L.O., sport en gezondheid op school

Facebooktwittergoogle_plusmail

Van de 25 workshops die tijdens de “zes uren voor de democratische school” op 16 oktober 2004 gepland waren; is er één niet kunnen doorgaan. Voor de werkwinkel rond “Lichamelijke opvoeding, sport en gezondheid op school” waren er wel enkele voorinschrijvingen, maar op de dag zelf kwamen er geen deelnemers opdagen. Spijtig, want deze workshop was goed voorbereid door Katrien Verschaeve (licentiaat lichamelijke opvoeding aan het college in Menen) en twee animatoren van het sportcentrum “Fire Gym” (Jette) dat grotendeels op eigen krachten voor 1000 jongeren en minder jongeren een gevarieerd sportaanbod organiseert onder het motto “eerst de vriendschap, dan de competitie”.

Hieronder volgt de inleiding die Katrien voor deze workshop had voorbereid.

“De Oproep voor een democratische school (OVDS) wil de school veranderen om de wereld te veranderen. OVDS wil op korte termijn de school democratischer maken. Op vlak van de sport willen wij ons steentje hiertoe bijdragen.

1. Visie op het vak L.O.

Ik ben op 1 september mijn dertigste schooljaar gestart en ik vind het zinvol, voor mijn leerlingen en voor mezelf, om les te geven vanuit een bepaalde kijk. Deze visie is gegroeid door leservaringen, tijdschriften en boeken, jaarlijkse nascholingen en de leerplannen.
De kern van die visie is: L.O. beoogt de totale persoonsvorming.

Bewegingsopvoeding veronderstelt een globale aanpak van de jongeren met 2 grote doelengroepen:

  • inhoud- of bewegingsgebonden doelen: motorische competenties, fitte, gezonde en veilige levensstijl.
  • persoonsgebonden doelen: positief zelfbeeld, sociale vaardigheden. De persoonsgebonden doelen zijn het meest nieuwe, maar ook het allerbelangrijkste.

In elke les moeten beide doelengroepen aan bod komen en benaderd worden vanuit motorisch, cognitief en dynamisch – affectief standpunt. Bewegen vindt dus steeds plaats met het lichaam (kunnen), met het verstand (kennen), met het gevoel en vanuit een ingesteldheid (zijn). Leerlingen moeten leren nadenken over het bewegen tijdens het bewegen. Ze moeten steeds weten wat ze doen, waarom ze dit doen en waar het geleerde toe leidt. Ze moeten daarenboven een prestatie leveren in overeenstemming met hun mogelijkheden en vooruitgang leren boeken. De leerlingen moeten beseffen dat de les L.O. geen speelles is, maar dat ze samen al spelend veel kunnen leren.

Bij het aanleren, oefenen of verbeteren van motorische competenties hoort een gevarieerd aanbod. Individueel bewegen bij turnen, atletiek en zwemmen, moet afgewisseld worden met groepsactiviteiten zoals bal- en racketsporten. Een waaier van dansvormen is een must om het ritmisch bewegen aan bod te laten komen. De zorg voor het lichaam via conditietraining waar snelheid, lenigheid, kracht en uithouding worden geoefend moeten samen met rugschool waar de aandacht naar de houding gaat, aan bod komen.

Dit alles moet samengaan met opvoeden tot een fitte, gezonde en veilige levensstijl. Wij moeten onze leerlingen leren zorg dragen voor het (eigen) lichaam, gewoontes leren verwerven in verband met hygiëne en aanmoedigen tot sport buiten de lesuren, op school en/of elders, zowel tijdens het secundair onderwijs als tijdens hun latere leven. Want 2 keer 50 minuutjes bewegen per week staat in wanverhouding met de 30 zittende lessen. En thuis wordt er ook nog gezeten: achter het bureau, vóór de computer en vóór de TV! Ook informatie over gezonde voeding hoort bij opvoeden tot een fitte en gezonde levensstijl. Het is trouwens zo dat wij als leerkrachten L.O. moeten ingaan tegen heel wat maatschappelijke tendensen: junkfood en reclame ervoor, weinig beweging, moordend verkeer. De frisdrankautomaat op de speelplaats is dan ook een doorn in het oog voor velen onder ons. Maar die bezorgt de school wel een financieel extraatje…en geld is er op school altijd tekort.

Ontwikkelen van een positief en realistisch zelfbeeld tijdens de les L.O. Leerlingen met een positief zelfbeeld hebben meer zelfvertrouwen. Daarom zijn ze weerbaarder en minder beïnvloedbaar. Ze kunnen gemakkelijker initiatieven nemen, gericht kiezen en ingaan op uitdagingen. Ze herstellen vlotter als ze worden teleurgesteld door een bepaalde ervaring. Een evenwichtig zelfbeeld bevordert ook de relaties met de anderen. We mogen niet meer meemaken dat leerlingen door de lessen LO nu en/of later een afkeer krijgen van alles wat met bewegen te maken heeft. Ze mogen geen beeld van zichzelf krijgen waarin ze een klungel zijn die er niet veel van terecht brengt. De leeromgeving mag in geen geval bedreigend zijn voor de zelfwaardering. Elke leerkracht moet zorgen voor een klimaat met veel aanmoediging en positieve feedback. Een kalme, vriendelijke leerkracht die zorgt dat de leerlingen zich gerespecteerd voelen speelt een meer stimulerende rol dan een harde, negatief kritisch ingestelde leerkracht die de leerlingen psychologisch onder druk zet om prestaties te halen.

Sociale vaardigheden

L.O. biedt een krachtige leeromgeving voor het verwerven van sociale vaardigheden:

– werken met partners (lopen, dans, judo, turnen) en in teams doen appel op sociale vaardigheden zoals leiden, gehoorzamen, hulp geven/vragen, luisteren, standpunt toelichten.
– kunnen inschatten en waarderen van elkaar grenzen en inspanningen en respectvol omgaan met lichaam en persoonlijkheid van anderen
– de lessen L.O. bieden een functioneel kader voor het afspreken, installeren en opvolgen van spelregels
– ook leren communiceren en omgaan met elkaar kan in de L.O. geleerd worden.

Nog te vaak gaat de leerkracht er onterecht van uit dat leerlingen al kunnen samenwerken of afspreken met elkaar. Sociale vaardigheden moeten net zoals bewegingsvaardigheden geleerd en geoefend worden. Je moet er als leerkracht bewust aan werken en dat ook aan de leerlingen duidelijk maken in je opdrachten en evaluaties.

2. Van visie naar praktijk

In de praktijk is het af en toe nog zoeken. De aanpak verschilt van die in de andere vakken. Het duurt een tijdje vooraleer de leerlingen die manier van werken doorhebben maar ze appreciëren een dergelijke aanpak en gaan er voor!
Rem op ons lesgeven zijn de grote groepen leerlingen. Het vergt heel wat tijd en inspanning om elke jongere individueel te volgen en te begeleiden. Bovendien is het sportaanbod zo divers, dat het onmogelijk is de leerlingen op alle domeinen vooruit te brengen.

Ook procesevaluatie is een zware dobber.Wij moeten systematisch observeren en permanent evalueren. De beginsituatie vaststellen van een groep, van elke leerling is heel belangrijk. De evolutie is bvb relatief vlug vast te stellen bij zwemmen en uithoudingslopen. Bij balsporten duurt dat heel wat langer. Turnen en dansen liggen zowat tussenin.Wij moeten niet enkel de motorische competenties observeren en evalueren, maar ook het zelfstandig werken, de zorg voor elkaar en voor het materiaal, de evolutie van het zelfbeeld, de sociale relaties. Ook hier is werk aan de winkel! Het vak L.O. blijft dus in beweging, zowel wat de visie betreft, als de praktijk.

Aan elke leerling optimale individuele ontwikkelingskansen geven, lijkt mij primordiaal in het lesgebeuren. LO is dus niet gelijk aan sportinitiatie. LO is wel bewegingsonderwijs op maat. Zorg voor de individuele leerling betekent o.a.:

  • voorkomen dat leerlingen uitvallen op vlak van motorische competentie, fysieke fitheid, sociale relaties en zelfconcept
  • aandacht hebben voor de interesses en moeilijkheden van individuele leerlingen
  • uitlokken van betrokkenheid bij zowel zwak- als hoogbegaafde leerlingen
  • alle leerlingen kansen bieden op succeservaring
  • werken in kleine groepen zodat leerlingen samen leren, elkaar ondersteunen, zich veiliger voelen

Wij moeten dus voortdurend proberen alle leerlingen in beweging te krijgen. Dat houdt ook in dat iedereen respect heeft voor elkaar en ervoor zorgt dat iedereen aan zijn trekken komt. Ik vind het belangrijk dat de leerlingen elkaar helpen bij het leren/uitvoeren van een bepaalde vaardigheid. Ze moeten leren met elkaar overleggen, elkaar aanmoedigen en ondersteunen.

Wij hebben als taak te differentiëren op het vlak van leerinhouden en taken, maar de leerling moet actief bij dit differentiatieproces betrokken worden. Voorwaarden hiervoor zijn wel dat:

  • leerlingen zelfstandig kunnen werken
  • ze in verschillende groepen leren werken
  • aan de lesstof op verschillend niveau kunnen deelnemen
  • de leerlingen het verschil in niveau van elkaar leren accepteren

Deze voorwaarden zijn haalbaal als het leerklimaat veilig is.

Ik geef speciale aandacht aan de zwakkere leerlingen. We kennen ze allemaal. In elke klas één, soms verscheidene:

  • leerlingen met overgewicht krijgen hun eigen lichaam met moeite in beweging
  • leerlingen geplaagd door bewegingsarmoede, met zwak ontwikkelde fysieke basiseigenschappen
  • leerlingen met een zwakke coördinatie, die zelfs bij relatief eenvoudige bewegingen, vb touwtje springen, in de knoop geraken
  • leerlingen met een handicap of een medische voorgeschiedenis die sterk limiterend werkt op hun bewegingsmogelijkheden

Hoe gaan wij daarmee om? Hoe trachten wij hen maximale ontwikkelingskansen te bieden in de L.O.-les? Ik probeer bij elk nieuwe thema de jongeren te observeren en hun “niveau” te noteren. Het werken met niveaus lukt al aardig bij uithoudingslopen en zwemmen. Bij zwakke leerlingen is, gezien de lage begintoestand, de potentiële groeimarge betreffende motorische competenties het grootst. Een leerling die weinig aanleg heeft voor turnen kan nooit het niveau van een turntalent bereiken. Hij/zij kan wel succeservaringen opdoen en vorderen op eigen niveau. De leerling heeft een perspectief nodig: we moeten zoeken naar veilige, haalbare oefeningen, zonder te dwingen.

De leerkracht moet in een dergelijke visie en praktijk op L.O. systematisch observeren en permanent evalueren. De beginsituatie vaststellen van een groep, van elke leerling is heel belangrijk. Ook hier is de participatie van de leerlingen gewenst.

Je ziet het: het “prutsvak L.O.” vraagt heel wat tijd en energie zowel qua voorbereiding als qua lesgeven. Maar het blijft wel een boeiende job. Het zou natuurlijk allemaal nog wat gemakkelijker en vlotter kunnen verlopen. Daarover wil ik het hebben in mijn laatste deel.

3. Meer centen voor onderwijs en dus ook voor de sport

Als we willen verder werken vanuit deze visie, als we elke leerling goed willen volgen en begeleiden, zijn meer mensen en middelen nodig. Met kleine groepen en met voldoende accommodatie en materiaal kunnen wij schitterende dingen bereiken in ons vak.

De recente maatregelen van kersvers onderwijsminister Frank Vandenbroucke zijn dan ook een grote doorn in mijn oog. Vandenbroucke wil namelijk 23,5 miljoen euro besparen op onderwijs.Hij troost ons door te zeggen dat wij, leerkrachten, niet veel zullen merken van zijn besparingen omdat de helft ervan bestaat uit een verzameling van kleine initiatieven en projecten die zich vooral situeren binnen het departement onderwijs. Maar van die andere helft, daar lig ik wakker van en daartegen wil ik actie voeren.

Aanleunend bij onderwerp van deze studiedag, wil ik één van zijn maatregelen wat meer uitleggen: de bevriezing van het lestijdenpakket. Dit schooljaar hebben wij heel wat meer leerlingen op onze school. We moeten het echter doen met een lestijdenpakket gebaseerd op de leerlingenaantallen van 1 februari 2004. Klassen van 28, 29, 30 en meer leerlingen zijn een zware dobber. Wij staan ervoor…in de hoop dat we volgend jaar meer uren krijgen en dus de klassen kleiner kunnen maken …maar nu komt VDB af met zijn diepvriezer. Hij weet nu al dat er volgend schooljaar 6000 leerlingen meer zullen zijn in het Vlaams secundair onderwijs en dat daarvoor normaal 800 extra leerkrachten nodig zijn. Hij weigert daar echter geld voor uit te trekken. Er komt geen enkel uur bij.

De eis voor meer middelen en meer leerkrachten blijven we dus stellen. Onze regering moet meer geld besteden aan onderwijs op alle niveaus. Ook de sport wordt stiefmoederlijk behandeld. Het is cynisch dat de school soms niet kan zonder de inkomsten van een coca-cola-automaat om zich eens een extraatje (bvb. sportmateriaal) te kunnen veroorloven. Koekjes of pannenkoeken verkopen om de parascolaire activiteiten gratis te houden voor de leerlingen, gebeurt op onze school al 20 jaar. Spaghetti- en andere eetavonden om de prijs van de schoolreizen te drukken zijn een “gewoonte” geworden. Nochtans zou ons leerplichtonderwijs gratis moeten zijn.

Op vlak van de L.O.-lessen en sport wil ik volgende financiële problemen in de verf zetten:

– nieuwe en vernieuwde accommodatie
– meer materiaal: bvb 1 bal per leerling voor elke balsport, veel toestellen voor het turnen om in kleine groepen te kunnen werken
– meer personeel: klassen van 16 à 20 personen voor L.O. zou ideaal zijn vanuit het oogpunt van de veiligheid en om de leerlingen beter te kunnen begeleiden
– de sportdag, het zwemmen en andere sporten die buiten de school plaats vinden, bvb. fitness, zouden voor alle leerlingen van het basis – en secundair onderwijs gratis moeten zijn.

Daarnaast moet er meer geld komen voor parascolaire sport: interscolaire competities en niet-competitieve sportevenementen. Tot slot moet de overheid ook meer middelen ter beschikking stellen voor sportclubs en voor recreatiesport voor jongeren.

De mythe “daar is geen geld voor” wil ik graag ontkrachten.Als een van de rijkste landen van de wereld is het een schande dat er slechts 5 à 5,5 % (naargelang de bron) van onze rijkdom (BBP) naar onderwijs gaat, terwijl het OESO-gemiddelde 5,7% bedraagt en wij in België van 7 % komen in het begin van de jaren ‘80. Waarom zijn onze bewindslui maar zo matig geïnteresseerd in opvoeding en vorming van de toekomst van hun land? Alle jongeren verdienen gemotiveerd personeel, gezellige klassen, voldoende accommodatie en aangepast didactisch materiaal. Het is hoog tijd dat de politici deze eisen inwilligen. Wij zullen vanuit OVDS dan ook niet nalaten hier steeds op terug te komen.”