Waarheen leidt “Accent op talent”?

Facebooktwittergoogle_plusmail

In april organiseerde de Derde Wereldorganisatie “Bevrijde wereld” een weekend voor haar sympathisanten. Een van de drie ateliers handelde over “Onderwijs en globalisering”. Vertrekkend vanuit de situatie in de V.S.(met een film), waar het onderwijs sterk gecommercialiseerd is, schetste Rik Valcke enkele krachtlijnen in de evolutie van het onderwijs bij ons, meer bepaald aan de hand van ‘Accent op talent’ (Koning Boudewijnstichting). Hij vindt dat de waarschuwingen van Nico Hirtt en Gérard de Sélys in het boek ‘Tableau noir’ (Zwart bord. Tegen de privatisering van het onderwijs) zeer ernstig moeten genomen worden: het bedrijfsleven is het onderwijs in Europa aan het inpalmen.
Hieronder de krachtlijnen van zijn uiteenzetting.

1. Inleiding

Onderwijs maakte steeds deel uit van een ‘beschavingsproject’: opvoeden tot weerbare burgers, zelfontwikkeling, creativiteit, de wereld leren kennen…. Per definitie behoorde onderwijs tot de non-profit. (ook al was onderwijs meestal zeer elitair en diende het meestal bepaalde, voor al religieuze, belangen). Nu lijkt daar wijziging in te komen en dreigt onderwijs onderworpen te worden aan de winstlogica. De reportage zou dat op een bepaalde manier kunnen illustreren.

2. Video

Reportage over scholen in de Verenigde Staten.

3. Zwart bord. Tegen de privatisering van het onderwijs.

Boek van Gérard de Sélys en Nico Hirtt (EPO, 2003). Oorspronkelijke titel ‘Tableau noir’ (1998)
– De Europese onderwijspolitiek wordt bepaald door het bedrijfsleven (ERT, OESO, …).
De auteurs tonen zeer goed aan dat het onderwijsbeleid vooral gedicteerd wordt door ‘Europa’ en dat deze dictaten geïnspireerd zijn door de wensen van het bedrijfsleven. Dit betekent dat men wil dat het onderwijs aangepast wordt aan de wensen van het bedrijfsleven. Maar vooral dat een groot deel van het onderwijs moet geprivatiseerd worden. Onderwijs wordt dus een ‘product’ dat verkocht wordt aan ‘klanten’. En wie het meest geld heeft geniet dus van het beste onderwijs en krijgt later de beste kansen.
– Hun beeld over het onderwijs in de toekomst.
Volgens de auteurs zal men er blijven voor zorgen dat iedereen een goede basisvorming heeft. Dat is immers een noodzaak in een steeds complexere maatschappij. Iedereen moet over bepaalde basisvaardigheden beschikken om te kunnen functioneren (iedereen zal een gsm of een PC moeten kunnen bedienen). Voor deze basisvorming kan de overheid nog een rol spelen. Voor heel wat jobs zal deze basisvorming volstaan.
Meer onderwijs, kennis en vorming wordt dan een luxe, die niet meer voor iedereen bestemd moet zijn. Wie betaalt, zal daar ook toegang toe krijgen. Als iedereen daar toegang toe krijgt is dat geldverspilling en die supplementaire vorming is zeer lucratief voor de privé-onderwijsverstrekkers. Een bijkomend voordeel is dat dit soort onderwijs het individualisme bevordert.
Maar het leerproces kent ook geen eindpunt. De door een overheid erkende diploma’s zijn te stroef en verliezen betekenis. Het diploma wordt vervangen door een soort bankkaart die registreert welke kennis je via deze dure internetcursussen hebt opgedaan. Een werkgever die een goede boekhouder zoekt, is niet geïnteresseerd in een werknemer die ook goed geschiedenis kent bijvoorbeeld. Deze bankkaart wordt het belangrijkste instrument bij het zoeken naar werk (en zekerheid). En die bankkaart moet je jouw leven lang bij hebben en aanvullen.
– In hoeverre gaat het hier om science fiction? Evoluties op lange termijn?
Velen zullen zeggen: de video is ‘typisch Amerikaans’, het boek ‘Tableau noir’ (‘Zwart bord’) is science fiction, ‘het zal wel zo een vaart niet lopen’. Toch moeten we beseffen dat heel wat van die evoluties reeds ingezet zijn en dat de principes door officiële instanties, zoals de Europese Commissie, worden aangemoedigd. Zij moedigen de beleidsmakers in de lidstaten aan om dat in de praktijk te brengen.

4. ‘Accent op talent’ (studie van de Koning Boudewijnstichting)

De Koning Boudewijnstichting (KBS) heeft de opdracht gekregen van minister van Onderwijs Marleen Vanderpoorten om beleidsopties voor de toekomst van het onderwijs uit te stippelen. De studie, ‘Accent op talent’, formuleert meerdere doelstellingen die tegen 2010 moeten gerealiseerd zijn. 2010 is geen science fiction en moet ook niet beschouwd worden als ‘lange termijn’.
We moeten dus eens bekijken in welke zin ‘het’ onderwijs evolueert. Geen enkele officiële instantie wil toegeven dat onderwijs geprivatiseerd moet worden. Maar men verdedigt wel principes die op termijn de privatisering in de hand zullen werken. De twee grote kapstokken daarvoor zijn de ‘autonomie’ en de ‘flexibiliteit’

4.1. Autonomie

De KBS pleit voor schaalvergroting. Dit betekent dat er schoolgemeenschappen (SG) moeten gevormd worden. Maar deze SG zullen wel over veel macht beschikken. En dat klinkt doorgaans goed. Je kan beter inspelen op de lokale behoefte (dat betekent in feit de behoefte van de lokale economie), op de creativiteit van de beschikbare leerkrachten. Het juk van de centralisatie, de bureaucratie wordt afgeworpen. Leerkrachten, leerlingen en ouders worden niet meer belemmerd door centrale regelgeving. En dat klinkt niet eens zo slecht. Maar als we wat nader ingaan op deze lokale autonomie dan mogen we misschien wat kritischer zijn. Laten we eens kijken naar enkele principes van deze autonomie.

– Financiering door middel van enveloppen
Nu wordt het onderwijs betaald vanuit Brussel. De bedoeling is dat het onderwijs wordt gefinancierd via enveloppen, toegekend aan de scholengemeenschappen. Die omvatten ‘de huidige middelen voor personeel en werking’ (KBS). In elke scholengemeenschap kan men die middelen dus anders beheren, volgens de lokale behoefte. Ook dat klinkt goed maar daar zijn ernstige gevaren aan verbonden.
In feite komt het erop neer dat men op het lokale vlak zal moeten bepalen wat men doet met de ontoereikende middelen. Dit noemt men ‘responsabiliseren’. Het is de ideale manier voor de overheid om zijn handen af te houden van het onderwijs. Als er iets mis loopt, en er zal veel mis lopen, dan komt het door ‘de mensen ter plaatse’.
KBS: “De scholen mogen andere kanalen aanboren voor het verwerven van financiële middelen en mogen nieuwe diensten ontwikkelen.” Op het lokale vlak mag men het tekort aan middelen aanvullen met ‘eigen middelen’? Wat zal dat zijn? Een herfstfeest, sponsoring, of zelfs inschrijvingsgeld? En de nieuwe diensten: zijn dat bv. computerlessen, een autorijschool, een garage, het aanbieden van commerciële diensten, ….? Het is belangrijk daar zeer kritische vragen over te stellen! Hoe vrij is de school die zich laat sponsoren (zie video)? Zie ook universiteiten die geen vrij onderzoek meer kunnen doen? Is het gezond dat een school commerciële activiteiten onderneemt? Zullen de scholen in gelijke mate kunnen genieten van de bijkomende middelen? Uiteraard niet!

– Invullen van leerprogramma’s op lokaal vlak. Twee voorbeelden: Frans in het kleuteronderwijs, ‘de vrije ruimte in het SO
Frans in kleuteronderwijs mag maar men moet daar op het lokale niveau over beslissen. Het is twijfelachtig of scholen met veel anderstaligen daarop zullen inspelen. Zullen die kleuters dan niet vanaf hun eerste schooljaren de achterstand vergroot zien? Creëren we geen verschillende soorten scholen? Wordt die vrije ruimte geen ruimte die kan ingevuld worden door het lokale bedrijfsleven? ….

– Concurrentie en competitie: tussen leerlingen, leerkrachten en scholen. KBS: “De financiering wordt op termijn ook deels gebaseerd op gerealiseerde doelstellingen.”
Scholen zullen met elkaar in competitie gaan (opstellen van een ‘ranking’, zoals in Groot-Brittannië). Men streeft dus naar ‘goede’ en ‘slechte’ scholen. Scholen zullen volgens de KBS ook gefinancierd worden volgens ‘gerealiseerde doelstellingen’. In plaats van ‘goed onderwijs voor iedereen’ evolueren we dan naar een systeem met gewone scholen en betere scholen. Deze laatste zullen duidelijk scholen zijn met betere infrastructuur (dank zij sponsoring bv.) en de betere leerkrachten (zie personeelsbeleid). Het is duidelijk dat deze school ook zal bestemd zijn voor de beter gegoede leerlingen. Want in de harde strijd voor een job wil ieder ouder het beste voor zijn kind en is men bereid daar veel geld voor te betalen.

– Personeelsbeleid op lokaal niveau
Dit houdt in: differentiële verloning en verschillende taakinvulling. Leerkrachten worden dus ook tegenover elkaar in concurrentie geplaatst. En we evolueren ook naar de ‘slechte’ en de ‘goede’ leerkracht. De vraag kan ook gesteld worden welke plaats een kritische leerkracht binnen dat geheel krijgt.

Conclusie: de gevaren van de ‘lokale autonomie’
– De overheid ontvlucht haar verantwoordelijkheid: het individu en de markt krijgen de macht.
Het is nu reeds duidelijk dat de overheid steeds meer haar rol in het organiseren van onderwijs wil beperken. De bal wordt doorgespeeld naar het lokale niveau en de verantwoordelijkheid van het individu wordt groter. Het is ook duidelijk dat op dit niveau de (plaatselijke) industrie meer macht zal krijgen over het onderwijs.
– Onderwijs wordt steeds minder een hefboom tegen ongelijkheid maar zal die integendeel nog versterken.
Heel wat studies hebben reeds aangetoond dat onderwijs een instrument is tot sociale selectie (kort samengevat: hoe rijker jouw ouders zijn, hoe meer kans op slagen je hebt). Het is duidelijk dat de huidige evoluties dat fenomeen nog zullen verergeren. Iedereen zal wel een behoorlijke basisvorming krijgen (die nodig is om basisvaardigheden mee te geven aan toekomstige werknemers). Maar de betere opleidingen zullen slecht voor een beperkt deel van de bevolking toegankelijk zijn. (zie VS)
• Wat met ‘zorgverbreding’ – GOK? = pleister op een houten been.
Het beleid zal wel antwoorden dat er inspanningen gebeuren. Zoals de ‘zorgverbreding’ in het lager onderwijs waar veel leerkrachten ongetwijfeld nuttig werk leveren. Maar het blijft een doekje voor het bloeden, omdat de middelen niet toereikend zijn en omdat het niet geïntegreerd is in een totaal programma van armoedebestrijding. Ook de ‘gelijke onderwijskansen’ in het secundair onderwijs veranderen niks ten gronde: ze bieden wel aan iedereen gelijke toegang tot onderwijs maar vanaf dan wordt het individu weer geresponsabiliseerd en wordt er niet meer met gelijke wapens ‘gestreden’.
Je kan dus stellen dat de symptomen worden bestreden maar niet de armoede zelf.

4.2. Flexibiliteit
Als de term ‘flexibiliteit’ valt, wordt ze zelden in vraag gesteld. In de economie is de flexibiliteit nodig om onze concurrentiepositie te bewaren. Dat die flexibiliteit zeer zwaar de levenskwaliteit kan beïnvloeden (bv. schadelijk voor gezinsleven) en voor heel wat onzekerheid zorgt (hoe zeker ben ik van mijn job?) wordt er zelden bij verteld.
Als het over onderwijs gaat is men daar zeker niet kritisch over. Voor de leerkracht betekent het dat hij de saaiheid van zijn vlakke loopbaan en voor de leerlingen dat hij een boeiend en gevarieerd leven voor zich heeft. Hij zal ook veel kunnen reizen (zie Erasmus) en continu geconfronteerd worden met nieuwe uitdagingen.
Ik vrees dat de realiteit voor de meeste minder rooskleurig zal zijn en dat die flexibiliteit vooral de economie moet ten goede komen.

– “Levenslang leren”
“Levenslang leren” is een kernbegrip in het onderwijsbeleid van de toekomst. Het is niet zo dat je ‘er bent’ als je een diploma hebt behaald.
In feite is levenslang leren niet slecht en ook niet nieuw. Ook vroeger leerde men levenslang door nieuwe (beroeps)ervaringen, door contacten, reizen, door lectuur,…
Wel nieuw is dat men levenslang zal moeten leren in functie van de inzetbaarheid voor de economie. Dat zal meestel gebeuren via Internet (e-learning: privé cursussen) maar ook in het klassieke onderwijs zal men geen ‘vast omlijnde studieprogramma’s’ meer kennen. De KBS spreekt over ‘flexibele leertrajecten op maat van de leerling’. Men gaat er dan van uit dat die leerling geïnteresseerd is in een job en dat men in feite bedoelt ‘op maat van het bedrijfsleven’.

– KBS: “Het onderwijs wordt modulair georganiseerd” of de ontwaarding van het diploma.
Hierboven werd reeds aangegeven dat ‘een diploma behalen’ geen garantie meer biedt om een leven lang safe te zijn. Trouwens een diploma wordt door de overheid erkend en hierboven zagen we reeds dat het devies is ‘hoe minder overheid, hoe beter’.
Het basisprincipe is: ‘je moet kennen datgene waarvoor ik jou nodig heb. Ik heb een lasser nodig en dus moet je kunnen lassen volgens de laatste technieken’ . Als men dan geen lasser meer nodig heeft zal de betrokken persoon maar iets anders moeten leren, levenslang. Vandaar dat de KBS pleit voor een ‘modulair’ onderwijs. Je zal dus geen algemeen diploma meer hoeven te halen maar men zal bepalen wat het noodzakelijke is dat je moet kennen binnen een bepaalde richting. Het spreekt volgens de KBS vanzelf dat ‘startkwalificaties en competentieprofielen worden uitgewerkt met het arbeidsveld’. Dat betekent noch min noch meer dat het lokale bedrijfsleven zal bepalen wat de leerling moet kennen.
Voor richtingen die doorstromen naar het hoger onderwijs moet dat afgesproken worden met de hogescholen en universiteiten. Maar het is ook duidelijk dat die reeds lang afgestemd zijn op het bedrijfsleven, zij het niet lokaal.
Binnen deze context moeten we zeker de volgende bedenkingen maken. Wat zal het belang nog zijn van vakken die niet meteen nuttig zijn op de werkvloer? Geschiedenis, filosofie, zedenleer, godsdienst, … . Die vakken kunnen integendeel het negatieve effect hebben dat ze mensen kritisch doen nadenken over hun situatie en die van anderen.

– ICT
Een zeer belangrijk instrument in dit nieuwe onderwijsbeleid is de computer en dat is ongeveer het enige waar de laatste jaren veel werd in geïnvesteerd. Niet dat de computer slecht is. Voor heel wat vakken kan het een nuttig pedagogisch instrument zijn. En het valt ook niet te betwijfelen dat onze blik op de wereld via de computer kan verruimd worden.
Er valt wel te vrezen dat men andere doelstellingen voor ogen heeft als men het gebruik van ICT in het onderwijs wil bevorderen.
In ongeveer elke job, zelfs de laagst gekwalificeerde, zal men een computer moeten gebruiken. Het is dus belangrijk dat jongeren vanaf hun prilste jeugd met deze ‘vaardigheid’ worden geconfronteerd.
De computer zal de belangrijkste leerkracht worden bij het ‘levenslang leren’. Als je daar echte leerkrachten voor moet inschakelen dan zijn die zeer duur en bovendien kunnen ze nog kritisch zijn.
Thuiswerk is een van de werkvormen voor de toekomst en de computer zal daar een belangrijke rol bij spelen. Thuiswerk heeft ook het voordeel dat bij de mensen geen solidariteitsgevoel op de werkvloer ontstaat.

– Kennisoverdracht versus vaardigheden
In alle vakken gaat men steeds meer de klemtoon leggen op vaardigheden. Het belang van ‘kennisoverdracht’ wordt geminimaliseerd. Ook hier is er niks op tegen dat vaardigheden worden aangeleerd (voor taal bv.). Maar ook hier moeten we ons de vraag stellen of die vaardigheden niet alleen ten dienste staan de ‘bruikbaarheid voor de economie’. Kennis blijft belangrijk, ook al is ze niet direct ‘nuttig’: kennis van de literatuur, kennis van de sociale geschiedenis, kennis van de wereld, …

– Vakoverschrijdende eindtermen: zin voor ondernemerschap.
Vanuit de overheid wordt geaccentueerd dat onderwijs meer is dan kennisoverdracht. En men wijst er op dat onderwijs ook voor milieu, burgerzin, tolerantie, samenwerking, gezonde voeding, … moet aandacht hebben. Positief uiteraard.
Maar hoe ernstig moet je dat nemen? Diezelfde overheid neemt geen enkel initiatief om bv. reclame voor ongezonde voeding te beperken of te verbieden (zie video), diezelfde overheid wijst iedere dag vreemdelingen uit (tolerantie?), diezelfde overheid slaagt er niet in om drastische maatregelen te nemen tegen serieuze milieuproblemen (maar de leerlingen moeten hun blikje goed sorteren), … .
Misschien is de echte vakoverschrijdende eindterm wel ‘zin voor ondernemerschap’. De Europese commissie beklemtoont: “De conclusies van de top van Lissabon onderstrepen de noodzaak de ondernemersgeest in de Europese samenleving te versterken … . (Maar) de boodschappen die men aan kinderen meegeeft spreken meestal niet over de ondernemersgeest en moedigt ze nog minder aan om de oprichting van hun eigen bedrif te zien als een alternatief voor het statuut van de werknemer bij een derde… . De scholen en de vormingsinstellingen zouden dit element in hun programma’s moeten opnemen.” Samenspraak en tolerantie zijn alleen maar nuttig als ze niet nadelig zijn voor ‘het systeem’ . Het ‘elk voor zich’ systeem blijft primordiaal.

– Flexibele arbeidsvoorwaarden
Leerkrachten zullen flexibel inzetbaar moeten zijn, liefst zonder statuut. Misschien wordt de leerkracht ook nog een ondernemer die betaald wordt met een soort dienstencheque. En ze zullen ook hun leerlingen moeten aanzetten tot zoveel mogelijk flexibiliteit.

5. Conclusie

– Deze uiteenzetting is geen voorspelling van de toekomst. Maar ze wijst toch op bepaalde tendensen. Deze zijn er.
– Kunnen we die tendensen tegen houden? Niet vanuit onderwijs alleen. Probleem is veel ruimer.