PISA 2025: de ongelijkheid neemt toe

De recente publicatie van de resultaten van PISA 2025 lokte in ons land gemengde reacties uit. In ons Vlaams en Franstalig onderwijs, net als in vrijwel alle OESO-landen, daalden de gemiddelde prestaties van de leerlingen andermaal, zowel voor leesvaardigheid als wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid. De algemene daling in PISA 2022 kon nog worden toegeschreven aan covid 19 – toch minstens gedeeltelijk. De nieuwe daling komt des te harder aan, zeker in het Vlaams onderwijs.

Het officieel internationaal rapport van PISA 2025 en de specifieke rapporten voor het Vlaams onderwijs en het Franstalig onderwijs bevatten echter ook hoopgevende signalen. De sociale kloof – het verschil tussen de prestaties naargelang de sociale afkomst – bleek overal significant gedaald te zijn. In Franstalig België zagen sommigen in de verminderde kloof de eerste tekenen dat het Pacte pour un Enseignement d’Excellence (een grondige hervorming van het basis- en het secundair onderwijs) en de inschrijvingdecreten (toewijzing van leerlingen aan scholen) misschien wel een positieve rol speelden.

Helaas blijkt dat de daling van de sociale kloof berust op een wijziging in de berekeningsmethode tussen PISA 2022 en PISA 2025. Het technisch rapport van PISA 2025 waarschuwde er voor dat een vergelijking op het vlak van de sociale ongelijkheid tussen PISA 2022 en PISA 2025 om die reden tot een vertekening (bias) van de realiteit zou leiden.

Een woord uitleg.

Het PISA-onderzoek evalueert om de drie jaar de vaardigheden van een representatieve steekproef van 15-jarigen op het gebied van leesvaardigheid, wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid. Dit onderzoek wordt uitgevoerd in de lidstaten van de OESO en in verschillende partnerlanden. De PISA-database bevat voor elke leerling, naast zijn of haar resultaten op die drie domeinen, ook indicatoren voor hun sociale positie: het hoogste diploma en het beroep van de ouders, de migratiestatus, de gesproken thuistaal en variabelen die verband houden met de gezinssituatie, zoals huisvesting of culturele hulpbronnen, bv. de beschikbare boeken. Die elementen maken het mogelijk een index van sociaal-economische status te construeren, de zogenaamde ESCS (educational, social and cultural scale). Via de ESCS kan men de invloed van de sociale achtergrond op schoolprestaties analyseren en, bij uitbreiding, de mate van sociale gelijkheid van de onderwijssystemen beoordelen.

Onverwachte daling van de ongelijkheden…

Er bestaan meerdere methoden om deze (on)gelijkheid te kwantificeren. Het is bijvoorbeeld gebruikelijk om op basis van de ESCS-index de gemiddelde prestaties van de 25 % meest bevoorrechte leerlingen te vergelijken met die van de 25 % meest achtergestelde leerlingen. Het is deze kloof die zowel in het officiële PISA 2025-rapport als in de twee Belgische rapporten wordt aangehaald om een sterke afname van de sociale ongelijkheid in het onderwijs te illustreren, in het geheel van de OESO en in ons Vlaams en Franstalig onderwijs.

Het optimisme leek op zijn plaats: in vrijwel alle landen leek de aldus gemeten sociale ongelijkheid in prestaties verminderd te zijn, meestal als gevolg van een daling van de scores van de meest „bevoorrechte” leerlingen, maar ook – met name in België – van een aanzienlijke stijging van de resultaten van de meest „achtergestelde” leerlingen. Zo steeg tussen 2022 en 2025 de score voor wetenschappen van de leerlingen uit het meest achtergestelde kwartiel met 5 punten voor de hele OESO, terwijl die van het meest bevoorrechte kwartiel met 8 punten daalde. Met andere woorden: de ongelijkheid nam met 13 punten af. Voor België zou deze daling zelfs 22 punten bedragen.

Sommige onderzoekers spraken echter hun verbazing uit over dergelijke uitgesproken en veralgemeende verschillen. De afname van de ongelijkheid tussen „bevoorrechte“ en „achtergestelde“ leerlingen was des te verrassender omdat de verschillen tussen de best presterende en de slechtst presterende leerlingen zijn blijven toenemen, zoals uit grafiek 1 blijkt. [1]

Grafiek 1. Evolutie van de verschillen (in punten) tussen de 25% best en de 25% slechtst presterende leerlingen voor de drie domeinen van PISA.

Wanneer de OESO haar eigen aanbevelingen niet naleeft

Onderzoekers van het Spaanse onderzoeksbureau Innovamat Research Lab brachten de waarheid aan het licht. [2] Zij analyseerden het technisch rapport van PISA 2025. Daaruit blijkt dat de berekeningswijze van de ESCS-index sterk is gewijzigd ten opzichte van eerdere edities. De variabele HOMEPOS, die de indicatoren voor materiële bezittingen omvat, is ingrijpend herzien. De categorieën met betrekking tot de soorten boeken die ouders hebben, zijn geschrapt, terwijl er nieuwe elementen zijn geïntroduceerd, o.m. of er een zwembad is, of er huishoudelijk personeel in dienst is.

De OESO verduidelijkt in haar technisch document: “Anders dan in voorgaande cycli wordt de ESCS die voor PISA 2025 wordt berekend, niet behandeld als een trendschaal. Deze beslissing is het gevolg van ingrijpende wijzigingen in de vragenlijst voor leerlingen, met name de gegevens over het opleidingsniveau van de ouders, hun beroep en de materiële bezittingen van het huishouden.”

Een “trendschaal“ is een instrument dat is ontworpen om ontwikkelingen te volgen en relevante vergelijkingen tussen verschillende cycli mogelijk te maken. Door te vermelden dat de ESCS-index 2025 “niet als een trendschaal wordt behandeld“, waarschuwt het technische rapport expliciet dat het onmogelijk is om deze te vergelijken met de indices van eerdere cycli. Dit is de waarschuwing die, volgens de Spaanse onderzoekers, in het hoofdrapport zou zijn veronachtzaamd door vergelijkingen tussen 2022 en 2025 te publiceren. De OESO legt in haar technisch rapport uit waarom een vergelijking tussen PISA 2025 en voorgaande edities niet mogelijk is maar stelt deze vergelijking voor als geldig in het officiële hoofdrapport.

Na correctie is de ongelijkheid toegenomen

De onderzoekers van het onderzoeksbureau Innovamat hebben hun analyse verder uitgediept. Om de werkelijke ontwikkeling van de sociale ongelijkheid op school in kaart te brengen, hebben zij een nieuwe ESCS-index samengesteld waarin alleen componenten zijn opgenomen die zowel in PISA 2025 als in eerdere edities voorkomen. Vervolgens hebben zij het verschil in gemiddelde prestaties tussen leerlingen van het hoogste en het laagste kwartiel opnieuw berekend. In tabel 1 vind je de resultaten (voor wiskunde) voor het geheel van de OESO-landen en voor enkele landen.

Tabel 1

Evolutie tussen PISA 2022 en PISA 2025 van de kloof (in punten) voor wiskunde tussen het hoogste en laagste (socio-economisch) kwartiel

Officieel rapport PISA 2025 Gecorrrigeerde berekening
OESO -11,2 1,6
België -19,7 -8,1
Frankrijk -18,0 -4,6
Nederland -4,3 -1,7
Zweden -19,2 -1,3
USA -9,0 6,0
Spanje -13,7 0,2

 

Na correctie van de indicatoren om een valide vergelijking mogelijk te maken blijkt het verschil in prestaties tussen het hoogste en laagste (socio-economisch) kwartiel voor het geheel van de OESO-landen niet verminderd te zijn met 11,2 punten maar vermeerderd met 1,6 punten. Ook voor leesvaardigheid en wetenschappelijke geletterdheid is er voor het geheel van de OESO geen vermindering maar een verhoging van de sociale kloof (berekend volgens het verschil tussen het hoogste en laagste kwartiel).

Wat België betreft moet de daling met 19,7 punten in de kloof tussen “de meest bevoorrechte” en “de minst bevoorrechte” leerlingen (hoogste en laagste socio-economisch kwartiel) worden bijgesteld naar een daling met 8,1 punten. Deze daling is nog altijd signicatief. Er moet echter worden opgemerkt dat de sociale prestatieverschillen in België zowel het gevolg zijn van verschillen binnen de gemeenschappen (binnen het Vlaamse en het Franstalige onderwijssysteem) als tussen de gemeenschappen (tussen het meer welvarende Vlaanderen en de minder welvarende Federatie Wallonië-Bruxelles). De daling van de interkwartielafstand met 8,1 punten zou dus gedeeltelijk te verklaren zijn door de grotere daling van de gemiddelde PISA-scores in het Vlaams onderwijs in vergelijking met de daling in het Franstalig onderwijs. De Spaanse onderzoekers hebben de evolutie binnen onze twee gemeenschappen echter niet apart onderzocht. Misschien kunnen Belgische onderzoekers zich aan die taak wijden …

De Spaanse onderzoekers merken ook op dat, als men de sociale afkomst uitsluitend meet aan de hand van de PARED-variabele – dat wil zeggen het opleidingsniveau van de ouders -, de ongelijkheid tussen de PISA-edities van 2022 en 2025 sterk toeneemt, voornamelijk ten nadele van de minst bevoorrechte leerlingen: de score van het onderste kwartiel daalt met 11 punten, terwijl het bovenste kwartiel 2 punten wint.

De daling van het niveau is gelijkmatig verdeeld over alle sociale klassen

Grafiek 2 toont voor de gehele OESO de ontwikkeling van de wiskundescore tussen 2022 en 2025, per sociaal-economisch deciel (D1 = de 10 % meest achtergestelde, D10 = de 10 % meest welgestelde). De blauwe curve komt overeen met de officiële gegevens van de OESO, terwijl de rode curve de correctie weergeeft die door de Spaanse onderzoekers wordt voorgesteld. Terwijl de officiële resultaten wijzen op een gematigde daling voor de eerste acht decielen en een duidelijk sterkere daling voor de meest welgestelden, suggereert de correctie een relatief gelijkmatige verslechtering van de prestaties in alle sociale categorieën.

Grafiek 2. Evolutie van de wiskundescore in de periode 2022-2025, per sociaal-economisch deciel. Volgens de door de OESO gepubliceerde gegevens (in blauw). Volgens de correcties van het bureau Innovamat (in rood).

De resultaten van de Spaanse onderzoekers moeten echter met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Door de componenten van de ESCS-index te beperken tot uitsluitend de elementen die zowel in de edities van 2022 als 2025 voorkomen, verminderen zij de rijke informatie ervan aanzienlijk, en daarmee ook de validiteit.

Het is hier niet de bedoeling om de intrinsieke kwaliteit van de nieuwe, door de OESO ontwikkelde ESCS-index in twijfel te trekken. Deze is waarschijnlijk iets representatiever dan zijn voorganger wat betreft financieel kapitaal en iets minder wat betreft cultureel kapitaal. Deze wijziging maakt echter een vergelijking in de tijd ongeldig. Het is op zijn zachtst gezegd verrassend dat de OESO dergelijke vergelijkingen publiceert, terwijl haar eigen technisch rapport de ongeldigheid ervan benadrukt.

Hoe staat België er voor op het vlak van ongelijkheid in het onderwijs?

Bij eerdere edities van PISA hebben wij met Ovds analyses gepubliceerd die waren gebaseerd op een originele statistische verwerking van de PISA-database. Het verschil tussen de prestaties van de uiterste kwartielen is immers niet de meest relevante indicator voor gelijkheid. Deze indicator houdt enkel rekening met de twee uiterste kwartielen, waardoor de 50 % van de leerlingen in het midden van de sociale hiërarchie buiten beschouwing blijft. Bovendien geeft deze indicator enkel de gemiddelde trend weer van de relatie tussen sociale afkomst en resultaten, zonder de intensiteit van dit verband te specificeren: gaat het om een uitgesproken determinisme of om een meer soepele relatie?

Wij gebruiken hier een index die is ontwikkeld door de sociaal-economische prestatiegradiënt (de helling β van een lineaire regressie tussen de PISA-score en de ESCS-index) te combineren met het aandeel van de variantie dat wordt verklaard door de sociale afkomst (de determinatiecoëfficiënt r² van deze regressie). [3]

Zoals verwacht, gezien de hierboven uiteengezette elementen, leidt het herhalen van deze berekening voor PISA 2025 tot resultaten die duidelijk verschillen van die van 2022. Grafiek 3 toont deze resultaten voor 29 Europese landen. [4]

Grafiek 3. Rangschikking van de landen volgens onze eigen index van sociale onderwijsongelijkheid.

In 2022 stond België volgens onze index op de vijfde plaats van de landen met de grootste ongelijkheid in Europa. In 2025 plaatst dezelfde berekening, maar dan met de nieuwe ESCS-index, ons land op de zevende plaats van de 29. Het is mogelijk dat deze ontwikkeling geen verbetering van onze situatie weerspiegelt, maar veeleer een aanzienlijke verslechtering van die van landen als Duitsland en Nederland.

Kortom, er is vooralsnog geen reden om te juichen of om overhaaste conclusies te trekken over de vermeende gunstige effecten van deze of gene overheidsmaatregel.

Nico Hirtt

  1. PISA 2025 Results (Volume I), OECD 2026, p. 57 ↑
  2. Cobreros L. et al., Explaining the learning decline in PISA 2025 by socioeconomic quartiles through methodological changes, Working paper – Revised, 24 september 2026. https://www.innovamat.com/wp-content/uploads/2026/09/PISA2025_WP.pdf ↑
  3. Concreet werd de index berekend met de formule: log(β.r²) ↑
  4. Luxemburg is niet vermeld omdat we dit land in onze PISA 2022-studie hadden weggelaten. In 2025 staat het aan de top van de minst sociaal gelijke systemen. ↑