bepaalde linkse Vlaamse middens, geschokt door de recente reeks racistische moorden en agressie, is het OESO-rapport ontvangen als een nieuw bewijs voor “typisch Vlaamse vreemdelingenhaat”. Maar in andere middens, die dichter bij de regering staan, schijnen de resultaten de idee te versterken dat de belangrijke verschillen die blijken uit de PISA-tests ten minste gedeeltelijk te verklaren zijn door de slechte scores van de leerlingen uit de immigratie, die slachtoffer zijn van een “culturele en taalkundige handicap”, resultaat van hun “slechte integratie” in de Vlaamse maatschappij. Zo blijven de Vlaamse minister en onderwijsautoriteiten bevestigen dat “het Vlaamse onderwijs behoort tot het beste ter wereld”, vermits de gemiddelde resultaten uitstekend zijn. Om de verschillen tussen de beteren en de minder goeden te reduceren, zou het dus volstaan te zorgen voor een betere “culturele integratie” van de immigranten, bijvoorbeeld door het verlenen van sociale hulp. Of door migranten enkel toe te laten tot een sociale woning als ze vooraf Nederlands leren.

In dit concert van stilte (in het Zuiden) en van geveinsde of gemeende neerslachtigheid (in het Noorden) heeft niemand vragen gesteld over de pertinentie van de OESO-conclusies. Nochtans vertoont dit rapport van het centrum van strategische reflectie van het wereldkapitalisme belangrijke leemtes. Ondanks zijn omvang (234 bladzijden) stelt dit document zich immers tevreden met globale vergelijkingen tussen autochtonen en leerlingen uit de immigratie.
De belangrijkste fout van deze methode is dat men twee bevolkingen vergelijkt (autochtonen en migranten) zonder zich af te vragen of een dergelijke vergelijking relevant is voor het bestudeerde kenmerk (bv. de resultaten voor wiskunde en lezen). Zijn de waargenomen verschillen echt verbonden met de nationale origine of zijn ze niet veeleer het resultaat van verborgen variabelen, misschien verbonden met de sociale situatie ? Een voorbeeld om het probleem beter te begrijpen.
Als men de PISA-resultaten zou vergelijken van leerlingen die een dure iPod Apple laatste mode hebben met die van de leerlingen met een eenvoudige MP3-lezer uit Taiwan , dan zouden de eersten ongetwijfeld betere resultaten halen in wiskunde en lezen. Betekent dat dat de klankkwaliteit van het Apple-materiaal de werking van de neuronen bevordert ? Natuurlijk niet. Maar het is nu eenmaal zo dat de prijs van de iPod hem in de regel voorbehoudt aan jongeren van een bepaald sociaal niveau. Door de mechanismen van segregatie – die we al uitvoerig in eerdere artikels hebben uiteengezet – leidt dat niveau tot goede schoolresultaten. Zou het ook zo niet kunnen zijn voor de schoolresultaten van kinderen uit de immigratie? Als we het OESO-rapport lezen, hebben we in elk geval redenen om voorzichtig te zijn. Immers, ter gelegenheid van onze eigen enquête van 1996 in Henegouwen5 hadden we al aangetoond dat de ongelijkheden in schoolsucces tussen autochtone kinderen en kinderen uit de immigratie van rond de Middelandse Zee of de Derde Wereld verdwijnen, als men leerlingen met dezelfde sociale afkomst vergelijkt.
In het OESO-rapport wordt de immigratiegroep als homogene groep behandeld. Men maakt alleen onderscheid tussen migrantenleerlingen van de eerste en de tweede generatie. Op één uitzondering na, maakt geen enkele door de OESO voorgestelde tabellen of grafieken een onderscheid volgens de nationaliteit van de migranten. Dit onderscheid leidt nochtans tot verrassende resultaten in het geval van België…

Om verder te lezen : download de volledige studie in PDF
pisa_immig_nl.pdf

Nico Hirtt est physicien de formation et a fait carrière comme professeur de mathématique et de physique. En 1995, il fut l'un des fondateurs de l'Aped, il a aussi été rédacteur en chef de la revue trimestrielle L'école démocratique. Il est actuellement chargé d'étude pour l'Aped. Il est l'auteur de nombreux articles et ouvrages sur l'école.

3 REACTIES

  1. PISA 2003 en de slechte resultaten van migrantenleerlingen in België
    uitstekend onderbouwde studie, proficiat, nico hirtt!

  2. PISA 2003 en de slechte resultaten van migrantenleerlingen in België
    Er zitten grote statistische kortsluitingen in deze studie. Men zou zelfs gaan denken dat de steekproeven genomen werden om de conclusies te bewijzen.

    Ook zou de “onderzoeker” beter eens met leerkrachten spreken om de vernemen dat bij leerlingen van marokkaanse oorsprong er een constante weigering bestaat om bepaalde vakken te leren want ze zijn niet conform aan de Koran.
    VB: de evolutieleer, geologie (want volgens de Koran zitten de bergen vast met diepe pieken).
    Dat zijn de feiten die de leerkrachten dagelijks meemaken in het onderwijs!

  3. PISA 2003 en de slechte resultaten van migrantenleerlingen in België
    Kan u een voorbeeld geven van “statistische kortsluitingen” in deze studie?
    Bedoelt u dat alle Marokkaanse leerlingen geloven dat de bergen “met diepe pieken vast zitten”?

Comments are closed.