Vlaams regeerakkoord (2004-2009)

Facebooktwittergoogle_plusmail

Onder de titel « Investeren in onderwijs, elk talent zijn kansen geven » wijdt de Vlaamse regering (CD&V-NVA, VLD, SP.A-Spirit) die in juli 2004 tot stand kwam, een volledig hoofdstuk aan onderwijs in haar regeerakkoord. Ook in het hoofdstuk « Topprioriteit: meer ondernemen, meer werkgelegenheid » vinden we een aantal linken naar beroepsvorming en onderwijs.

Hieronder geven we commentaar bij de belangrijkste uittreksels (in kursief) uit het regeerakkoord rond onderwijsbeleid.

1. Sociale ongelijkheid

De verhoogde onderwijsparticipatie heeft geen einde gemaakt aan de sociale ongelijkheid, al dan niet door taalachterstand, op het vlak van de toegang tot het onderwijs. Ondanks alle inspanningen blijft het onderwijs sociale ongelijkheid reproduceren, eerder dan te zorgen voor een betere sociale mobiliteit. De kloof tussen hoger- en lageropgeleiden wordt scherper. Het wordt een maatschappelijke breuklijn.

Internationale onderzoeken (bv. PISA) tonen aan dat in ons onderwijssysteem – in vergelijking met andere OESO-landen – het verschil tussen de « goede » en de « zwakke » leerlingen en het verschil tussen de scholen het grootst is. Bovendien blijkt dit verschil sociaal bepaald te zijn: kinderen uit gegoede families hebben een duidelijke voorsprong op kinderen uit sociaalzwakke gezinnen. Het is een positief feit dat de Vlaamse regering erkent dat ons ‘onderwijs sociale ongelijkheid blijft reproduceren’. Ze gaat echter niet in op de belangrijkste factoren die de sociale ongelijkheid veroorzaken.

Die zijn drieërlei:

1. de onderfinanciering van het lager onderwijs (waar de sociale ongelijkheid zich manifesteert);

2. de vroegtijdige selectie van leerlingen op 12 jaar naar onderwijsvormen die niet gelijkwaardig zijn;

3. het systeem van de vrije schoolmarkt (vrije keuze) van mekaar concurrerende scholen en netten waarbij de sociale segregatie (de gegoede milieus sturen hun kinderen naar bepaalde elitescholen, de minder gegoede milieus naar gewone scholen) in de hand wordt gewerkt.
(zie dossier « De Belgische schoolmislukking » in De democratische school, nr. 14, juni 2003)

2. Het welbevinden van de leerlingen en de talentontwikkeling

Ook op twee andere onderling samenhangende fenomenen scoort het onderwijs in Vlaanderen ondermaats: het welbevinden van de leerlingen en de ongekwalificeerde uitstroom, of het verlaten van het leerplichtonderwijs zonder einddiploma.
De Vlaamse overheid zal bijgevolg meer dan ooit werken aan een groter welbevinden op school. Talentontplooiing, de ontwikkeling van elk talent van de jongeren is voor ons dé uitdaging van het onderwijs. We zullen aan scholen het raam, de middelen en de ruimte geven om te innoveren en zich zo te organiseren dat deze talentontwikkeling echt centraal staat.

Dat de leerlingen in het secundair onderwijs niet graag naar school gaan dient wel gerelativeerd te worden. Gemiddeld scoren ze 3,8 op 5, wat volgens de onderwijsinspectie behoorlijk is. Ze zijn minder tevreden over: de infrastructuur en voorzieningen (sanitair, leslokalen, speelplaats, hygiëne, enz); de studiedruk (spreiding en planning van taken) en het puntensysteem, wat leidt tot overbelasting; de inspraak op schoolniveau. Ze vinden dat de lessen vaak saai zijn. Wel zijn de verschillen tussen de scholen groter. Leerlingen van de eerste graad S.O. scoren hoger dan die van de 2de en 3de graad (Onderwijsspiegel 2002-2003).
De overheid moet dus flink wat meer middelen en personeel voorzien om de infrastructuur op peil te brengen en te houden. Op de andere punten kan door een grotere inspraak van leerlingen heel wat bijgestuurd worden. Dat zal het welbevinden verhogen.
De overheid stelt echter dat dit gebrek aan welbevinden « samenhangt met het verlaten van het leerplichtonderwijs zonder einddiploma ». Als die samenhang er is, zou het logisch zijn dat de overheid investeert in extra middelen en personeel, zodat de slaagkansen van de leerlingen verhogen, bv. door een grotere differentiëring in begeleiding en tempo van de leerlingen. Maar de overheid zegt nu reeds dat er geen geld is. Betekent dit dat de inspanningen om iedere jongere toch een diploma te laten behalen al op voorhand worden opgegeven? Gaat men de eisen verlagen zodat de leerlingen slechts hoeven te slagen in bepaalde opleidingsmodules, waarvoor ze dan een attest krijgen? Wat is de waarde daarvan op de arbeidsmarkt? Men krijgt de indruk dat de regering hier het « welbevinden » van de leerlingen nogal eenzijdig aangrijpt om « Accent op talent » (zie verder) met zijn zogenaamde « talentontwikkeling » aan te praten.

3. Herwaardering van tso, bso en kso

Na overleg met het onderwijsveld en de ondernemingen over de voorstellen van de Koning Boudewijnstichting « accent op talent », zetten we stappen om scholen de mogelijkheid te geven om de beschotten tussen ASO, TSO, KSO en BSO af te zwakken en sterker in te zetten op talentontwikkeling. Voorts krijgen daarbij aandacht: ontwikkelen van geïndividualiseerde leerwegen, verruiming van de rol van de leraar en partnerschap tussen scholen en bedrijven.

De Vlaamse regering schaart zich achter de voorstellen van « Accent op talent » (AoT), een commissie van de Koning Boudewijnstichting, die als opdracht kreeg voorstellen te doen om het TSO en BSO te herwaarderen. Zij wil heel het (secundair) onderwijs hervormen ten dienste van de noden van het bedrijfsleven. Deze commissie werd voorgezeten door Urbain Vandeurzen, topman van het VBO en Voka. Huidig minister van leefmilieu en energie Kris Peeters, ex-topman van UNIZO, en Geert Schelstraete, ex-topman van het katholiek onderwijs, nu kabinetsmedewerker voor het secundair onderwijs van onderwijsminister Frank Vandenbroucke, waren actief in de commissie.
In het huidige secundair onderwijs zijn de verschillende onderwijsvormen (ASO, TSO, BSO,…) niet gelijkwaardig. De oorzaak ligt in de maatschappelijke waardering van de beroepen/studies waartoe zij voorbereiden. Bv. ASO heeft een groot prestige omdat het voorbereidt op hoger onderwijs. Vele leerlingen starten zo hoog mogelijk. De oriëntering/selectie gebeurt via het mislukken in sterkere en het afzakken (watervalsysteem) naar zwakkere onderwijsvormen en studierichtingen.
AoT wil de beschotten tussen de onderwijsvormen weghalen zodat leerlingen uit ASO-richtingen ook technische vakken kunnen volgen en omgekeerd. De vraag is of daarmee ook de maatschappelijke waardering van de studierichtingen verandert. AoT wil veel meer leerlingen naar studierichtingen trekken die vandaag tot het TSO of het BSO behoren. De « negatieve selectie » (« je bent gebuisd voor ASO, dus ga maar naar TSO en BSO ») wil ze vervangen door een « positieve selectie » (« je hebt talent voor handenarbeid of voor techniek, ga dus naar een aangepaste studierichting »). De oplossing moet o.i. gezocht worden in het invoeren van een gemeenschappelijke stam waar alle leerlingen tot 16 jaar samen zitten en een alzijdige, algemene én polytechnische vorming ontvangen.

4. Samenwerking tussen het onderwijs en het bedrijfsleven

We voorzien bijkomende middelen in het technisch en beroepsonderwijs en in betere mogelijkheden om de machineparken in samenwerking met bedrijven geregeld te vernieuwen. We ondersteunen de aanpassing van deze infrastructuur aan de hedendaagse eisen op gebied van technologie, van een attractieve leeromgeving die vakkenintegratie mogelijk maakt en van allerlei wetten. We stimuleren samenwerking tussen scholen voor onder meer dure technische infrastructuur. We versterken en ondersteunen een sterkere, eventueel netoverschrijdende, samenwerking tussen het onderwijs en het bedrijfsleven, zodat jongeren in de bedrijven kunnen werken aan de nieuwste machines en toestellen.

Dat de beroepsopleiding gebeurt met moderne technologie en machines en dat daarover scholen van verschillende netten samenwerken, kunnen we alleen maar toejuichen.
Dat de opleiding van jongeren « in de bedrijven » doorgaat roept wel een aantal vragen op. Welke eisen gaan de bedrijven stellen? Gaan zij bv. de leerlingen eerst selecteren die op « hun » machines mogen leren werken, zoals bij de firma Van Hool het geval is? Wordt de beroepsopleiding in het onderwijs niet verengd tot een specifieke bedrijfsopleiding ten koste van een voldoende brede beroepsopleiding zodat ze breed inzetbaar zijn en minder kwetsbaar op de arbeidsmarkt. O.i. dient de specifieke ‘on the job training’ in de bedrijven na het voldoen van de leerplicht te gebeuren.

5. Topprioriteit: meer ondernemen, meer werkgelegenheid

Vlaanderen moet verder evolueren naar een ondernemende, innoverende, lerende en creatieve samenleving. (…) We werken aan een positief imago van ondernemerschap en van de opleidingen waaruit verhoudingsgewijs veel starters en ondernemers komen. We maken mensen warm voor « ondernemen ».

De overheid en het bedrijfsleven zijn niet meer van plan om zelf voor nieuwe werkgelegenheid te zorgen. De toekomstige jonge volwassenen moeten het initiatief in handen te nemen en zelf hun eigen werkgelegenheid scheppen. Het risico van mislukken is voor de starters. Het onderwijs moet jongeren daarop voorbereiden.
De ondernemingsconferentie – een initiatief van de vorige Vlaamse regering in samenwerking met de Vlaamse sociale partners – stelde o.a. als concrete doelstelling: « Een nauwe aansluiting van onderwijs met het bedrijfsleven moet verwezenlijkt worden. ‘Ondernemer(schap)zin’ wordt opgenomen in de vakoverschrijdende eindtermen in het basisonderwijs en het secundair onderwijs. Deze eindtermen beogen het ondernemerschap in de meest brede zin van het woord. Om ervoor te zorgen dat elke leerling tijdens zijn opleiding maximaal actief in contact kan komen met het bedrijfsleven wordt de organisatie van bedrijfscontacten, projectopdrachten en stages voor leerlingen en leerkrachten gestimuleerd. » (Ondernemingsconferentie, 9 december 2003, Synthesetekst, p.4)
Het is de bedoeling dat het onderwijs de eigenschappen en de ideologie van het (kapitalistisch) ondernemen (risico’s nemen, winst maken,vrije marktdenken, concurrentie, enz.) overdraagt en zo meehelpt de strategie van Lissabon (2000) te realiseren :  » Van Europa de meest dynamische en concurrerende kenniseconomie ter wereld te maken » .

6. Alternerend leren, bedrijfsstages, enz

We herwaarderen en vereenvoudigen de systemen van alternerend leren, alternerend werken. We maken bindende afspraken met alle partners, over een uitbreiding van het aanbod (voorbeeldrol van de overheid, sluitend aanbod aan voortrajecten voor jongeren die nog niet arbeidsrijp zijn …), de kwaliteit van de begeleiding en een diploma of getuigschrift na afloop van de opleiding.
In overleg met het onderwijs, de bedrijven en de social profit geven we zoveel mogelijk leerlingen en leerkrachten de kans om in het laatste jaar van het middelbaar onderwijs stages te lopen. Na de stage kan een certificaat toegekend worden.
We maken werk van een competentiegerichte opleidingenstructuur en modulering van het opleidingenaanbod.

Minister Vandenbroucke wil het deeltijds leren, deeltijds werken promoten: « Meer dan de helft van de jongeren in het Deeltijds BSO heeft geen werkplek, ze zitten thuis of op straat. Vaak willen ze werken. Het is ook de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven, van de lokale overheid, van de non-profit organisaties die te weinig werkplaatsen aanbieden. Men gaat er vanuit dat die 6000 allemaal extreem moeilijke gevallen zijn. Met een campagne alleen overtuig je werkgevers niet van het tegendeel. Het komt er dus op aan jonge mensen die helemaal niet schoolmoe zijn, bv. uit het gewoon TSO in de formule van deeltijds werken te lokken. We moeten ervoor zorgen dat er geen tekort aan stageplaatsen is, dat ook uitzendarbeid in aanmerking komt, dat er geen probleem is met het sociaal statuut van leerlingen. Dat is de weg die ik uit wil. » (De Morgen, 1 september 2004)
Noteer: leerlingen uit het voltijdse TSO – waar ze een volwaardig diploma secundair onderwijs kunnen behalen – worden ‘weggelokt’ naar het deeltijds BSO waar ze slechts een attest kunnen halen. De interim-kantoren gaan de arbeidsplaatsen, die de patroons weigeren, ter beschikking stellen. Is dat de nieuwe visie op talentontwikking die we mogen verwachten?
De eerste doelstelling van onderwijs is dat jongeren leren de wereld te begrijpen in al zijn facetten en mee te werken aan een rechtvaardige en duurzame samenleving. Daar is echter nog weinig aandacht voor. Alle vorming/opleiding wordt eenzijdig verengd tot wat zijn effect is voor de arbeidsmarkt: leidt het tot meer ondernemen en meer werkgelegenheid.

7. Opleiding en vorming: levenslang en levensbreed leren

We realiseren een optimale coördinatie en stroomlijning van de verschillende arbeidsgerichte vormingen en opleidingen, waken over de efficiëntie en de effectiviteit ervan en zorgen voor een eenduidige aansturing ervan vanuit economie en tewerkstelling.

Deze paragraaf staat onder de hoofding « hefbomen om de werkzaamheidsgraad te verhogen ». Hier wordt eenzijdig verwezen naar arbeidsgerichte opleidingen. Alle opleidingen staan in functie van de arbeidsmarkt. Van het ‘levensbreed’ leren waarbij cursisten zich niet beroepsgericht willen bekwamen en hun kennis verruimen en verdiepen, is geen sprake meer.

8. Lokale autonomie

Scholen krijgen ruimte om de eigen missie en visie te realiseren. Op basis van een evaluatie voeren we een herdefiniëring en mogelijke vermindering van het aantal eindtermen en ontwikkelingsdoelen door.
We vereenvoudigen de onderwijswetgeving. We werken blinde procedures weg, die een menselijke oplossing van concrete problemen in de weg staan. We waken erover dat de overheid zich beperkt tot een rechtszeker kader, dat niet om de haverklap wijzigt. Scholen krijgen een kwaliteitskader waarbij ze onder meer op hun resultaten, leerwinst en welbevinden worden getoetst, maar verder hun vrijheid behouden.

De overheid trekt zich meer en meer terug uit de organisatie van onderwijs. De scholen krijgen de ruimte om zich vrijer te profileren. Elders spreek het regeerakkoord van « betrokkenheid van ouders, leerlingen, leerkrachten inrichtende machten en zogenaamde ‘stakeholders’ (ondernemers, mensen uit non profit…) bij de uitbouw van de school ». Het is niet denkbeeldig dat deze laatste groep meer en meer de inhoud en organisatie van het onderwijs zullen bepalen.
Accent op Talent (AoT) wil verregaande autonomie op alle vlakken toekennen: « Scholen en groepen van scholen krijgen meer autonomie binnen de inhoudelijke en organisatorische krijtlijnen die de overheid in overleg met alle stakeholders zal uittekenen. Deze autonomie heeft betrekking op aspecten van de aanwending en verdeling van middelen (financiële autonomie), het beleids-, bestuurs- en participatiemodel van de scholen, scholengemeenschappen en scholengroepen (bestuurlijke en organisatorische autonomie), de keuze van het vormings-en opleidingsaanbod (inhoudelijke autonomie), het personeelsbeleid, m.i.v. de selectiecriteria, de functiebeschrijving, taakinvulling (les- en andere bevoegdheden), en de evaluatie van medewerkers (personeelsbeleidautonomie). » (Tussentijds rapport van Accent op Talent, 12 mei 2004, p.15)
De Christelijke Onderwijs Centrale (COC) reageert alvast tegen de voorstellen van AoT: « Strakke regels zijn uit den boze, want die verhinderen de vlotte aanpassing aan wisselende noden. Na de wergwerpluiers, nu ook het wegwerppersoneel…
Voor COC is het alvast overduidelijk dat men het onderwijs niet kan opzadelen met ambitieuze doelstellingen zonder dat er voldoende middelen voorzien worden om deze doelstellingen te kunnen realiseren en door nog meer van minder personeel te vragen. In deze context wijst COC ook iedere gedachte aan enveloppenfinanciering af. Het is eveneens onaanvaardbaar te stellen dat scholen elders middelen moeten halen als ze vaststellen dat ze hieraan een tekort hebben of dat ze gefinancierd zullen worden op basis van (niet-meetbare!) gerealiseerde doelstellingen. Welke scholen zullen extra-financiering vinden en bij wie? Het antwoord is duidelijk: scholen met sterke leerlingen, met goede jaarverslagen (want ook die worden voorzien), met een goede ‘kwaliteit’ volgens de normen van het bedrijfsleven … Welke scholen zullen zulke financiering niet vinden? Scholen die ook kwaliteit leveren, maar geconfronteerd worden met zwakkere leerlingen en die dus geen sponsor vinden. « ( Jos Van der Hoeven, Brandpunt, maart 2004)

9. Modern personeelsmanagement

De huidige rechtspositiedecreten voor het niet-hoger onderwijs, waarvan de onderlinge verschillen worden weggewerkt, worden daarenboven afgestemd op de principes van een modern personeelsmanagement. Daarin staan een aantrekkelijk loopbaanperspectief en een verdere professionalisering centraal.
We geven leerkrachten en directies meer tijd om zich te concentreren op hun kerntaken, door een duidelijke vermindering van de administratieve en bureaucratische verplichtingen door iedereen die planlast oplegt.

Het modern personeelsmanagement slaat op alle aspecten van verloning en arbeidsvoorwaarden. Het studiebureau Hay Group werkte reeds een voorstel van differentiële verloning op basis van verworven competenties, zoals dit in de privé het geval is, uit in 3 stappen: de beginnende leraar, de ervaren leraar en de senior leraar. Ook de vaste benoeming komt daarbij in het gedrang. Dit zal aanleiding geven tot favoritisme en tweedracht zaaien in het lerarencorps. Dit is niet de manier om leerkrachten te belonen voor hun inzet. De onderwijsvakbond COC: « COC en het onderwijspersoneel zullen niet dulden dat alles wat de personeelsbelangen aangaat (statuut, verloning, rechtspositie, prestatieregeling…) het voorwerp zouden vormen van de willekeur van een plaatselijke directie. In dit verband kan ook nogmaals gezegd worden dat de kwaliteit van het onderwijs er toch is gekomen mét het bestaan van centrale regelgeving inzake personeelsmateries. » (COC, persconferentie, 26 augustus 2004)
Komt er ook meer flexibiliteit en deregulering van de diplomavereisten? Het gevaar is dan dat de lessen van mindere kwaliteit zullen zijn (niet noodzakelijk meer gegeven door vakspecialisten) en dat een grotere druk op de leerkracht wordt gelegd, die verplicht wordt méér vakken te geven.
Op alle onderwijsniveaus klaagt het personeel over de toenemende werkdruk en stress. Vanaf september 2004 gaan in het secundair en het volwassenenonderwijs de functieomschrijvingen van het personeel van start. Zij worden later gelinkt aan evaluatie. Ze worden lokaal opgesteld en onderhandeld, met alle willekeur vandien. De overheid komt daar niet in tussen. We zijn benieuwd naar de initiatieven die de overheid op dat vlak gaat nemen, zodat het onderwijspersoneel zich kan ‘concentreren op zijn kerntaken’ en ‘de planlast vermindert’. Bv. in het kader van CAO VII, zoals door de vorige minister, Marleen Vanderpoorten, was beloofd.

10. Vrijheid van onderwijs

We garanderen de vrijheid van onderwijs en de vrije keuze. (…) We houden vast aan de vrijheid van onderwijs in zijn dubbele betekenis. De rechten van de ouders moeten zodanig zijn dat de reële vrije keuze mogelijk is. Weinig voorkomende studierichtingen kunnen desgevallend via netoverschrijdende samenwerking o.a. d.m.v. convenanten worden gerealiseerd. De onderwijsvrijheid van de verstrekkers mag niet worden afgeremd.

De « vrijheid van onderwijs en de vrije keuze » zijn een belangrijk factor in het in stand houden van de sociale ongelijkheid. Gegoede ouders zoeken elitescholen en -opleidingen op en zijn bereid ervoor te betalen, minder gegoede ouders sturen hun kinderen naar gewone scholen met minder middelen. Het feit dat de overheid niet wil ingrijpen in de vrijheid van onderwijs en de vrije keuze toont aan dat zij niet van plan is werk te maken van het terugdringen van de sociale ongelijkheid. Bovendien is het bestaan van met elkaar concurrerende netten op een semi-markt ook een verspilling van overheidsgelden die nuttiger kunnen besteed worden. Wij pleiten voor één openbaar pluralistisch net waar de verschillende levensbeschouwingen aan bod kunnen komen.

11. Financiering van het onderwijs

Voor de werkingsmiddelen wordt afgestapt van het model van verhoudingen tussen de onderwijsnetten. Het tivoli-akkoord, m.b.t. de gelijke financiering van de onderwijsnetten voeren we correct uit. Aansluitend implementeren we stap voor stap een nieuwe financieringswijze die de gelijke financiering van elk kind met dezelfde noden zal bewerkstelligen op basis van leerlingenkenmerken (kenmerken die samenhangen met persoonlijke eigenschappen en de sociale context) en schoolgebonden kenmerken (grootte, studierichting, vrije keuze…). Elke school in eenzelfde situatie moet over gelijke middelen beschikken.
Het model van leerlingkenmerken en schoolgebonden criteria zal ook stapsgewijze en binnen het beschikbare budget worden toegepast op de berekening van de omkadering van basis- en secundair onderwijs.

Op het vlak van de financiering worden alle scholen en netten op gelijke voet geplaatst. Of onderwijs wordt georganiseerd door een privé-instantie of door een openbare instantie maakt geen verschil meer uit. Dezelfde criteria gelden voor alle scholen. Dit is een nieuwe stap in de lijn dat de overheid zelf onderwijs organiseren niet meer als een kerntaak ziet. Hierbij stapt de overheid af van het principe dat in de Schoolpactwet van 1959 was opgenomen dat het (vroegere) rijksonderwijs ‘naar behoeften gefinancierd’ wordt.
Door het Tivoli-akkoord (1998) worden de werkingsmiddelen van het gemeenschapsonderwijs tot 2007 niet meer geïndexeerd. De uitgespaarde middelen worden herverdeeld over het (vrij en officieel) gesubsidieerd onderwijs. Dit heeft voor gevolg dat de gemeenschapsscholen hun werking (schoolbenodigdheden, onderhoudspersoneel, leerlingenvervoer, enz.) niet meer kunnen bekostigen.
De concrete uitwerking van de financiering volgens ‘leerlingen- en schoolgebonden kernmerken’ is nog allesbehalve duidelijk.

12. Kosteloos basisonderwijs

Voor alle materies die stricto sensu gekoppeld zijn aan het bereiken van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen in het basisonderwijs, kunnen geen bijdragen gevraagd worden van de ouders. Wel zal de overheid duidelijkheid creëren over wat hieronder moet begrepen worden. Zo maken we het basisonderwijs stapsgewijs kosteloos, te beginnen met het 6de leerjaar en zo geleidelijk afdalend tot de eerste kleuterklas.
Over de bijdragen die aan ouders worden gevraagd in basisonderwijs en secundair onderwijs (o.a. extramurosactiviteiten tijdens de schooltijd) worden de nodige afspraken gemaakt tussen alle betrokkenen in de participatieorganen.

Het kleuter- en lager onderwijs volledig gratis maken kost 220 miljoen €, het middelbaar 400 miljoen € (Joost Bollens, HIVA, 2002 ). Zover wil de overheid echter niet gaan.
De kosteloosheid wordt gekoppeld aan het behalen van de eindtermen. Dit laat nog heel veel ruimte aan de scholen om bijdragen te vragen. Een voorbeeld: voormalig minister Vanderpoorten stelde dat ‘stricto sensu’ het behalen van de eindterm ‘kunnen zwemmen’ in één schooljaar lager onderwijs kan verworven worden. De school had de vrijheid te bepalen welk schooljaar hieronder viel. Voor het schoolzwemmen in de andere schooljaren kan dus wel een bijdrage gevraagd worden.
We zijn benieuwd over « de duidelijkheid die de overheid zal creëren over wat onder kosteloosheid begrepen moet worden ». Vele interessante activiteiten, zoals projecten, muzische activiteiten, enz. kosten extra geld. Vallen ze onder de eindtermen « stricto sensu »?
De overheid start met het 6de leerjaar, weliswaar het duurste leerjaar. Maar zal het dan 9 jaar duren alvorens heel het basisonderwijs kosteloos wordt? Over de kosteloosheid van het secundair onderwijs wordt met geen woord gerept.
Over de maximumfactuur (de bedragen die aan de ouders worden gevraagd) wordt overleg gestart. In het stedelijk onderwijs Antwerpen is ze reeds sinds dit schooljaar in voege. Ze geldt enkel voor leermateriaal en verplichte activiteiten (sport, cultuur, eendaagse uitstappen, enz.). Ze geldt niet voor klasfoto’s, middagtoezicht, enz. Het bedrag van de maximumfactuur is voor het kleuteronderwijs € 70, voor de 1ste graad lagere school € 100 €, voor de 2de graad € 150 en voor de 3de graad € 200.

13. Beleidsruimte

De beleidsruimte voor de Vlaamse regering om nieuwe dingen op te zetten is zeer beperkt: De eerste jaren moet telkens 150 miljoen € structureel worden bespaard. Pas in de tweede helft van de legislatuur komt er beleidsruimte. In 2007: 700 miljoen €; in 2008: 1500 miljoen en in 2009: 1850 miljoen, waarvan 337 miljoen € voor onderwijs of 18,2 % van de ruimte. Wat onvoldoende is om de reële noden te voldoen. Terwijl het onderwijsbudget nu 43 % van het totale Vlaamse budget bedraagt. Hieruit blijkt dat onderwijs zeker geen prioriteit is. Nergens wordt verwezen naar het optrekken van het onderwijsbudget tot 7 % van het BBP, het minimum dat onderwijs nodig heeft, zoals dit in het begin van de jaren ’80 het geval was. Wat blijft er over van de mooie beloften vóór de verkiezingen dat het onderwijsbudget flink omhoog moest?
Er zijn een aantal posten waar geld ‘projectgewijs’ (d.w.z. beetje bij beetje) voor voorzien wordt:
– kosteloos basisonderwijs : met alle beperkingen van dien, zie hoger.
– de schoolgebouwen en infrastructuur : « Hierbij worden de mogelijkheden van alternatieve financieringsinstrumenten ingeschakeld ». Wat hier opvalt is de publiek-private financiering.
– netoverschrijdend gratis leerlingenvervoer voor het basisonderwijs
– de hogescholen: « Op korte termijn voorzien we een eenmalige financiële injectie voor de hogescholen. We leggen een groeipad naar gelijke sociale toelagen voor het hoger onderwijs, zodat er op dat vlak geen onderscheid meer bestaat tussen de studenten van de hogescholen en die van de universiteiten. »
De commissie die « Accent op talent » voorbereidt, stelde voor om een « innovatiefonds » op te richten ten belope van 3% van het huidig onderwijsbudget. Tegen 2010 zou dat bedrag oplopen tot 250 miljoen euro. Dat betekent dat deze patronale commissie ongeveer twee derden van de voorziene budgettaire ruimte (337 miljoen euro) claimt.
ACOD-onderwijs: « Dit aanzienlijk bedrag zou beter aangewend worden voor:
– Het tot stand brengen van kleinere klasgroepen, wat ontegensprekelijk een positief effect zal hebben op het zittenblijven en tot een vermindering van het aantal schoolverlaters zonder diploma zal leiden;
– De verbetering van de infrastructuur;
– De aanschaf van modern didactisch materiaal en machines;
– Het aanwerven van personeel voor bijkomende taken. »
De onderhandelingen voor CAO VII (en later CAO VIII) beloven nog spannend te worden.