Het geheim achter het Estse succes

 

Ruim tien jaar geleden begon de opmars van een kleine Baltische staat: Estland, anderhalve keer de grootte van België, 1,3 miljoen inwoners rijk. De resultaten van de PISA-toetsen van 2015 betekenden een absolute doorbraak. Estland behaalde wereldwijd de derde plaats voor wetenschappen, voorafgegaan door Singapore en Japan. Onderwijskampioen Finland, in het begin van het millenium het absolute gidsland, begint aan een neerwaartse spiraal. De resultaten van 2018 werden voor Estland een historisch hoogtepunt met de eerste plaats in Europa voor de drie disciplines. In 2022 en 2025 heeft het die eerste plaats aangehouden voor wiskunde en wetenschappen en deelde het met Ierland de eerste plaats voor leesvaardigheid. In de nieuwe testcategorie Computational Problem-Solving (digitaal probleemoplossend denken) scoorde het land eveneens uitmuntend (1e in Europa, 7e wereldwijd). Maar er is meer. Het land is inderdaad zowel kampioen op het vlak van leesprestaties, wiskunde en wetenschappen, maar is ook het OESO-land waar de sociaaleconomische context de kleinste impact heeft op de prestaties van leerlingen. Estland stoot dus Finland en de andere Skandinavische landen van de troon. Het weet excellentie en sociale gelijkheid te combineren. Dat maakt het bijzonder interessant.

Een brede maatschappelijke consensus over het belang van onderwijs

Historisch gezien heeft onderwijs steeds een belangrijke rol gespeeld in Estland. Het werd gezien als de belangrijkste sport op de sociale ladder en een middel om de nationale identiteit te behouden. Deze culturele herinnering leeft voort in de hoge verwachtingen die worden gesteld aan leerlingen, docenten en scholen.[1] Leren en studeren is er “heilig”.[2] De Estse leerkrachten en scholen speelden een belangrijke rol in het behoud van taal en culturele tradities. Vandaag behoort het aantal boeken in Estse huishoudens tot de hoogste aantallen wereldwijd.[3]

In augustus 1991 werd Estland onafhankelijk. Eind december 1991 viel de Sovjet-Unie definitief uit elkaar. Als land met een relatief kleine bevolking, zonder natuurlijke rijkdommen en met een rampzalige economische toestand besloot het volop in te zetten op de uitbouw van het onderwijs: menselijk kapitaal werd gezien als de belangrijkste grondstof.[4]

Estland en PISA: randbemerkingen bij de analyse van de prestaties

Ovds heeft steeds benadrukt dat we de PISA-testen kritisch moeten benaderen als instrument voor de vergelijking van de globale prestaties van onderwijssystemen.

PISA meet slechts bepaalde disciplines en competenties die prioritair zijn in de ogen van de OESO die deze onderzoeken financiert. Een internationale studie over andere onderwerpen – geschiedenis, aardrijkskunde, literatuur, filosofie, technologie, economie… – zou dus mogelijk tot heel andere rangschikkingen kunnen leiden.[5]

De Estse onderwijsstrategie die werd uitgewerkt in 2014 maakte van de prestaties op de PISA-toetsen uitdrukkelijk een na te streven doel waarop men het onderwijsbeleid moet richten. PISA is dan niet langer een meetinstrument maar een richting waarin men het onderwijssysteem stuurt.

De leerprocessen zijn gericht op de competenties die PISA evalueert. De nadruk ligt daarom op lees-, wiskunde- en wetenschapscompetenties. De leerlingen zijn gewend aan een evaluatiemethode die eigen is aan dat internationale onderzoek; de leerplannen bevatten PISA-vragenlijsten als voorbeelden om in de klas te oefenen.

Een stevige verklaring voor de huidige successen vinden we ongetwijfeld in het vroegere Sovjet-onderwijssysteem.[6] Estland keerde bij zijn onafhankelijkheid het communisme definitief de rug toe en begon stap voor stap aan de modernisering van zijn onderwijs, zonder echter het kind met het badwater weg te gooien. Zo bleef het voorschools kleuteronderricht een belangrijke plaats innemen. Het onderwijs in de verschillende disciplines, dat in Estland een lange geschiedenis kende, raakte tijdens het Sovjettijdperk stevig verankerd, met wiskunde en natuurwetenschappen als hoogste prioriteit. Waar in andere landen begin deze eeuw de nadruk op kennis onder druk kwam te staan ten voordele van het competentiegericht onderwijs, bleef Estland relatief sterk inzetten op een coherent curriculum. Het nationale leerplan heeft tot doel elke leerling een stevige academische basis te bieden. “Onderzoekers wijzen erop dat de hoge lees-, wiskunde- en wetenschapsscores niet los kunnen worden gezien van die stevige inhoudelijke basis”, merkt Pedro De Bruyckere op.[7] Het hoofd van het University Centre for Innovation in Education bekende aan een Nederlandse delegatie op bezoek in Estland: ‘Onze docenten zijn over het algemeen vrouwen van in de 50, opgegroeid en geschoold in het Sovjetsysteem. Ze zijn goed in het drillen van leerlingen in taal en rekenen. Dat is het geheim van ons PISA-succes.’[8]

Kampioen in gelijke kansen

Hoewel zeer kritisch te benaderen, leveren de PISA-resultaten wel een erg nuttige databank om de gelijkheid van de verschillende onderwijssystemen te analyseren. Zo kunnen we jaar na jaar vaststellen dat België, zowel aan Franstalige als aan Nederlandstalige kant, helaas bij de kopgroep hoort op het vlak van onderwijsongelijkheid.

Aan de andere kant van die schaal staat Estland, kampioen op het vlak van onderwijsgelijkheid. In dat land heeft de sociaaleconomische context dus de kleinste impact op de prestaties van leerlingen. Opvallend daarbij is dat niet alleen de sterkste leerlingen goed presteren, maar ook relatief weinig leerlingen onder het basisniveau uitvallen. Pedro De Bruyckere legt uit: “Vaak focussen we namelijk op de gemiddelde scores. Maar een hoog gemiddelde kan ook het gevolg zijn van een beperkte groep excellente leerlingen, of van net een ruime groep zoals we ooit in Vlaanderen hadden. De echte kracht van Estland lijkt eerder te liggen in de combinatie van hoge gemiddelden én een relatief kleine groep laagpresteerders.”[9] Deze kracht wijt hij aan het sterke kleuteronderwijs en de vroege ondersteuning van leerlingen die moeite hebben. Vrijwel alle Estse kinderen volgen kleuteronderwijs en scholen beschikken over ondersteunende diensten zoals psychologen, logopedisten en sociale pedagogen. Extra ondersteuning wordt meestal aangeboden binnen het reguliere onderwijs. En tenslotte is er het gemeenschappelijk curriculum tot 15 jaar, waardoor er omzeggens geen vroege selectie van leerlingen is.

Een gedecentraliseerd onderwijssysteem gebaseerd op autonomie

Het Ministerie van Onderwijs en Onderzoek heeft als voornaamste opdracht de langetermijnontwikkelingen van het onderwijssysteem te begeleiden door nationale normen voor de verschillende onderwijsniveaus vast te leggen. Zo waarborgt het de kwaliteit van het onderwijsaanbod, legt het de financieringsprincipes vast en ontwikkelt het een nationaal evaluatiesysteem.

Volgens de wet op de basisscholen en de hogere secundaire scholen[10] beschikt een school over een eigen begroting en staat “de eigenaar” van de school in voor de uitgaven. De meeste scholen zijn gemeentelijke scholen (zowel landelijk als stedelijk). Hun uitgaven worden gedekt door de begroting van de lokale overheid. De uitgaven van de staatsscholen – scholen die door de staat worden georganiseerd, zeer in de minderheid – worden gedekt door de begroting van het Ministerie van Onderwijs en Onderzoek, die van de particuliere scholen (11% van alle scholen) door een privaatrechtelijke rechtspersoon.

Volgens de cijfers van 2023 besteedt Estland 6,3 procent van het bbp aan onderwijs. Het aantal leerlingen bepaalt het bedrag aan openbare subsidies dat de staatsbegroting aan de gemeenten toekent. Deze subsidies dekken de uitgaven voor lerarensalarissen, sociale bijdragen, opleiding en handboeken. 1% van het salarisbudget van de school gaat naar de bijscholing van leraren. Kleuterscholen zijn meestal eigendom van de gemeente en worden daarom gefinancierd uit de begroting van de lokale overheid. Ook ouders dragen bij aan de kosten.[11]

Op het lagere niveau zijn de scholen zeer autonoom, aangezien 70% van de beslissingen op schoolniveau wordt genomen. Zo beheert de directeur de human resources, de verdeling van het budget dat aan zijn school is toegewezen en het hele pedagogische aspect, zoals de keuze van leerplannen en materiaal. Het nationaal vastgelegd curriculum geeft scholen immers voldoende vrijdheid om hun eigen leerplannen te ontwikkelen. Deze autonomie gaat gepaard met een contractuele band tussen de gemeenten en de schooldirecteuren. Vertrouwen staat centraal in het proces. De autonomie is niet onderworpen aan een versterkte externe controle. De school en het pedagogisch team kiezen hun zelfevaluatiemethode en de indicatoren die worden weerhouden op basis van de specifieke kenmerken van de school. Om hen bij die taak te helpen, worden in het basisonderwijs “steekproeftoetsen” afgenomen, een soort externe niet-certificerende proeven. Deze toetsen worden ontworpen door het Ministerie van Onderwijs en dienen voor scholen, gemeenten en het Ministerie om prestaties te evalueren en het onderwijsbeleid te sturen. Estland kent geen “schoolinspectie” in de zin zoals wij die kennen. Individuele inspecties van scholen zijn voorbehouden voor elke aanvraag tot machtiging om onderwijs te verstrekken of in geval van een klacht.

“Leraren worden dus niet gezien als uitvoerders van centraal opgelegde scripts, maar als professionals die binnen duidelijke kaders zelf keuzes kunnen maken” aldus Pedro De Bruyckere.[12]

Een voorschoolse opvang van hoge kwaliteit

In Estland geldt de leerplicht vanaf 7 jaar, die duurt tot het behalen van het certificaat van basisonderwijs (15 jaar) of totdat de leerling de leeftijd van 17 jaar bereikt.

De lokale overheden zijn echter verplicht om, indien de ouders dat wensen, alle kinderen van 1,5 tot 7 jaar de mogelijkheid te bieden om naar een voorschoolse opvang te gaan. Zo kunnen kinderen jonger dan 4 jaar in crèches of opvangcentra terecht die grotendeels door de lokale overheden worden gefinancierd (de ouders ontvangen een toelage die per regio verschilt). Kinderen tussen 4 en 7 jaar worden op hun beurt opgevangen in centra voor kleuteronderwijs, die eveneens door de lokale overheden worden gesubsidieerd. Leerkrachten die in deze centra werken, moeten in het bezit zijn van een bachelordiploma in „kleuteronderwijs“ en moeten het nationale programma volgen dat de nadruk legt op zeven aspecten van de ontwikkeling van het kind, waaronder kunst, muziek, motoriek, taal en wiskunde.

In Estland is voorschools onderwijs niet alleen kinderopvang, maar ook een onderdeel van het leerproces met een leerplan en inhoudelijke en methodische activiteiten. Hoewel kinderen pas op de relatief late leeftijd van 7 jaar naar school gaan, doen Estse kinderen veel van de activiteiten die in andere landen op school plaatsvinden, op de kleuterschool in een meer speelse en ontspannen omgeving. De meeste kinderen kunnen al lezen en schrijven wanneer ze aan het eerste leerjaar beginnen.[13]

Van de 4- tot 7-jarigen neemt 94% deel aan de activiteiten van voorschoolse instellingen.

Bovendien wordt er speciale aandacht besteed aan kinderen die thuis geen Ests spreken: voor deze kinderen wordt vanaf de leeftijd van 3 jaar een leerprogramma opgezet, zodat ze goed voorbereid zijn op hun start in het verplicht onderwijs.

Een school voor iedereen

Voor elk kind in de leerplichtleeftijd zorgt de gemeente van woonplaats voor een plaats op de school die het dichtst bij huis ligt. Er wordt ook rekening gehouden met de school die de andere kinderen uit hetzelfde gezin bezoeken en, indien mogelijk, met de wensen van de ouders. De scholen zijn op hun beurt verplicht alle kinderen te accepteren die aan hen zijn toegewezen.

Ouders kunnen echter vragen om naar een andere instelling te gaan: een andere school in de buurt als daar plaats is, een “selectieve” school (een school met toegangsexamens) of een privéschool.

Deze scholen volgen hetzelfde nationale leerplan, ongeacht hun geografische ligging. Zowel openbare als particuliere scholen moeten in principe aan dezelfde eisen voldoen. Ondanks het feit dat er geen elitair privéschoolsysteem is, ontsnapt Estland er niet aan dat families met hogere salarissen vaak verhuizen om in de buurt van “de beste” scholen te wonen, waardoor anderen buiten de boot vallen. ‘Dit is een trend die me zorgen baart omdat hij ingaat tegen de redenen waarom ons onderwijssysteem zo sterk is – gelijkheid is belangrijk,’ zegt minister van Onderwijs Kallas.[14]

De financiering van het onderwijs is erop gericht gelijke kansen voor alle leerlingen te waarborgen.[15] Concrete beleidsmaatregelen hierbij zijn gratis schoolmaaltijden en lesmateriaal, inclusief onderwijs vanaf de kleuterschool, gratis vervoer van en naar school, gratis gezondheidszorg, ondersteuning bij deelname aan buitenschoolse activiteiten en financieringsformules die zijn ontworpen om de gevolgen van lokale inkomensverschillen tot een minimum te beperken.

Het hele systeem is “evidence based”. Scholen gebruiken systematisch verzamelde gegevens voor zelfevaluatie en benchmarking. Nationale toetsen richten zich niet alleen op academische resultaten, maar ook op welzijn en algemene competenties. Het verband tussen gezinsachtergrond en leerprestaties is zwakker dan in veel andere landen, hoewel recente gegevens erop wijzen dat deze kloof begint te groeien. Het beleid zou er een prioriteit van maken om deze kloof aan te pakken… [16]

Een echte gemeenschappelijke basisvorming van lange duur

Het basisonderwijs („põhiharidus“) duurt 9 jaar – van 7 tot 15 jaar – en wordt grotendeels door de overheid verzorgd (zie hierboven).[17] Gewoonlijk worden het lager onderwijs en het lager secundair onderwijs samengevoegd tot één onderwijsfase in “basisscholen”. De leerjaren 1 tot en met 6 kunnen echter soms ook in aparte scholen worden aangeboden, wat zorgt voor een betere toegankelijkheid voor leerlingen uit plattelandsgebieden in een land met 29 inwoners per vierkante kilometer.

Door deze negen schooljaren samen te voegen, wordt een te abrupte overgang tussen het basisonderwijs en het begin van het voortgezet onderwijs voorkomen. Bovendien zou de instroom in de lagere middelbare school op een school die uitsluitend beroepsgerichte opleidingen in de hogere middelbare school aanbiedt, de leerling nog meer voorbestemmen om deze beroepsgerichte richting in de verdere loop van zijn of haar opleiding te volgen. De scheiding maakt het dus mogelijk een zekere mate van determinisme te vermijden.

Een veelzijdige basisvorming

Naast de “klassieke” vakken hecht het Ests onderwijs veel belang aan burgerschapsvorming en technologie, in het bijzonder ICT. De verplichte vakken binnen het gemeenschappelijk kerncurriculum variëren niet binnen eenzelfde ‘niveau’[18] maar er komen gaandeweg nieuwe vakken bij, in overeenstemming met de cognitieve ontwikkeling van de leerlingen. Zo krijgen kinderen van 7 tot 9 jaar (niveau 1) allemaal een vooraf vastgesteld aantal uren Ests, wiskunde, natuurwetenschappen, een vreemde taal (naar keuze: Russisch, Engels, Frans of Duits), maar ook een vast aantal uren mens- en maatschappijwetenschappen, kunst, muziek, lichamelijke opvoeding en beroeps- en technologische vorming. Op niveau 2 komen daar nog andere vakken bij (geschiedenis, een tweede vreemde taal) en op niveau 3 nog meer (natuurkunde, biologie, scheikunde, aardrijkskunde). Dit verplichte leerplan garandeert dus een echte gemeenschappelijke kern gedurende de volledige negen jaren van het basisonderwijs, waardoor alle leerlingen, ongeacht hun sociale achtergrond, dezelfde algemene vorming krijgen.

Ook de burgerschapsvorming wordt in deze gemeenschappelijke kern niet vergeten. Het vakgebied „mens- en maatschappijwetenschappen“ omvat immers zowel lessen geschiedenis als lessen in persoonlijke, sociale en gezondheidsvorming en lessen in burgerschapsvorming. Deze lessen maken het bijvoorbeeld mogelijk om het vermogen te ontwikkelen om de oorzaken en gevolgen van veranderingen in de samenleving te begrijpen, te leren een eigen mening te vormen, te leren een actieve en verantwoordelijke burger te zijn, een zekere interesse voor het milieu te ontwikkelen of begrippen als vrijheid, menselijke waardigheid en gelijkheid te koesteren…[19]

Het domein technologie stelt leerlingen in staat om de beschikbare technische oplossingen te kiezen en te analyseren en de daarmee samenhangende gevolgen en risico’s te identificeren, de basisprincipes van gezonde voeding toe te passen, huishoudelijke taken uit te voeren, inzicht te krijgen in vroegere en huidige beroepen die verband houden met technologie, of kennis te maken met opleidingsmogelijkheden op het gebied van productie en verwerking.

Estland bouwde veel vroeger dan andere landen ervaring op met digitale technologie in het onderwijs. In de jaren 1990 lanceerde het het “Tiger Leap-programma”, dat internettoegang en digitale infrastructuur naar alle scholen bracht. Aangenomen wordt dat dit één van de redenen is waarom Estland relatief goed uit de COVID-crisis is gekomen. Waar veel Europese landen tijdens de lockdowns worstelden met haperende systemen, kon de Baltische staat dankzij jarenlange investeringen in zijn e-Estonia-infrastructuur vrijwel direct volledig digitaal doorschakelen.[20] Maar, merkt Pedro De Bruyckere op, “het succes van Estland komt niet voort uit technologie op zich. De digitalisering volgde eerder op een bestaande onderwijsvisie dan dat ze die verving. Technologie werd een hulpmiddel binnen onderwijs, geen doel op zich.” Estland is nu aan een nieuw project begonnen: AI Leap 2025. Leerlingen en leraren krijgen op grote schaal toegang tot generatieve AI-toepassingen, gecombineerd met opleiding rond AI-geletterdheid en kritisch gebruik van deze technologie.[21]

Ten slotte is er het vakgebied beroepsoriëntatie dat de leerlingen in staat moet stellen zich beter te oriënteren dankzij een betere kennis van zichzelf, van beroepen en van opleidingsmogelijkheden.

Pedagogische opvang na schooltijd

De schooldag van leerlingen in het basisonderwijs (groep 1 tot en met 9) varieert per leerjaar. Zo hebben 7-jarige leerlingen in groep 1 doorgaans les van 8.30 tot 14.20 uur of tot 12.00 uur. Leerlingen van 15 jaar, in klas 9, hebben daarentegen iets langere schooldagen die over het algemeen rond 15.00 uur eindigen.

De opvang van de kinderen houdt echter niet op aan het einde van het laatste lesuur. De Estse regering hecht namelijk veel belang aan buitenschoolse activiteiten die ofwel op school ofwel in „vrijetijdsscholen“ plaatsvinden. Zo organiseert de directeur, op verzoek van de ouders, op school “langedaggroepen“ („Pikapäevarühmad“) waarvoor de leerlingen zich kunnen inschrijven. De activiteiten bestrijken verschillende gebieden: leerondersteuning, kunst, natuur, muziek, dans, technologie, sport, algemene vorming, …. Deze activiteiten zijn ook beschikbaar in gemeentelijke of particuliere ‘vrijetijdsscholen’, waar soortgelijke activiteiten worden aangeboden.

Alle organisaties die deze buitenschoolse activiteiten verzorgen, zijn gecertificeerd door het Estse Ministerie van Onderwijs en Onderzoek. Op federaal niveau is er een wettelijk kader vastgelegd in de ‘Basic Schools and Upper Secondary Schools Act’.[22]

In een „Procedure ter ondersteuning van onderwijs en vrijetijdsactiviteiten“ worden door de gemeentes de hoeveelheid subsidies en de verschillende maatregelen voor de burgers vastgelegd. Zonder de financiële steun van de gemeente zouden deze buitenschoolse activiteiten niet voor iedereen toegankelijk zijn en zouden ze een belangrijke oorzaak van ongelijkheid vormen. Zo dekt de kleine plattelandsgemeente Kose in het noorden van Estland 100% van de kosten en biedt zij eventueel vervoer naar de vrijetijdsscholen aan (zoals in vrijwel alle gemeenten).

Deze buitenschoolse begeleiding, een vorm van de door Ovds voorgestelde “brede, open school”, lijkt ons van fundamenteel belang: de school wordt zo buiten de lessen een open leefruimte die een verscheidenheid aan activiteiten aanbiedt, gaande van huiswerkbegeleiding tot sport, knutselen, tuinieren, dans of cultuur. En dit alles gesubsidieerd door de gemeentelijke overheden…

Een drukbezocht hoger secundair onderwijs

Na het certificaat van negen jaren basisonderwijs hebben leerlingen twee keuzes: het gymnasium („gümnaasium”) om een algemene opleiding te volgen, of een instelling voor beroepsonderwijs („kutseõppeasutus”). Beide trajecten van het hoger secundair onderwijs duren drie jaar. 70 % van de leerlingen zet zijn opleiding voort in het algemeen hoger secundair onderwijs en slechts 26 % kiest voor een beroepsopleiding.[23] Aan einde van dit hoger secundair onderwijs behalen alle Estse leerlingen hetzelfde kwalificatieniveau 4 van het EKK (Europees kwalificatiekader), wat hen het recht geeft om hoger onderwijs te volgen. Deze gelijkwaardigheid van het kwalificatieniveau zorgt ervoor dat de ongelijkheden tussen de twee trajecten niet worden vergroot en dat het beroepsonderwijs minder wordt gedevalueerd. Estland maakt trouwens plannen voor een toekomst waarin het onderscheid tussen algemeen vormend en beroepsonderwijs nog kleiner wordt. Momenteel volgen leerlingen afzonderlijke academische en beroepsscholen. Er wordt overwogen om leerlingen binnen dezelfde school keuzevakken van beide soorten te laten kiezen. Alle leerlingen zouden naar een zelfde algemene middelbare school gaan en binnen die school kiezen of ze een academische of een beroepsopleiding willen volgen.[24]

De toekomst

Estland bewijst dat sociale gelijkheid en goede prestaties kunnen samengaan. De toekomst zal uitwijzen of het land deze weg zal kunnen blijven bewandelen. Vast staat dat het land voor enkele belangrijke uitdagingen staat. We citeren er enkele:

Estland heeft bewust aanzienlijke beslissingsbevoegdheid aan scholen en leerkrachten toegekend. Deze autonomie is een pijler van het systeem. Desalniettemin zou “uit gesprekken blijken dat deze autonomie steeds meer onder vuur ligt en de neiging bij de overheid bestaat meer te willen controleren”…[25]

Estland kampt net als veel andere Europese landen met een verouderend lerarenkorps, toenemende tekorten en uitdagingen om voldoende jonge leraren aan te trekken. Hoewel leraren en scholen maatschappelijk hoog gewaardeerd worden, is dat respect binnen het beroep zelf niet altijd voelbaar. Het gemiddelde lerarensalaris ligt onder het OESO-gemiddelde en onder dat van Esten met een vergelijkbare opleiding. In 2020 stemde het parlement wel in met een salarisverhoging van bijna 46% over vier jaar, maar het beroep blijft voor jonge Esten – vooral bij mannen – weinig aantrekkelijk; zij kiezen vaker voor sectoren met betere perspectieven, zoals technologie. 84 % van de leerkrachten is vrouw (hoger dan het OESO-gemiddelde: 70 %). Het percentage vrouwelijke leerkrachten is tussen 2018 en 2024 niet veranderd.[26] De regering probeert het lerarentekort (vooral in wiskunde, natuurwetenschappen en op het platteland) en het afnemende prestige van het beroep aan te pakken.[27] “In welke mate zijn de huidige prestaties nog een erfenis van een generatie leraren die opgroeide in een periode waarin onderwijs een bijzonder sterke maatschappelijke opdracht had?”, vraagt Pedro De Bruyckere zich af.[28]

Estland voert een grootschalige onderwijshervorming door: al het openbare onderwijs moet in het Ests worden gegeven. Doel is de integratie van de Russische minderheid te bevorderen en de invloed van Rusland te beperken, maar de maatregel stuit op veel kritiek in de Russischtalige gemeenschap. Veel Russischsprekenden hebben onvoldoende Estse taalvaardigheid, waardoor ze minder carrière- en doorgroeikansen hebben. Een goede kennis van het Ests is nodig voor universitaire studies en in veel beroepen. Esten van Russische afkomst zijn vaker werkloos, hebben gemiddeld een lager inkomen en beoordelen hun gezondheid slechter. Bij deze operatie worden ook veel leraren getroffen: sinds dit schooljaar moeten leraren minstens niveau B2 Ests beheersen om te mogen blijven lesgeven. Minister Kallas verwacht dat een op de zeven leraren – zo’n 2500 – vervangen moet worden. Veel getroffen leraren halen die norm niet en krijgen geen verlengd contract. Ze gaan dus, indien op leeftijd, met pensioen of moeten van beroep veranderen. Vaak worden ze vervangen door minder ervaren leraren of zij-instromers.[29]

Estse jongeren mogen dan wel topprestaties neerzetten, met hun welbevinden en motivatie gaat het echter niet de goede kant uit. De verwachtingen van leraars, ouders en maatschappij liggen bijzonder hoog wat leidt tot burn-out en stress.[30] Een derde van de Estse jongeren zou wekelijks gevoelens hebben van depressie en somberheid.[31] En alhoewel studenten geen inschrijvingsgeld moeten betalen, gaat het behalen van een diploma hoger onderwijs voor vele studenten gepaard met hoge kosten, vooral voor studenten uit het platteland en voor wie niet op steun van zijn ouders kan rekenen. Werken tijdens de studies, met stress en vermoeidheid vandien, is daarom voor velen geen keuze maar een noodzaak.[32] Tenslotte is er de grote faalangst en academische achterstand bij studenten van wie het Ests niet de moedertaal is. Door de omschakeling naar het Ests als enige instructietaal moeten zij nu complexe vakken volgen in een taal die ze nog onvoldoende beheersen.[33]

De Estse overheid wil de problemen aanpakken door structurele veranderingen door te voeren. Zo worden vanaf het schooljaar 2025/2026 gedrag en vlijt niet meer numeriek beoordeeld om zo de focus te verschuiven van externe druk (cijfers) naar intrinsieke motivatie en persoonlijke ontwikkeling. Ook worden de maximale studietoelagen verhoogd om de financiële stress te verlichten.[34]

Een boeiend experiment!

Cécile Gorré, Romy Aerts

  1. Estonia’s education success : the school model behind it (15 januari 2026). Zie https://www.educationestonia.org/estonian-school-model/ geraadpleegd op 17.9.2026 ↑
  2. Zie https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/estland-heeft-de-slimste-pubers-van-europa-want-onderwijs-is-in-estland-een-religie~b031b044/ ↑
  3. How Estonia is building a world class learning system (26 mei 2024) Zie https://worldclasslearningsystems.com/how-estonia-is-building-a-world-class-learning-system/ geraadpleegd op 17.9.2026 ↑
  4. Pedro De Bruyckere, Onderwijs in Estland: meer dan alleen PISA-scores. SamPol Zomerreeks 2026. Zie https://sampol.be/2026/07/onderwijs-in-estland-meer-dan-alleen-pisa-scores ↑
  5. Nico Hirtt, “Petites leçons de PISA 2018 : inégalités, ségrégations et marché scolaire”. Zie https://www.skolo.org/2019/12/09/inegalites-segregations-marche-scolaire-petites-lecons-de-pisa-2018/ ↑
  6. Johanna Helin, EDU-cation: Post-Soviet Legacy in Education (17 oktober 2023). Zie https://eestielu.ca/post-soviet-legacy-in-education/ ↑
  7. Pedro De Bruyckere, o.c. ↑
  8. Wat de Esten en de Finnen ons kunnen leren over leren. Johannes Visser in de Correspondent (29 september 2015). Zie https://decorrespondent.nl/3286/wat-de-esten-en-de-finnen-ons-kunnen-leren-over-leren/7b4a4a9f-d5f6-0818-223c-c7c1947536c7 ↑
  9. Pedro De Bruyckere, o.c. ↑
  10. § 82 Funding and Budget of Schools – “Basic Schools and Upper Secundary Schools Act”. Zie https://www.riigiteataja.ee/en/akt/513012014002?leiaKehtiv ↑
  11. Estonian Education System. Zie https://www.educationestonia.org/about-education-system/ geraadpleegd op 17.9.2026 ↑
  12. Pedro Debruyckere, o.c. ↑
  13. Estonian Education System. Zie https://www.educationestonia.org/about-education-system/ geraadpleegd op 17.9.2026 ↑
  14. https://360magazine.nl/estland-scoort-torenhoog-op-ranglijst-onderwijs/ ↑
  15. https://worldclasslearningsystems.com/how-estonia-is-building-a-world-class-learning-system/ ↑
  16. Estonia’s education success: the school model behind it (15 januari 2026). Zie https://www.educationestonia.org/estonian-school-model/ ↑
  17. Aan het einde van deze 9 jaar leggen leerlingen een certificaat van het basisonderwijs af dat het recht geeft om hoger secundair onderwijs voort te zetten. ↑
  18. Het basisonderwijs is verdeeld in drie niveaus van telkens drie jaar, die zo de negen jaren van het verplichte basisonderwijs bestrijken. ↑
  19. Deze verschillende vakinhouden worden exhaustief voorgesteld in het “National curricum for basic schools”. Zie https://www.riigiteataja.ee/en/akt/529042024002?leiaKehtiv ↑
  20. Kadi Raal, What helped Estonian schools successfully handle the coronavirus crisis? (14 september 2020). Zie https://estonianworld.com/knowledge/what-helped-estonian-schools-successfully-handle-the-coronavirus-crisis/ ↑
  21. Pedro De Bruyckere, o.c. ↑
  22. Zie § 38 (“Long Day Group”) en § 40 (“hobby activities at school): https://www.riigiteataja.ee/en/akt/513012014002?leiaKehtiv ↑
  23. https://www.oecd.org/en/publications/vocational-education-and-training-in-estonia_g2g9fac9-en/full-report/component-3.html ↑
  24. Zie https://worldclasslearningsystems.com/how-estonia-is-building-a-world-class-learning-system/ ↑
  25. W. Gruizinga, Estland: onderwijsland van de toekomst? Zie https://www.nso-cna.nl/wp-content/uploads/2018/05/Studiereis-Estland_1.pdf ↑
  26. OECD, Results from TALIS 2024 – Country notes: Estonia, Zie https://www.oecd.org/en/publications/results-from-talis-2024-country-notes_e127f9e2-en/estonia_44178e34-en.html ↑
  27. ibidem ↑
  28. Pedro De Bruyckere, o.c. Inderdaad… de leraressen naar wie wordt verwezen in de door Johannes Visser aangehaalde uitspraak (De Correspondent, september 2015) hebben nu, 10 – 11 jaren later, de de pensioenleeftijd bereikt… ↑
  29. Alexander Kloss, Geen Russische scholen meer in Estland: “het was nu of nooit”, Die Tageszeitung, Berlijn, 13.3.2026. Zie https://360magazine.nl/russisch-estland/ ↑
  30. European Society of Medicin. Perceived learning difficulties, school burnout and digital addiction of students in grades 6 to 12. 31.03.2025 Zie https://esmed.org/perceived-learning-difficulties-and-school-burnout-in-youth/ ↑
  31. Estonian World. Survey: 29% of young people in Estonia are depressed. 13.10.2023. Zie https://estonianworld.com/life/survey-29-of-young-people-in-estonia-are-depressed/ ↑
  32. ERRNews. More than half of students in Estonia forced to work while attending university. 1.6.26. Zie https://news.err.ee/1610043004/more-than-half-of-students-in-estonia-forced-to-work-while-attending-university ↑
  33. ERRNews. Students’ motivation to learn after Estonian-language transition concerns experts. 14.7.2025. Zie https://news.err.ee/1609745078/students-motivation-to-learn-after-estonian-language-transition-concerns-experts ↑
  34. ERRNews. Schools to stop evaluating students’ behavior, diligence from September. 8.4.2025. Zie https://news.err.ee/1609657178/schools-to-stop-evaluating-students-behavior-diligence-from-september ↑