De stakingsbeweging in het Franstalig onderwijs 1995-96

Facebooktwittergoogle_plusmail

Op 19 november e.k. vieren wij niet alleen dat de Oproep voor een Democratische School 10 jaar bestaat, maar ook dat tien jaar geleden de laatste grote sociale beweging in het Franstalige onderwijs van België plaats had. Deze lange en bewogen staking werd door de leerkrachten, leerlingen en studenten gevoerd tegen de besparingsmaatregelen van Laurette Onkelinx (PS) en Jean-Pierre Grafé (PSC). Zij is ongetwijfeld grotendeels miskend door onze Vlaamse vrienden en door de jongere Franstaligen. De opfrissing hieronder zal deze lacunes opvullen.

1995-96: twee stormachtige schooljaren

In de lente van 1995 lanceert minister Laurette Onkelinx haar plan om het middelbaar onderwijs te rationaliseren. Scholen van minder dan 400 leerlingen moeten fuseren of verdwijnen. 2800 tot 3000 banen staan op de helling. Na talrijke protestacties wordt het aantal banen dat moet verdwijnen teruggebracht tot 800. Maar Onkelinx maakt haar rekening opnieuw: er moet nog 3 miljard BEF gevonden worden, wat in haar ogen neerkomt op 3000 banen die moeten sneuvelen!

Het Franstalig onderwijs maakt daarop, begin 1996, de langste staking uit zijn geschiedenis mee: van eind februari tot begin mei volgen de werkonderbrekingen, manifestaties en acties elkaar zonder onderbreking op. Ongelukkig genoeg zonder resultaat. De 3000 banen verdwijnen en één school op vijf wordt in een grotere entiteit opgeslorpt.

Op sociaal vlak is er een magere troost: uitstapmaatregelen komen tegemoet aan de ouderen en redden de banen van de jongeren. Maar de vermindering van de omkadering is een feit… en laat zich sindsdien in elke instelling elke dag opnieuw voelen. Aldus titelt Anne-Marie Pirard in het Franstalige blad van de Gezinsbond van 18 december 1996: “Middelbaar onderwijs : na regen komt slecht weer ”.

In het hoger onderwijs slaat dezelfde besparingslogica toe: Lebrun, en nadien Grafé hergroeperen de 113 hogescholen in 30 Hautes Ecoles van gemiddeld meer dan 2000 studenten. Deze scholen krijgen voortaan vaste globale enveloppes om hun personeel en werkingskosten te betalen. En het budget wordt bevroren! Ook op dat niveau ondervindt men tot op vandaag de rampzalige gevolgen (wat overigens van tijd tot tijd koortsopstoten bij de docenten en studenten veroorzaakt).

Waarom kreeg de protestbeweging een dergelijke omvang?

De reden waarom de weerstand tegen de maatregelen Onkelinx-Grafé zo fel was, moet ongetwijfeld gezocht worden in twee richtingen.

Vooreerst verzetten de onderwijsmensen zich tegen een zoveelste aanval: sinds eind jaren 70 houdt het niet op. Zowel de laatste nationale ministers als hun eerste collega’s gemeenschapsministers nemen maar één woord in de mond: besparen! Er wordt onophoudelijk in de middelen van het onderwijs gesnoeid en bij elke snoeibeurt worden de arbeidsomstandigheden moeilijker: afschaffing van de uren klassendirectie en klassenraad, verhoging van de oprichtings- en behoudsnormen, besparingen op het budget voor de schoolgebouwen, verhoging van het aantal wekelijkse lestijden voor de leerkrachten, vervanging van de splitsingsnormen door een kapitaal uren-leraar dat kleiner is, enz. De in 1986 in Hertoginnedal genomen beslissingen alleen al hebben volgens de syndicale organisaties 15.000 banen gekost.

Een andere reden van de woede van 96 is het besef – zowel bij leerkrachten als bij studenten – dat het voorliggende decreet, met zijn verwoestende effecten die bovenop al de vorige besparingsmaatregelen komen, werkelijk een fatale slag zal toebrengen aan de kwaliteit van het onderwijs in de Franstalige Gemeenschap in België: het vermindert de omkadering en richt grote scholen op die sowieso minder menselijk zijn. De dualisering van onderwijs en samenleving zal nog verscherpt worden.

Een staking die tegelijk zeer rijk was en … toch verloren werd

We moeten ingaan op dit aspect van de staking van 96. De kwaliteit van het onderwijs staat hier werkelijk op het spel. In de beledigingen aan het adres van de leraren, bijvoorbeeld wanneer ze deelnamen aan stakingspiketten, werd nog maar eens het oude refrein gezongen: “Wat willen ze nog meer, die leraren? Twee maanden vakantie en nog niet tevreden? En verdienen ze niet genoeg voor 20 uur per week?” Maar de inzet van deze staking ligt duidelijk elders: het gaat om de tewerkstelling, meer bepaald de omkadering van de jongeren, en evenzeer om de rol van de school als plaats van sociale emancipatie. Het debat in de schoot van de beweging is heel rijk en legt het rechtstreekse verband tussen de school en de maatschappij, en vice versa.

Waarom is deze staking dan toch een mislukking geworden?

We wagen ons aan enkele verklaringen. Er is vooral – laten we dat niet vergeten – de onwrikbare houding van de regering Onkelinx, gesteund door de meerderheid en door de economische kringen. Een houding die zozeer onwrikbaar was dat ze de beweging liet uiteenvallen. We zullen de momenten waarop de leraren en studenten de matrakslagen en de waterkanonnen incasseerden nooit vergeten. In het oordeel van de geschiedenis zijn de regeerders van toen verantwoordelijk voor de verschrikkelijke rotzooi die hun maatregelen hebben meegebracht, en ze zullen dat altijd blijven.

Ten tweede zijn de krachtsverhoudingen in onderwijs niet van de gunstigste. Het neerleggen van het werk doet geen pijn in de portefeuille van de patroon. Zo wint de ontmoediging stilaan terrein wanneer op 2 april 1996, ondanks de voortdurende druk van de protestacties, het decreet toch wordt gestemd.

Bij de meest gedreven militanten wint de overtuiging veld dat ze niet voldoende gesteund worden door de syndicale organisaties; nochtans hield het trio Jean-Marie Anciaux (CGSP, de Franstalige ACOD), Régis Dohogne (CSC, het Franstalig ACV), André Lacroix (SEL, Syndicat de l’Enseignement Libre, BBTK-centrale in het vrij onderwijs) tot op het eind voet bij stuk (werd eerstgenoemde niet “monsieur non” genoemd?). Deze overtuiging is zeker in grote mate toe te schrijven aan het gebrek aan eenheid met de arbeidswereld en aan de afwezigheid van werkelijke steun vanuit de interprofessionele syndicale structuren.

Menig militant wordt ook van zijn stuk gebracht door een onverwachte wending: het zonder voorafgaand overleg gelanceerde tegenvoorstel vanwege de CEMNL (Eén van de 4 onderwijscentrales van het Franstalige ACV: de Centrale voor het Middelbaar en Normaalonderwijs) . Dat tegenvoorstel hield in dat de onderwijsmensen zelf een deel van de door de ministers geëiste besparingen opbrengen door in ruil voor het behoud van de werkgelegenheid een loonsvermindering te accepteren. Dit initiatief creëert vanzelfsprekend nieuwe spanningen, zowel binnen het ACV als binnen het gemeenschappelijk front.

Veel militanten begrijpen niet waarom het idee van een moratorium niet beter gesteund wordt. Dat idee vindt op alle bijeenkomsten grote bijval en brengt veel onderwijsmensen en studenten aan de basis in een hechte band bijeen. Het moratorium in kwestie bestond erin om elke beslissing over het onderwijs voor een jaar te bevriezen, en om van dat jaar gebruik te maken om alle gegevens opnieuw op een rijtje te zetten.

Nog een bron van spanning in de beweging zijn de naderende examens, en het antwoord op de vraag of men het schooljaar zal opofferen dan wel terug zal keren naar de scholen. Omdat er over dat punt geen eensgezindheid bestaat, gaan de leraren bezwijken aan de druk die men zich kan indenken. Met het resultaat dat we kennen.

Wat tenslotte ook zwaar in de balans zal hebben doorgewogen, is de geldelijke aderlating bij de stakers. We kunnen betreuren dat het niet mogelijk bleek om “solidariteitsfondsen” op te zetten toen de inhoudingen op de wedden werkelijk pijn begonnen te doen… De stakingsbeweging had met dergelijke solidariteitsfondsen volgehouden kunnen worden.

Maar het vuur is aan het smeulen

De enige waardevolle uitkomst uit de crisis die het onderwijs doormaakt is van de school opnieuw in een maatschappelijke context te plaatsen. De school heeft rake klappen gekregen, net als de overige openbare diensten en het merendeel van de arbeiders in de privé. Altijd om dezelfde reden: altijd meer winst garanderen aan een minderheid van rijken.

Er is uit deze impasse maar één uitweg: de strijdbewegingen eenmaken. “Alleen op die manier kan het onderwijs daadwerkelijk geherfinancierd en rechtvaardiger worden.” Dat is wat een zeer actieve minderheid binnen de beweging van 1996 uitschreeuwde. Deze onderwijsmensen hebben niet opgehouden van actie te voeren: een groep onder hen hebben zich ingeschakeld in bewegingen als ATTAC of de OVDS, hebben hun stem verheven samen met de strijdende arbeiders van Clabecq, van Vilvoorde en Seraing, of hebben zich geëngageerd in het verzet tegen de gesloten centra voor vreemdelingen. Zij waren met velen in de straten van Brussel op vrijdag 28 oktober jongstleden, om deel te nemen aan de nationale en interprofessionele beweging ter verdediging van de eindeloopbaanstelsels. Zij laten de armen niet zakken! Moge de ervaring die in 1996 werd opgedaan de volgende beweging die op komst is, inspireren…