We zaten in de leraarskamer even op adem te komen met een tas koffie, terwijl alweer een artikel over onderwijs rondging. Eén op vier leerkrachten balanceert op het randje van een burn‑out. Eén op zes denkt er ernstig over het onderwijs te verlaten. (1). Bij wijze van cynische grap begonnen we te tellen. We waren met zes. Wie zou de volgende zijn? Niemand stak zijn hand op. Een stilte die meer zei dan woorden.
Die cijfers zijn geen abstracte statistiek. Ze krijgen een gezicht in verhalen zoals die van De Balder. (2) Daar volgde een cameraploeg een Brusselse lagere school waar burn‑outs en ziekteverzuim elkaar sneller opvolgden dan de belsignalen. De school hield het niet meer bij en kinderen stapelden leerachterstanden op. Een vicieuze cirkel die daar al langer vierkant draaide. De pedagogische begeleiding? Onzichtbaar. De inspectie? Een echo van wat leerkrachten al wisten. Het kabinet? Een Pontius Pilatus‑reflex: handen wassen, verantwoordelijkheid afschuiven.
De realiteit is eenvoudig en hard. Als er één of meerdere leerkrachten uitvallen zijn er geen twintig opties om kinderen op te vangen. Eerst springen de zorgondersteuners en -coördinatoren bij, waardoor er gaten vallen in de zorgwerking. Kan je dan nog goed op maat werken? Vergeet het maar. In grote, heterogene klassen ben je dan met iedereen tegelijk bezig. Je werkt hard, je werkt snel, maar zelden in de diepte. Het resultaat: leerachterstanden, machteloosheid en het besef dat je nauwelijks grip hebt op het leerproces. Wie dat gevoel niet langer verdraagt, zoekt ander werk. Wie blijft, loopt het risico ziek te worden.
Dat is geen natuurwet, maar het gevolg van politieke keuzes: al vijftien jaar worden de werkingsmiddelen niet geïndexeerd, het M-decreet was een fiasco en socio‑economische problemen werden hoe langer hoe meer op de klasvloer afgewimpeld. Leerkrachten deden meer en meer het werk van maatschappelijke werkers, opvoedingsdeskundigen en psychologen, maar dan minder goed als echte professionals. De buffer die er twintig jaar geleden was om leerkrachtenuitval op te vangen is grotendeels verdwenen. Leerkrachten vinden om openstaande vacatures in te vullen is moeilijk, laat staan in het midden van het jaar, ter vervanging van een andere leerkracht. In de meeste gevallen wordt er intern geschoven. De enige oplossing is meer leerkrachten. Dit door het leerkrachtenberoep aantrekkelijker te maken. Dan zou het beleid deze negatieve spiraal kunnen doorbreken.
Om de leerkrachtenuitval tegen te gaan denkt minister Demir niet daar aan. Ze haalt haar mosterd in Groot‑Brittannië: ijzeren discipline, een hard sanctiebeleid, minder focus op welbevinden, meer op directe instructie. Het zou het respect voor de leraar terugbrengen en tegelijk kansen bieden aan kansarme leerlingen. Althans, dat is de theorie. Daarbij voert ze haar eigen succesverhaal op als universeel model, alsof biografie gelijkstaat aan beleid.
Er zit een kern van waarheid in die ideeën. Leerkrachten voelen zich niet gerespecteerd en het grensoverschrijdend gedrag van leerlingen neemt toe. Wij hoeven dit niet te pikken. Onze taak is kennis en vaardigheden door te geven, niet om complexe psychologische problematieken te behandelen. Een onderwijssysteem dat zichzelf opwerpt als boksbal voor socio‑economische problemen is ten dode opgeschreven. Demir heeft gelijk dat hier paal en perk aan gesteld moet worden. Voor veel leerkrachten is een streng beleid dan ook welkom. Maar strengheid is slechts een handrem. Het ongewenst gedrag verdwijnt niet, het verschuift. Van school A naar school B, tot het uiteindelijk op de straat belandt. Om daaraan te werken zou er op elke school een vast team van psychologen en maatschappelijke werkers moeten zijn. Mensen die vast deel uitmaken van het schoolteam en kort op de bal kunnen spelen bij de leerlingen. Momenteel nemen de CLB’s die rol op, maar zij doen dat voor meerdere scholen tegelijk. Het gevolg is dat ze log, traag en bureaucratisch zijn, zonder de leerlingen echt te kennen en zonder een echte band met de onderwijsteams.
Respect voor de leraar kan niet gekocht worden met sancties. Het ontstaat uit maatschappelijke koestering: vertrouwen geven, autonomie verlenen, betere werkomstandigheden, kleinere klassen, een degelijk loon. Maar het omgekeerde gebeurt. Pensioenen worden uitgehold, modepedagogen en commerciële uitgeverijen dringen zich op en elke beslissing moet verantwoord worden in een verslag. De professionele autonomie van de leraar wordt systematisch uitgehold. Het is een bijtende paradox: hoe minder ruimte voor eigen inzicht, hoe minder respect het beroep krijgt.
De leraar is de rookmelder van de samenleving. Als die afgaat, betekent dat het brandt in het klaslokaal. Sancties kunnen er even voor zorgen dat er wat meer ademruimte is. Maar de brand blussen doen ze niet. Zolang er niet geïnvesteerd wordt in meer handen in de klas, zal één op vier één op drie worden, en één op zes één op vijf. En bij het volgende artikel over welbevinden dat bij de koffie zal rondgaan, zal er minder hoeven rondgekeken te worden. Gewoon, omdat er simpelweg minder leerkrachten zullen zijn om rond te kijken.
Gaetan Carlier
(1). Maarten Van Steenkiste, De motivatiemonitor, Ugent. Een jaarlijks onderzoek waar gepeild wordt naar het welbevinden van professionele teams, waaronder ook leerkrachten.
(2). www.vrt.be/vrtmax/a-z/basisschool-balder/. Een vierdelige serie over een Brusselse bassischool in de buurt van het Zuidstation. De school werd geconfronteerd met een ernstig leerkrachtentekort en laat de gevolgen voor de leerlingen zien.

