Het « tiers-mondisme » van de Wereldbank

Facebooktwittergoogle_plusmail

De jongste jaren luidt de Wereldbank herhaaldelijk de alarmklok over het analfabetisme in vele ontwikkelingslanden. Het falend onderwijsbeleid van deze regeringen wordt aangeklaagd. Hoe valt de interesse van de Wereldbank voor de onderwijsproblemen te verklaren? Van waar dit plots tiers-mondistisch militantisme?

Onderwijs is een markt

Laten we meteen tot de kern van de zaak komen. Het belangrijkste kenmerk van de evolutie van de onderwijssystemen op wereldvlak is de « vermarkting van het onderwijs ». Hieronder verstaan we het stroomlijnen van de opleidingssystemen volgens de verwachtingen van de markt. Deze aanpassing neemt verscheidene vormen aan. We kunnen drie grote oriëntaties onderscheiden.
Ten eerste: de evolutie van de arbeidsmarkt zet het patronaat aan om de school meer en meer te instrumentaliseren zodat ze beter beantwoordt aan de eisen van de ondernemingen qua vorming, meer bepaald voor grotere flexibiliteit. Deze eis vertaalt zich ondermeer in de verschuiving van kennis naar ‘vaardigheden’. Een verschuiving die we zowat overal meemaken. Ook zien we een toenemende dualisering van de opleidingsystemen als gevolg van de dualisering van de arbeidsmarkt.
Ten tweede: de patronale lobbies en hun dienaars (de Europese Unie bv.) verwachten dat de scholen de markten ondersteunen, als klant (afnemer van computers bv.) en als voorbereider van het toekomstig cliënteel (computeropleiding bv).
Ten derde: de ‘commercialisering’ als dusdanig. De multinationals beschouwen onderwijs en opleiding meer en meer als een markt. De mondiale omzet voor opleiding en onderwijs wordt op 2000 miljard dollar geschat, meer dan de omzet in de automobielindustrie. Het gaat om zo’n gigantische bedragen dat zelfs een gedeeltelijke privatisering van aard is heel wat winstgieren aan te trekken. Dat dit proces bezig is, zien we door de ontwikkeling van private scholen, de explosie van de markt van de educatieve software, de greep van de privé-sector op onderdelen van het onderwijs die traditioneel openbaar werden beheerd, zoals bv. de inspectie in het Verenigd Koninkrijk.

Liberalisering noodzakelijk

Om echt rendabel te worden moet deze markt de hele wereld omspannen. Vanuit het standpunt van de investeerders dringt het open gooien of liberalisering van deze markt zich dus op. Met de top van Seattle in het vooruitzicht, heeft de WHO (Wereldhandelsorganisatie) in 1998 een werkgroep samengesteld die de perspectieven van een versnelde liberalisering van de onderwijssector moest bestuderen. In haar rapport onderstreept deze werkgroep het belang van de snelle ontwikkeling van ‘afstandsonderwijs’ en van samenwerkingsverbanden tussen onderwijsinstellingen en ondernemingen uit de ICT-sector. De werkgroep drukt ook haar tevredenheid uit over de groeiende deregulering van het hoger onderwijs in Europa. Hij feliciteert de regeringen die « de exclusief publieke financiering van het onderwijs achter zich laten en zich meer verlaten op de markt door mechanismen van alternatieve financiering mogelijk te maken ». De Wereldhandelsorganisatie somt ook de talrijke « hindernissen » op die men moet opheffen om de handel in educatieve diensten vrij te maken: « de maatregelen die rechtstreekse investeringen door buitenlandse leveranciers van opleiding beperken, het bestaan van overheidsmonopolies en van onderwijsinstellingen die ruim gesubsidieerd worden door de staat ».

Privatiseren waar het kan

In Europa dwingt het syndicalisme van het onderwijzend personeel en de alertheid van vele studentenbewegingen de vertegenwoordigers van het liberalisme om voorzichtig te werk te gaan. In de Derde Wereld kunnen ze meer radicale methodes hanteren. Hier is het niet nodig de zaak met fluwelen handschoenen aan te pakken. Wat zegt de Wereldbank? Er is veel analfabetisme? Wel, dan moeten de regeringen zich concentreren op het lager onderwijs. « Men moet de openbare budgetten besteden waar ze het meest rendabel zijn en dat is over het algemeen het basisonderwijs » (1) Ja maar, zal men zeggen, de staten beschikken over weinig middelen. Als ze investeren in het lager, dan is dat ten koste van het middelbaar en het hoger onderwijs. De Wereldbank heeft daar aan gedacht. Wat is de oplossing? Als de regeringen van de Derde Wereld geen budgetten hebben om het middelbaar en het hoger onderwijs te subsidiëren, dan moeten ze zich maar concentreren op het basisonderwijs en het middelbaar en hoger onderwijs overlaten aan de goede zorgen van de privé-sector.
Ben ik nu bezig een intentieproces te maken van de Wereldbank? Neen. De strategie van de Wereldbank zit logisch in elkaar.
Eerste fase: de verhoging van de financiële bijdrage van de studenten. Na eerst een pleidooi te hebben gehouden voor gratis basisonderwijs, stelt de Wereldbank voor « een selectief inschrijvingsrecht in te voeren op het niveau van de tweede cyclus van het secundair onderwijs » en « een inschrijvingsrecht in alle openbare instellingen voor hoger onderwijs » (1). Het is vanzelfsprekend dat zulk een maatregel enkel enkel de ongelijkheden in het onderwijs kan vergroten door de jongeren uit te sluiten waarvan de ouders deze kosten niet kunnen betalen.
Tweede fase: een grotere autonomie voor de plaatselijke autoriteiten. Het doel is « aan de scholen een grotere vrijheid te geven om hun budgetten te besteden » Zou elke gelijkenis met de politiek in het Noorden enkel toevallig zijn?
Derde fase: « het beroep doen op de privé-sector aanmoedigen, hetzij om private scholen te financieren, hetzij om te zorgen voor een complement op de inkomsten van de openbare instellingen » (1)
De eerste fase had enkel tot doel « oneerlijke concurrentie » tussen de openbare en private instellingen te vermijden. De tweede is noodzakelijk om de publieke onderwijsinstellingen te laten beroep doen op de privé-sector. Maar zoals men ziet, gaan de voorstellen veel verder dan een « samenwerking » tussen openbare en privé-scholen want er is sprake van pure privé-scholen.

De rol van de Wereldbank

Natuurlijk moeten de potentiële investeerders hun strategie aanpassen aan de plaatselijke situatie die ze eerst goed moeten kennen. Ze kunnen daarvoor rekenen op steun van de Wereldbank. Een filiaal van de Wereldbank, de Internationale Financieringsmaatschappij, organiseerde in Washington in juni 1999 een conferentie met de veelzeggende titel « opportuniteiten voor investeringen in het privé-onderwijs in de ontwikkelingslanden ». De Wereldbank heeft de dienst Edinvest opgericht die « informatie verschaft om private investeringen op grote schaal mogelijk te maken » (2) De Wereldbank heeft ook Privatization Link in het leven geroepen die als doel heeft « informatie te verschaffen over de privatiseringen in de ontwikkelingslanden ten behoeve van de professionelen van de privatisering in de gehele wereld » (2). De doeleinden zijn duidelijk: « Volgens mij is het potentieel aan rendement en winst zeer hoog. Wij denken dat het de echte industrie van de volgende tien jaar zal zijn », verklaarde Javed Hamid, verantwoordelijke van de Internationale Financieringsmaatschappij voor Oost-Azië en de Stille Oceaan. Anders gezegd: er zullen nog meer uitgeslotenen en meer ongelijkheden inzake toegang tot kennis ontstaan. Maar dat is de prijs die we moeten betalen om de winsten te verhogen.

Desastreuze gevolgen

In de handen van de privé zal bovendien enkel de « nuttige » kennis bestaansrecht hebben. Nuttig in de zin van de productiviteit wel te verstaan. Het instrumentaliseren van de school zal dus onvermijdelijk worden als het privatiseringsproces niet gestopt wordt. Hele stukken cultuur en wetenschappen die door de mensheid werden geaccumuleerd dreigen te verdwijnen. Ook een deel van de geschiedenis van de Mens. Welk onderwijs hebben de landen van de Derde Wereld nodig? In feite hebben de jongeren van het Noorden en het Zuiden dezelfde onderwijsbehoeften. Ze moeten de noodzakelijke basis verwerven om een job te kunnen uitoefenen en ook een algemene vorming krijgen die toelaat de wereld te begrijpen in al zijn aspecten: natuurwetenschappelijk, technologisch, artistiek, literair, historisch … Het is belangrijk dat ze inzicht krijgen in de uitbuitingsmechanismen van het kolonialisme en het neo-kolonialisme. Voor de jongeren van het zuidelijk halfrond is dat van vitaal belang. Om hun collectieve waardigheid te verkrijgen door hun aandeel in de geschiedenis te ontdekken, en om de noodzakelijke instrumenten te verwerven om zich tegen het neokolonialisme en de westerse uitbuiting te verzetten. Ik durf wedden dat ze daarvoor niet moeten rekenen op een onderwijs in handen van de multinationals.

Welke keuze?

Men zal opwerpen dat de landen van het zuidelijk halfrond niet verplicht zijn om hun onderwijs te verkopen. Ze kunnen tenslotte de keuze maken om een openbaar democratisch onderwijs te organiseren. Voor de Wereldbank is dat geen optie. « De vitale vraag is niet of niet-regeringsgebonden actoren al dan niet een grote rol zullen spelen in de organisatie van het onderwijs – dat is een vaststaand feit – maar hoe deze ontwikkelingen geïntegreerd kunnen worden in de globale strategieën van de naties » (2) De Wereldbank gebruikt inslaande argumenten: « De landen die bereid zijn om voor het hoger onderwijs een wetgevend en reglementair kader aan te nemen die een institutionele gedifferencieerde structuur en een basis voor verscheidene financieringsbronnen mogelijk maakt waardoor de privé-sector zal kunnen tussenbeide komen op het gebied van de financiering van het onderwijs, zullen de prioriteit krijgen » (1).
Vrij vertaald: als je niet onze aanbevelingen volgt, zal je geen hulp meer ontvangen! We vinden hier het mechanisme van de schuldenlast als dictaat tegenover de Derde Wereld terug. Als ze verkiezen zich niet aan dat dictaat te onderwerpen, blijft er hen slechts één keuze: de onrechtvaardige regels van de globale kapitalistische economie weigeren en zich wijden aan de ontwikkeling van hun eigen volk. Die keuze is niet gemakkelijk want de druk is enorm, zoals het voorbeeld van Cuba aantoont. Hoe meer deze voorbeelden zich vermenigvuldigen, hoe meer deze landen samenwerken, des te beter zullen ze zich kunnen verdedigen tegen de arrogantie van het imperialistische Noorden. Het is ook waar dat de progressieven van het Noorden hen kunnen steunen. Door zich te verzetten tegen het imperialisme van hun eigen regeringen en tegen het ‘vermarktingsproces’.

Alle citaten komen uit:
(1) Priorités et Stratégies pour l’éducation, The international Bank for Reconstruction and Development, 95
(2) Education vector strategy, World Bank, 07/99