De oorsprong van religie en sociale zekerheid

Facebooktwittergoogle_plusmail

Marc Vermeersch schreef een monumentaal werk over ‘de geschiedenis van de mens.’ Welke evolutie heeft de mens doorgemaakt en hoe was hij in staat te overleven in een omgeving die hem niet gunstig gezind was?

In dit artikel beschrijft hij o.a. de dagelijkse strijd voor voedsel en het belang van de jacht. Het was toen absoluut noodzakelijk dat de mensen zich in een clan verenigden en daarin de grootst mogelijke solidariteit nastreefden.

En zo ontstond er, misschien tot onze verwondering, een vorm van ‘sociale zekerheid avant la lettre.’ De oorsprong van religie en sociale zekerheid.

Zeven miljoen jaar geleden was Afrika bevolkt door de gemeenschappelijke voorlopers van mensen, chimpansees en bonobo’s. Vanaf dan begonnen hun wegen uit elkaar te lopen. In Oost- en zuidelijk Afrika veranderde het klimaat sneller en grondiger dan in West- en Centraal-Afrika. Gedurende miljoenen jaren moest de daar levende voorlopers zich snel aanpassen. Er ontstonden en verdwenen soorten.

3,7 miljoen jaar geleden zetten een aantal van die voorlopers hun voetafdrukken in nog warme vulkanische as. Uit onderzoek bleek dat deze australopitheken al goed rechtop liepen. Dat was een aanpassing aan het lopen in de savanne die een andere, belangrijkere verandering mogelijk maakte: het zakken van het strottenhoofd. Dat was de noodzakelijke verandering om gesproken taal mogelijk te maken.

Chimpansees en bonobo’s (pan) hebben uitgebreide taalcapaciteiten, ze kunnen gebarentaal leren, pictogramman gebruiken maar de ligging van hun strottenhoofd laat geen gesproken taal toe. Hoe lang de evolutie van de voorlopers van de mens en de mens zelf naar een ontwikkelde gesproken taal duurde is niet zeker. Maar het moet een zeer lange ontwikkeling geweest zijn want er waren zeer veel genetische veranderingen nodig die gedurende lange tijd moesten accumuleren. Indicaties zijn de groei van de hersenen die begon bij de australopitheken en duurde tot Homo sapiens (de modernen mens) verscheen, ongeveer 200.000 jaar geleden. Waarschijnlijk ontwikkelden de hersenen zich ook dank zij gesproken taal en vice versa. Een andere zaak die moest veranderen was dat de mens door fijn gestuurde bewegingen van tong en ademhaling de complexe geluiden van onze taal moest kunnen maken.

De aanleg voor gesproken taal is iets wat alle mensen gemeen hebben. Het is een erfelijke eigenschap. De ideeën van de mens zouden zich in woorden uiten die hij met andere mensen kon delen. Communicatie met gesproken woorden is communicatie op een veel hoger niveau dan enkel met gebaren en kreten.

Gesproken taal zorgde er voor dat het gedrag van de mens stap voor stap in alle geledingen een ideële uiting kreeg. De mens vermeed zoals alle warmbloedige dieren inteelt en incest. Op het vlak van de ideeën uitte zich dat in het verbod om met nauwe verwanten te trouwen. De mens leefde van jagen en verzamelen. De grote kennis van planten en dieren, pluk en jacht, werd via ideeën doorgegeven van generatie op generatie.

Het oudste religieus idee is waarschijnlijk de ziel, de basis van de ook vandaag nog bestaande vooroudercultus, en een gemeenschappelijk basisbegrip van alle religies. Het zou ons hier te ver leiden om er op in te gaan.(1)

De tweede as waarlangs religie zich uitbreidde was het totemisme en dat draaide rond wat jagers en verzamelaars produceerden: voedsel, planten, vruchten en vlees. Het totemisme draaide in oorsprong rond voedsel

Voorbereiding op de jacht en ontstaan van het totemisme

De eerste as waaruit religie ontstond komt uit de sfeer van de clan, de reproductie van de menselijke gemeenschap en gaf aanleiding tot het ontstaan van het geloof in de ziel en de vooroudercultus. Een tweede as langs dewelke – bij extensie van de eerste – de oudste religieuze voorstellingen zijn ontstaan is de jacht, het bekomen van voedsel. Voedsel was de hoofdbekommernis van jagers en verzamelaars, noodzakelijk voor de fysieke reproductie van de mensen. De jacht vroeg van de vroegste mensen een strikte organisatie, coördinatie en discipline. In de laatste, recent overlevende maatschappijen van jagers en verzamelaars waren vlees en vet zeer gegeerd en geacht. Succesvolle jagers hadden veel prestige.

We weten dat alle mensen buiten Afrika en Noord-Afrika afkomstig zijn van een migratiebeweging die vertrok in Oost-Afrika ongeveer 80.000 jaar geleden. Ze namen het totemisme mee uit sub-saharaans Afrika en verspreidden het over de rest van de wereld, Azië, Oceanië, Amerika, Noord-Afrika en Europa. Het totemisme moet dus diep ingebed geweest zijn in de geesten en de gewoonten van de kleine groep(en) die Afrika verlieten.

Ontstaan uit een jachtritueel

De jacht, zeker die op groot wild, vroeg dat de jagers onderling afspraken maakten. De jacht was bij jagers een vast en schier eindeloos gespreksonderwerp. Het is waarschijnlijk dat ze zich mentaal voorbereidden op de jacht, zich concentreerden. Eén van de technieken om een beter resultaat te bekomen was dat ze zich vereenzelvigden met de dieren waarop ze jaagden, zich vermomden als die dieren, hun gedrag imiteerden, hun uiterlijk nabootsten, kortom een ritueel hielden. “Informanten van de Bosjesmannen hebben herhaaldelijk benadrukt dat de beste jagers denkbeeldig het dier worden waarop ze jagen; ze zijn zo beter in staat om te denken zoals het dier. (…) Het is ‘dat dier zijn; wat heb ik gedaan of zal ik doen?’ ” (2)

De vereenzelviging met dieren

Nabootsen van dieren om succesvoller te zijn bij de jacht leidde er, bijna onvermijdelijk, toe dat men er zich mee ging mee vereenzelvigen. Dit is geëvolueerd naar een vereenzelviging met één bepaald dier of één plant. Die evolutie kan er gekomen zijn omdat er binnen clans een taakverdeling was tussen jagers waarbij jagers meer gespecialiseerd waren in de jacht op één bepaald dier. Zij moesten dan uiteraard het ritueel uitvoeren voor hun (totem)dier. De vereenzelviging met een dier is niet zo eigenaardig als ze kan lijken. De mens kon de werkelijkheid enkel bekijken uitgaande van zichzelf en dan was een wezenlijk gelijke natuur voor mens en dier voor de hand liggend. Had de jager en verzamelaar daar ook niet voor een groot stuk gelijk in? Alle zoogdieren hebben dezelfde biologische oorsprong en heel wat gedragingen zoals de zorg om de jongen, seks en voedsel zijn begrijpelijk vertrekkende van onze eigen aard.

We weten over recente groepen jagers en verzamelaars dat ze een uitgebreide kennis hadden van de gewoontes van die dieren in hun omgeving. Plant en dier werden daarenboven verwerkt en opgegeten. Dieren, maar ook mensen, werden versneden en elk stukje van een dier dat bruikbaar was werd gebruikt. Jagers en verzamelaars hadden hierdoor ook een uitgebreide kennis van de anatomie van dieren en mensen. Zij moeten onvermijdelijk de biologische gelijkenissen tussen mensen en zoogdieren gekend hebben.

Het totemisme is een geheel van geloofspunten en rites die verband houden met een totem. Totems zijn meestal dieren soms planten, bijvoorbeeld bomen (3), met andere woorden meestal voedsel. Niets was belangrijker voor de jager en verzamelaar. De producten van de jacht: vlees, organen, pezen, botten enzovoort, afkomstig van dieren, spraken enorm tot de verbeelding.

De mens was, net als zijn neef, de chimpansee, begeesterd door de jacht waar het element kans en toeval, dus onzekerheid, een grote rol speelde. Jagers waren nooit zeker dat ze van een jachtpartij met vlees zouden terugkeren. De onzekerheid werd gecompenseerd door het bezweren van de omstandigheden, de wil om succes te hebben, de wens en het verlangen van de mens om het lot, het toeval te beheersen. De vereenzelviging met het totemdier ging ver, zo ver dat de jager soms dacht dat hij met de eigenschappen van zijn totemdier behept was en/of dat men dacht van het totemdier af te stammen. Men nam de naam van zijn totemdier aan, “Zwarte arend” had de zwarte arend als totemdier.

Een voorbeeld van de stammen van de Golf van Carpentaria (Noordoost-Australië). “De stammen rond de Golf van Carpentaria vereren hun totems zeer; als iemand het totemdier zou doden in de aanwezigheid van de man wiens totem het was, zou deze laatste zeggen ‘What for you kill that fellow? That my father!’” of “‘That brother belonging to me you have killed; why did you do it?’”

Opnieuw, bij sommige Australische stammen: “Elke jonge kerel was het strikt verboden te eten van dat dier of vogel die tot zijn respectievelijke klasse behoort, want het is zijn broer.” In de duiventotem van Samoa werd een duif zorgvuldig bijgehouden en gevoederd. De Moqui van Arizona hielden er zelfs arenden op na die in kooien werden gehouden. De arend was een van hun totems.

De vereenzelviging met dieren waarop men jaagt: “Dit kan eigenaardig klinken voor niet-jagers maar de meeste jagers zien onmiddellijk een verband met dit punt, zoals veldetnologen (doen). (…) Dit is ook waar voor de ervaren artiesten van wild. Dergelijk inbeeldingswerk heeft gedrags- en anatomische dimensies. De anatomie van grote zoogdieren staat dicht genoeg bij de onze dat, als men eenmaal de evolutionaire analogieën heeft uitgewerkt, men denkbeeldig in een dier kan wonen, een lichamelijk gevoel van hun bestaan krijgen, als een weg om hun bewegingen te visualiseren.

Deze absorptie die een jager doet opgaan in het gewenste dier maakt de jacht op grote zoogdieren verschillend van veel andere vormen van jagen en verzamelen. Het is een zeer effectieve strategie omdat mensen voldoende gelijkaardig zijn aan andere grote zoogdieren, dat als een dergelijke verbeeldingsfocus gecombineerd wordt met genoeg ervaring, een jager bijna anticipeert wat het dier vervolgens zal doen. Het is een aangeleerde vaardigheid, gescherpt door duizenden uren observatie.”(4)
De jager-verzamelaar was verantwoordelijk voor het welzijn en de vermenigvuldiging van zijn totem, zijn gemeenschap.

Rites voor meer voedsel

Als men dezelfde essentie had als zijn totem dan was men ook verantwoordelijk voor het welzijn ervan. Elk jaar werden nieuwe dieren geboren die het voortbestaan van een kudde verzekerden. Het welzijn en het voortbestaan van de mensen hing af van het welzijn van de dieren. Iedere totem, ieder individu was verantwoordelijk voor het voortbestaan van zijn totemdier of totemplant.

Er waren gebruiken, rites die de voorspoed, het welzijn van de totem moesten verzekeren. Een rite voor de vermenigvuldiging van de kangoeroes door de kangoeroetotem ging als volgt. De leden van de totem gingen naar de voet van een heuvel waar op de helling, ongeveer zes meter boven de vlakte, de ene boven de andere, twee rotsblokken lagen. De ene steen stelde een mannelijke kangoeroe voor, de andere een vrouwelijke. De hoofdman van de totemclan en zijn moeders oom klommen op de heuvel en wreven elk over een andere rotsblok met een steen. Beneden de heuvel was een rotsrichel waarvan gedacht werd dat de zielen van legioenen dode kangoeroes hier rondspookten. Deze richel werd alternerend met rode en witte strepen beschilderd. Ze stelden de rode vacht en de witte botten van de kangoeroe voor. Als het schilderen gedaan was gingen sommige jonge mannen op de richel zitten, openden aders in hun armen en lieten het bloed vloeien over de rotsrichel. Het doel van deze ceremonie was volgens de clanleden om de geesten van de kangoeroes in alle richtingen te drijven om de vermenigvuldiging van de dieren te verzekeren. De andere mannen zongen liedjes die refereerden aan het vermeerderen van de kangoeroes wat het gevolg van de ceremonie zou moeten zijn.

Waarom hield de kangoeroetotem deze ceremonie als zij zelf niet van de kangoeroe mochten eten? De vermenigvuldiging van de kangoeroes was in het voordeel van alle andere clans die er op hun beurt voor zorgden dat hun totemdier of totemplant ook overvloedig zou voorkomen. Het geheel van alle ceremonies van alle totems zorgde er voor dat ze alle voldoende voedsel hadden. (5)

Baten en kosten

De baten van het totemisme waren niet gering. De totemrituelen voor de vermenigvuldiging van dieren en planten smeedden de gemeenschap aan elkaar in haar doel: voedsel bekomen. Chimpansees werken enkel samen met leden van hun eigen clan. In het totemisme werkten mensen ook samen met leden van andere clans. Leden van dezelfde clan waren elkaar steun verschuldigd. Wat de UNO en de sociale zekerheid zijn voor de mens vandaag was het totemisme voor jagers en verzamelaars.

De kosten van het totemisme waren verwaarloosbaar. Wie niet van zijn eigen totemdier mocht eten zal in het slechtste geval soms honger gehad hebben maar clanleden en totemleden moesten helpen. In geval van grote honger zijn mensen meestal soepel genoeg om religieuze verboden anders te interpreteren, te omzeilen en een mouw aan te passen.

De baten overtroffen ruimschoots de kosten. De voedselproductie moest overigens door het totemisme in geen enkel opzicht dalen. De meerderheid van de totems kon jagen op de meerderheid van de dieren, de meerderheid van de planten verzamelen. Het totaal aantal beschikbare dieren, planten en vruchten was door het bestaan van het totemisme niet groter of kleiner. De motivatie van de jagers en verzamelaars was groter en de onderlinge samenwerking van totems over clans heen was een bijkomend voordeel.” (6)

De vroege mensheid had met het totemisme een systeem ingesteld dat zich uitte in en religieuze vorm. De basis van het totemisme was echter de samenwerking van jagers en verzamelaars over groepen en clans heen. Zij jaagden samen en verdeelden de opbrengst van de jacht. In geval van nood waren de leden elkaar steun verschuldigd. Een vorm van sociale zekerheid avant la lettre.

Voetnoten:

(1) Elementen van de vooroudercultus bestaan ook in het christendom: Allerheiligen en Allerzielen. Het komt voor in China, Korea, Kapan en Viëtnam en in Tibet waar de ziel van de Dalaï Lama na zijn dood in een kind van de clan hergeboren wordt.
Marc Vermeersch. Geschiedenis van de mens. Deel I. Jagers en verzamelaars. Boek 1. Van pan tot Homo sapiens, p.409 e.v.

(2) R. Dale Guthrie, The Nature of Paleolithic Art, University of Chicago Press, Chicago & London, 2005, p. 92. Guthrie citeert: Silberbauer G.B., Hunter/gatherers of the Kalahari, In: Omnivorous primates, ed. R.S.O. Harding and G.Teleki, 1980, p.455-498, en: Liebenberg L., The art of tracking/The origin of science, 1990; van dezelfde auteur: A field guide to the animal of tracks of Southern Africa, 1990.

(3) Ook vandaag gaan heel wat mensen er spontaan van uit dat hun huisdier dezelfde natuur heeft als een mens.

(4) R.Dale Guthrie, The Nature of Paleolithic Art, University of Chicago Press, Chicago & London, 2005, p. 92.

(5) Frazer J.G., Marriage and Worship in the Early Societies. A treatise on Totemism and Exogamy, Volume , Totemism, 1887 p.107-108.

(6) Marc Vermeersch. Geschiedenis van de mens. Deel I. Jagers en verzamelaars. Boek 1. Van pan tot Homo sapiens, p.416.

Marc Vermeersch. Geschiedenis van de mens. Deel I. Jagers en verzamelaars.

  • Boek 1. Van pan tot Homo sapiens. 403 blz., 39,9€.
  • Boek 2. De maatschappij van jagers en verzamelaars. 472 blz.. 39,9€.

Tot 28 februari 2010: 34,9€ voor een boek, 64,8€ voor beide boeken samen.

Deze boeken vormen samen het eerste deel van de Geschiedenis van de mens. Deel II zal handelen over de landbouwmaatschappijen en Deel III over de industriële maatschappijen.

Sur le même sujet

De oorsprong van religie, kunst, geweld, liefde In het februarinummer van EOS, maandblad over wetenschap, verschijnt een interview met Marc Vermeersch. Het artikel is van de hand van Peter Dupont. Deze spaart zijn lof niet voor het werk van de aute...
Sedert 2002 werk ik aan een "geschiedenis van de mens". In 2008 verschenen twee boeken over jagers en verzamelaars. in 2012 verscheen het boek van mijn doctoraat. Boek 3 over het ontstaan van landbouw en veeteelt in Zuidwest-Azië verscheen in oktober 2014. De volgende jaren werk ik aan Boek 4 over landbouw en veeteelt in China, Amerika en Nieuw-Guinea.