Programma voor het leerplichtonderwijs

Facebooktwittergoogle_plusmail

Deze discussietekst werd als basis gebruikt voor een denkdag van Ovds in juni 2004. Het is geen officieel standpunt van Ovds. Dit “programma voor het leerplichtonderwijs” is een bijlage bij De school veranderen om de wereld te veranderen. Voor een goed begrip leest men beide teksten best samen.

De strijd tegen schoolse mislukkingen en tegen sociale selectie

1. De school en de leerkrachten hebben als missie alle leerlingen te doen slagen, hen allen toegang te bieden tot de kennis en de vaardigheden die door de leerprogramma’s zijn vastgelegd. Men moet de leerproblemen remediëren zodra ze opduiken en niet als het te laat is. De sanctionering die volgt op het mislukken moet vervangen worden door maatregelen inzake inhaallessen en remediëring. Deze maatregelen moeten niet alleen op het einde maar ook en vooral tijdens het schooljaar worden genomen.

2. Collectieve inhaallessen en individuele lessen (voor de leerlingen met grote schoolproblemen) worden tijdens het schooljaar voorzien voor alle vakken. Ze worden buiten de gewone lesuren en/of lesdagen georganiseerd. De klasraad beslist wie dergelijke lessen kan of moet volgen.

3. Inhaallessen worden eveneens tijdens de zomervakantie ingericht. Zij vervangen de herkansingsexamens (waar die nog bestaan). De klasraad kan beslissen dat deze inhaallessen verplicht zijn.

4. De leerling moet leren persoonlijk te werken en zijn werk te organiseren. Een systeem van begeleide studie na de lesuren wordt opgezet in alle scholen, in het bijzonder in het lager onderwijs. De leerlingen hebben er de mogelijkheid om hun persoonlijk werk te verrichten met de hulp van de nodige infrastructuur: bibliotheek, computers, enz.

5. Een leerling die, ondanks deze hulp, niet de nodige inspanningen levert of er niet toe komt het vereiste niveau te halen wordt ofwel naar het Bijzonder Onderwijs verwezen, ofwel in een klas met jongere leerlingen geplaatst. Deze beslissing komt toe aan de ouders, na advies van de klasraad en het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB). Deze maatregel wordt enkel in uitzonderlijke gevallen genomen.

6. Als een school gedurende meerdere jaren een abnormaal hoog aantal leerlingen telt die mislukken (bv. meer dan 2%), moet de onderwijsinspectie, samen met het team van leraren en opvoeders, de oorzaken en de middelen tot remediëring analyseren. De inspectie kan eventueel, als ze het nodig acht, aan deze school bijkomende middelen toekennen die dan gepaard gaan met een resultaatsverbintenis en een regelmatige pedagogische controle. Als de inspectie oordeelt dat de situatie het resultaat is van sociale concentratie, kan ze een wijziging van de “prioritaire recruteringszones” (zie verder) voorstellen.

7. Als een leerkracht systematisch slechtere resultaten behaalt dan de collega’s op school, heeft de directie de plicht tussen te komen en een oplossing te zoeken, eventueel met de hulp van de onderwijsinspectie.

Een einde stellen aan de deregulering en aan de dualiserende differentiëring van de inhoud

8. De objectieven (zowel de cognitieve als de vaardigheden) in de leerprogramma’s moeten strikt bepaald worden. Men moet een einde stellen aan de deregulering die voortvloeit uit de huidige aanpak via “competenties”.

9. De leerprogramma’s moeten voor alle onderwijsnetten dezelfde zijn zodat leerlingen die van school veranderen niet in de problemen komen.

10. Referentieschoolboeken, gebaseerd op de officiële programma’s, worden aan de leraars ter beschikking gesteld. Officiële websites zorgen per vak en per onderdeel van het programma voor een volledig en gediversifieerd aanbod aan didactisch materiaal: referentiedocumenten, persartikels, gegevensbanken, beeldmateriaal en videos, simulaties, enz.

11. Er is een enkele dienst voor inspectie en pedagogische begeleiding voor alle netten. Die moet voldoende uitgerust zijn om een reële begeleiding van elke instelling en elke leerkracht te garanderen.

12. Het principe van deze begeleiding is strikt te zijn over de cognitieve doelstellingen en de vereiste vaardigheden. Maar wat de didactische methode betreft moet ze een grote autonomie laten aan de individuele leerkracht.

13. Er worden standaardproeven voorzien om de verworvenheden van de leerlingen betreffende elk punt van het programma te evalueren. Ze dienen als basis om de remediëring, zoals ze hierboven beschreven is, op punt te zetten. Ze zorgen er ook voor dat de leerkrachten van de verschillende scholen of niveaus op dezelfde golflengte zitten als het over de interpretatie van de vereisten van het programma gaat.

De impact van de Belgische schoolmarkt beperken.

14. Voor elke school legt men een “prioritaire rekruteringszone” vast, die rekening houdt met geografische, demografische en sociale criteria en met het aanbod van het openbaar vervoer. Kinderen die in een gegeven zone gedomicilieerd zijn hebben voorrang bij de inschrijving in de scholen van die zone.

15. Na het lager onderwijs wordt, op basis van de netkeuze van de ouders, een secundaire school voorgesteld aan het kind. Op vraag van de ouders, ten minste als die ingediend wordt vóór 15 juli, kan de keuze van de school gewijzigd worden.

16. Tijdens de opleiding aan de basisschool of de secundaire school, moet elke vraag tot verandering van school eveneens ingediend worden voor 15 juli. Het aanvaarden van zo een vraag is echter altijd onderworpen aan de prioriteitsregels van de rekruteringszone. Indien het dat noodzakelijk acht mag het educatieve team van de oude school de vraag van de ouders ondersteunen en argumenteren. Na de prioriteit van de zone, zal steeds voorrang gegeven worden aan de meest gerechtvaardigde aanvragen.

17. In het officieel onderwijs zal slechts één net blijven bestaan, met een verdeling van de bevoegdheden tussen de Gemeenschap (programma’s, inspectie, benoemingen, aanwervingen, …), de provincie (investeringen, grote infrastructuurwerken) en de gemeente (gebouwen, sportinfrastructuur, deelname aan het lokale culturele en verenigingsleven, enz.). Er zullen transferten van middelen georganiseerd worden van de rijkere gemeenten en provincies naar de armere.

18. De scholen van het vrije net die dit wensen kunnen zich omvormen tot een officiële school. Dit veronderstelt het opgeven van elke religieuze verwijzing en een akkoord over de modaliteiten van de overdracht van de schoolgebouwen.

Onderwijsinhoud en onderwijsvormen

19. Om de overgang van het basisonderwijs naar het secundair minder bruusk te maken krijgen de leerlingen van het zesde leerjaar reeds enkele uren les van leerkrachten van de eerste graad van het secundair.

20. De eerste drie jaren van het secundair onderwijs (cyclus I, tot 15 jaar) zijn volledig gemeenschappelijk. Tijdens de twee daarop volgende jaren (cyclus II) krijgen de leerlingen ongeveer 70% gemeenschappelijke vorming en 30 % keuzevakken. Het zesde jaar secundair is ofwel een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs ofwel het eerste jaar van een kwalificatieopleiding waarvan de duur afhangt van het soort kwalificatie.

21. Het aantal keuzevakken in Cyclus II moet beperkt blijven. Het gaat er nog niet om een beroepsspecialisatie te volgen maar om de leerling toe te laten een of meerdere disciplines uit te diepen: wiskunde, moderne of oude talen, menswetenschappen, exacte wetenschappen, …

22. Voor hen die het onderwijs verlaten zonder diploma (op de leeftijd van 18 jaar of ouder) zal men een vorm van beroepsopleiding voorzien direct verbonden met het werk (vakopleiding in het bedrijf of alternerend leren).

23. De leerlingen leggen op het einde van het schooljaar dat voorbereidt op het hoger onderwijs, een algemene proef én een specifieke proef betreffende hun studiekeuze in het hoger onderwijs af. De resultaten van deze proeven zijn niet sanctionerend maar ze laten de student toe zich te situeren en te oordelen over de haalbaarheid van zijn of haar studiekeuze. De resultaten worden evenwel doorgegeven aan de instelling voor het hoger onderwijs. Desgevallend zal die instelling inhaalcursussen aanraden of verplichten.

24. Ook wordt een bijkomend voorbereidend jaar tot het hoger onderwijs ingericht, hetzij in de secundaire scholen hetzij in de instellingen van het hoger onderwijs. Ze zullen modulaire vormingen aanbieden aan die leerlingen die zich, gezien hun resultaten bij de eindproeven, nog niet in staat achten het hoger onderwijs van hun keuze aan te vangen. Ze zullen ook dienen als springplank voor de leerlingen die, na een kwalificatie gevolgd te hebben, een hogere opleiding wensen te proberen.

25. Het leerplichtonderwiis is algemeen vormend én polytechnisch. Op hun achttiende zullen alle leerlingen een basisopleiding gekregen hebben op het gebied van : wetenschappen (fysica- chemie/ natuurwetenschappen, fysische aardrijkskunde), wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde van de mens en economie, plastische kunsten, muziek, moedertaal, literatuur, filosofie, lichamelijke opvoeding, vreemde talen, technologieën betreffende de huishouding, de industrie, de administratie en de landbouw.

Leven en werken op school

26. In alle netten worden de schoolhoofden verkozen door de leerkrachten. Ze kunnen ook afgezet worden door de leerkrachten. De kandidatuurstelling is openbaar en toegankelijk voor alle personen die het vereiste diploma en de vereiste ervaring hebben.

27. De leerlingen worden, in gradaties volgens leeftijd, betrokken bij dagelijks beheer van de school (de discipline, het opstellen van reglementen, het culturele leven, het verenigingsleven, de politiek op school, de praktische organisatie van de collectieve taken); hiertoe wordt de nodige tijd voorzien, maar niet ten koste van de tijd voor onderricht.

28. In elke instelling wordt een tuchtraad opgericht. Hij is samengesteld uit leerkrachten, opvoeders en leerlingen (in het secundair) of ouders (in de basisschool). Enkel deze raad mag beslissen tot zware disciplinaire sancties zoals het tijdelijk verbod om de lessen te volgen of het wegsturen van school. Over het algemeen zal men de voorkeur geven aan sancties van het type “werken van openbaar nut”.

29. De wekelijkse werkdruk van de leerkrachten wordt verlicht. Zo worden ze in staat gesteld de leerlingen in moeilijkheden te remediëren en deel te nemen aan het schoolleven.

Omkadering en financiering

30. Het aantal leerlingen per klas moet aangepast worden aan de pedagogische noden : 15 leerlingen per klas in de eerste drie jaren van de basisschool en in de kleuterklassen, 20 per klas op het einde van de basisschool en in de eerste cyclus van het secundair, maximum 25 per klas op het einde van het secundair onderwijs.

31. Een bijkomende omkadering moet voorzien worden voor het structureren van de bijwerk- en inhaallessen.

32. Het onderwijs moet gratis zijn: de scholen moeten beschikken over een voldoend budget om, zonder beroep te doen op de ouders, de buitenschoolse activiteiten te bekostigen.

33. De leerboeken en andere kostelijke schoolbenodigdheden moeten gratis ter beschikking gesteld worden van de leerlingen (eventueel mits een waarborg).

34. Bijkomende middelen moeten geïnvesteerd worden in de permanente vorming van de leerkrachten. De bijscholing mag evenwel niet gebeuren ten koste van lessen voor leerlingen. Men moet dus voorzien in vervanging voor de leerkrachten die bijgeschoold worden en deze bijscholing zo organiseren dat vervanging mogelijk is.

35. Dit alles zal betekenen dat het onderwijsbudget moet verhoogd worden tot minstens 7% van het Bruto Binnenlands Product.

Nico Hirtt est physicien de formation et a fait carrière comme professeur de mathématique et de physique. En 1995, il fut l'un des fondateurs de l'Aped, il a aussi été rédacteur en chef de la revue trimestrielle L'école démocratique. Il est actuellement chargé d'étude pour l'Aped. Il est l'auteur de nombreux articles et ouvrages sur l'école.