Hoewel hij graag over voetbal schrijft en een voetbalpodcast maakt, kijkt Menno Pot bewust niet naar het WK voetbal. Dat heeft alles te maken met de misstanden rond het tornooi en de keuze voor het gastland. Hij vertelde erover in het radioprogramma Met het Oog op Morgen.
Ik luisterde ernaar en moest meteen denken aan Mark Fishers boek Kapitalistisch realisme. Niet omdat Fisher over voetbal schrijft, maar omdat hij een gevoel beschrijft dat velen herkennen: het gevoel dat we de onrechtvaardigheden van onze samenleving scherp zien, maar tegelijk ervaren hoe moeilijk het geworden is om daar een geloofwaardig alternatief tegenover te plaatsen.
We weten dat er misstanden zijn. We zien oorlogen en genocides. We horen over de situatie in Gaza, Iran, Soedan, … We zien hoe landen zoals Cuba gewurgd worden. We stellen vast dat grote sportevenementen plaatsvinden in het land van Trump, waar mensenrechten geschonden worden (eerder Quatar, nu VS, dan Saoudi-Arabië in 2034?). We lezen over migranten die uitgesloten worden, aangevallen zoals in Belfast en zien groeiende ongelijkheid.
Soms protesteren we, zelfs bemoedigende protesten. We spreken ons uit. We delen artikels. We proberen bewust te leven. Menno Pot vindt dat we haast onbewogen alles maar laten passeren. Ik geef toe. Ook ik zal stiekem kijken als de Rode Duivels aantreden … Misschien is dat precies de spanning waarin we vandaag leven.
Tussen cynisme en pedagogische nieuwsgierigheid
Die vaststelling kan tot twee verschillende reacties leiden. De eerste reactie is cynisch. Dan zeggen we: “Mensen geven toch nergens meer om.” We besluiten dat solidariteit verdwenen is en dat maatschappelijke betrokkenheid plaatsgemaakt heeft voor onverschilligheid.
Maar er is ook een tweede reactie mogelijk. Een pedagogische reactie. Dan stellen we een andere vraag: Wat gebeurt er met ons vermogen tot solidariteit? En hoe kunnen we dat vermogen opnieuw versterken?
Die vraag houdt mij sterk bezig. Ze sluit aan bij wat ik in mijn eigen zoektocht naar bevrijdend onderwijs probeer uit te werken.
Mark Fisher beschrijft hoe het kapitalisme niet alleen onze economie organiseert, maar ook onze verbeelding koloniseert. Het bepaalt niet alleen wat wij doen, maar ook wat wij voor mogelijk houden, wat wij wenselijk vinden en zelfs wat wij normaal beginnen te vinden. Het wordt gemakkelijker om het einde van de wereld voor te stellen dan het einde van het kapitalisme. Het gevolg daarvan is vaak machteloosheid. Cynisme. Terugtrekking. Maar juist daarom moeten we de pedagogische vraag durven stellen.
De mens wordt mens door anderen
In mijn eigen onderwijswerk staat steeds meer een ander mensbeeld centraal dan het mensbeeld dat impliciet aanwezig is in veel neoliberale discoursen. Het neoliberalisme vertrekt vaak vanuit het beeld van de autonome individu. Concurrentie wordt voorgesteld als een natuurlijke toestand. Succes wordt beschouwd als persoonlijke verdienste. Falen als individueel tekort.
Daar wil ik een ander uitgangspunt tegenover plaatsen: Mensen worden mens dóór anderen. Verbondenheid is geen luxe. Solidariteit is geen bijkomstigheid. Empathie is geen karaktereigenschap die sommige mensen toevallig bezitten en anderen niet. Het zijn voorwaarden voor menswording.
Daarom moeten we vandaag misschien opnieuw spreken over vervreemding. Niet alleen vervreemding van arbeid, maar ook vervreemding van elkaar. Vervreemding van gemeenschappelijkheid. Vervreemding van geschiedenis. Vervreemding van politieke handelingsbekwaamheid. Misschien zelfs vervreemding van het vermogen om geraakt te worden.
Ik sprak elders over een ideologische bezetting van ons denkvermogen, ons voelvermogen en ons kennisvermogen. Dat klinkt misschien scherp, maar het verwijst naar een reële bekommernis: hoe beschermen we ons vermogen om betrokken te blijven in een samenleving die voortdurend appelleert aan individualisme, competitie en consumptie?
Onderwijs als oefenplaats van verbondenheid
Als deze analyse klopt, dan heeft onderwijs een belangrijke opdracht (doelstellingen, weet je!). Onderwijs moet opnieuw plaatsen creëren waar jongeren kunnen ervaren dat zij deel uitmaken van iets groters dan zichzelf. Niet door nationalisme. Niet door conformisme. Maar door samenwerking, zorg, gedeelde verantwoordelijkheid en het leren omgaan met verschillen en conflicten. Solidariteit ontstaat immers niet vanzelf. Zoals échte democratie geoefend moet worden, moet ook solidariteit geoefend worden. Jongeren moeten kunnen ervaren dat het welzijn van de ander ook hun zaak is. Dat samenleven meer is dan naast elkaar bestaan. Dat verantwoordelijkheid delen mensen sterker maakt.
Daarnaast heeft onderwijs ook de opdracht om de maatschappelijke verbeelding levend te houden. Jongeren moeten leren dat geschiedenis open is. Dat maatschappelijke ordeningen veranderlijk zijn. Dat sociale zekerheid ooit ondenkbaar leek. Dat stemrecht bevochten werd. Dat slavernij werd afgeschaft. Dat mensen door collectieve actie en volgehouden strijd maatschappelijke veranderingen tot stand hebben gebracht. Verbeelding is dan geen vlucht uit de werkelijkheid. Verbeelding is een voorwaarde om haar te veranderen.
Gevoeligheid beschermen
In een tijd waarin jongeren dagelijks geconfronteerd worden met beelden van oorlog, onrecht en crisis, dreigt nog een ander gevaar: afstomping. Mensen kunnen niet permanent verontwaardigd zijn. Wie voortdurend geconfronteerd wordt met menselijk lijden zonder perspectief op handelen, dreigt zich af te sluiten.
Ook daarom heeft onderwijs een belangrijke taak. Onderwijs moet helpen om emoties te begrijpen. Morele vragen bespreekbaar te maken. Betrokkenheid draaglijk te houden. Hoop levend te houden. Niet door jongeren te beschermen tegen de werkelijkheid. Wel door hen te begeleiden in het leren omgaan met die werkelijkheid.
Handelingsvermogen versterken
Misschien is dat uiteindelijk één van de belangrijkste pedagogische opdrachten: het versterken van handelingsvermogen. Het volstaat niet om jongeren te leren wat fout loopt in de wereld. We moeten ook samen de vraag durven stellen: Wat kunnen wij doen? Op welke schaal? Met welke bondgenoten? Via welke organisaties? Welke historische voorbeelden tonen dat verandering mogelijk is? Zonder handelingsperspectief dreigt kritiek verlammend te worden.
Sommigen verwarren deze benadering met indoctrinatie. Alsof onderwijs jongeren zou voorschrijven wat zij moeten denken. Maar het tegendeel is waar. Het gaat erom vragen te durven stellen. Debat mogelijk te maken. Jongeren uit te nodigen tot onderzoek, reflectie en stellingname. Niet om hen één antwoord aan te reiken, maar om hen ernstig te nemen als toekomstige medeburgers.
De pedagogische opdracht van hoop
Hoop wordt soms verward met naïviteit. Maar pedagogische hoop betekent niet dat alles vanzelf goed komt. Ze betekent evenmin dat we de ernst van maatschappelijke problemen ontkennen. Pedagogische hoop betekent dat we blijven geloven dat mensen samen geschiedenis kunnen maken.
Ik verwoordde het elders zo: “Mensen veranderen ook doordat zij ervaringen opdoen, samen werken, samen denken, betekenis beleven, schoonheid ontdekken, verbondenheid ervaren, verantwoordelijkheid dragen en voelen dat andere manieren van samenleven mogelijk zijn.”
Misschien ligt daar één van de belangrijkste opdrachten van onderwijs vandaag. Hoe kunnen we jongeren helpen om opnieuw te ervaren dat zij verbonden zijn met anderen en samen in staat zijn de wereld te begrijpen én te veranderen? Hoe beschermen en ontwikkelen we het menselijke vermogen tot solidariteit, verbeelding en collectieve verantwoordelijkheid in een samenleving die deze vermogens voortdurend onder druk zet?
Voor mij zijn dat geen randvragen. Ze raken de kern van onderwijs. Ze raken de doelstellingen! Ze laten ons toe om niet te vervallen in moralisering – “de mensen zijn egoïstisch geworden” – maar ook niet in fatalisme – “het systeem wint toch.” Ze wijzen een pedagogische weg (en horen thuis op mijn ‘Wandelpad voor een Bevrijdend Onderwijs”), waarin we verder bouwen.
Misschien is dat precies wat een 21ste-eeuwse pedagogiek kan betekenen:
structurele analyse zonder determinisme
solidariteit zonder naïviteit
kritiek zonder cynisme
hoop zonder illusies
verbeelding als democratische noodzaak.
Kapitalistisch realisme toont hoe moeilijk het geworden is om alternatieven te denken. Maar juist daarom moet onderwijs een plaats zijn waar verbeelding, verbondenheid en collectieve handelingsbekwaamheid opnieuw geoefend worden. Niet omdat onderwijs alleen de samenleving kan veranderen. Maar omdat een samenleving zonder gevormde, betrokken en hoopvolle mensen zichzelf niet kan vernieuwen.
Ludo Merckx

