Hoger onderwijs dreigt te ontploffen, maar de kanarie is dood

Facebooktwittergoogle_plusmail

‘De kanarie is dood’, schrijft prof. em. Ruddy Doom (UGent) over de evolutie naar meer markt en minder ruimte voor vrij onderzoek in het hoger onderwijs. De kennismaatschappij moet het afleggen tegen de kenniseconomie. En peda-pundits, onderwijsbobo’s en techno-togati zwijgen daarover als vermoord.

Afgelopen maanden verschenen talrijke opiniestukken rond Hoger Onderwijs (HO) die de toenemende greep van het Management op de organisatie ervan afbranden. Het zou ons te ver leiden op alle punten in te gaan. Ik beperk mij tot een hoofdlijn: wat zich aandient als een verzameling losse incidentele wrijvingen staat voor grootschalige hertekening van het academisch landschap.

Dit is geen gevolg van een samenzweerderig clubje met slechte bedoelingen, maar het resultaat van zelfregulering van een hoog-kapitalistisch systeem, dat uitmondt in macro-economische en politieke herschikkingen.

In dit proces dreigt de controle van de burgers, maar ook van de formele bewindvoerders, teloor te gaan. In deze fase groeit de marktlogica door naar alle sectoren en koloniseert datgene wat lang als vrijhaven werd beschouwd: het HO. Instellingen worden geëvalueerd, in rankings gevat en gesubsidieerd alsof het bedrijven betreft.

Spijkerschrift studeren

Ze worden verondersteld producten af te leveren voor deelmarkten. Instapklare afgestudeerden en direct inzetbare technologie, allemaal klaargestoomd door tech-entrepreneurs werkzaam aancenters of excellence.

In periodes van crisis maakt daarenboven de stelling opgang dat er nuttige opleidingen zijn – deze die onze concurrentiepositie verbeteren – naast luxe-afdelingen. Kun je initieel twijfels koesteren rond het nut van geschiedenisonderricht ter ondersteuning van de euro, dan is de vraag stellen rond exotische studies als spijkerschrift, ze meteen beantwoorden.

Zoals de Nederlands-Vlaamse Accreditering Organisatie het snedig formuleerde, moet het HO tegemoet komen aan de terechte verwachtingen van de ‘voornaamste stakeholders’. Te weten: studenten en werkgevers. Vrij vertaald: efficiënt onderwijs op maat van de kenniseconomie, een beloken koerswijziging ten nadele van de kennismaatschappij.

De kritiek op de vakopleidingen dateert niet van vandaag en er werd sinds lang gewezen op het gevaar dat sterke economische spelers een te grote greep krijgen op onderzoek en de publieke wetenschappelijke infrastructuur. Wat nieuw is, is dat er een batterij bureaucratische instanties opereren die een dominante visie afdwingbaar maken. Uiteraard ontbreekt het niet aan ondersteunende peda-pundits en onderwijsbobo’s, maar in wezen slaat dit op heroriënteringen via top-down beslissingen.

Binnensluipende modellen

Zoals gezegd betreft het geen complot of een machtsgreep, laat staan een actieplan van een minister van Onderwijs. Luc Huyse wees er decennia geleden reeds op dat de domeinen waarop de politiek bakens verzet verschrompelen. Het HO is zo’n veld waarop de beslissingsmacht van het kabinet verdampt is of waaruit men zich teruggetrokken heeft. Op het Europese vlak is er de Bologna-verklaring die de bakens uitzet, tussen Vlaanderen en Nederland bestaat de regulariserende NVAO, en in Vlaanderen ordonneren VLIR, VLORA, VLHUR en andere meerletterige administraties.

Natuurlijk schuilt er rationaliteit in kwaliteitsbewaking, moet geldverspilling tegengegaan en wildgroei belet worden. Wat zorgen baart is dubbel. Vooreerst worden er onder de schutkleur van efficiëntie en gezond verstand waarden en normen binnengesmokkeld die grotendeels onbenoemd blijven.

In feite gaat het om een doorslag van het Angelsaksisch model zoals het onder het hyperliberalisme vorm kreeg. Groot-Brittannië geldt als gidsland, Nederland als bruggenhoofd. Zoals TINA-economisten kritiek afdeden als ideologische verkramptheid, zo wordt verzet tegen de binnensluipende modellen neergesabeld als uiting van politieke vooringenomenheid en belegen nostalgie. Vastgetimmerd als achtergrondsgehik van losers.

Bovendien voltrekt zich een soort stille cascade-beweging. Niet alleen de minister ziet de bevoegdheid afkalven, de rectoren leveren in en decanen verpieteren tot techno-togati. Volgens een ijzeren logica willen administratieve instanties hun bestaanszekerheid verzilveren door een uitdeinende regelgeving. Ik besef dat de term ‘democratisch deficit’ op een stel afgetrapte schoenen lijkt. Maar, voor de sluipende bevoegdheidsaftap gecombineerd met de abdicatie van de politiek, ontbreekt vooralsnog een duidelijker term.

Dit alles gebeurt zonder veel omhaal, zonder grote manifesten , maar ten gevolge van het ingrijpen van stille omes, die hun bevindingen via hamerslagbeslissingen meedelen.

Beruchte publicatiedruk

Neem nu de publicatie-druk. Niemand betwist dat academisch personeel moet presteren en zich niet in het hermelijn moet nestelen. Weinigen onder ons hadden er bezwaren tegen geëvalueerd te worden, onder meer op vlak van publicaties.

Maar bureaucratieën hebben nood aan objectivering, meten, vergelijken en rangschikken, en spoedig bloeit het indicatorenfetisjisme. Dit vertaalt zich in de fixatie op triple A-publicaties, inclusief de h-factoren (aantal citaten ) en het toekennen van labels alshigh impact journal. Annex hiermee floreert het toekennen van academische Michelin-sterren aan excellerende onderzoekseenheden. Terzijde weze opgemerkt dat de instanties die de eretekens opspelden vaak private bedrijven zijn.

Uiteraard zullen individuele researchers zich zodanig gedragen dat ze zich tegenover de directe concurrenten positief profileren. Onderzoeksgroepen zullen onderling dezelfde marktlogica hanteren. En dan is iedereen verwonderd datliving in the fast lane tot Bonanza-toestanden leidt. De afzonderlijke spelers hebben nauwelijks zicht op het totaalplaatje, benomen als ze zijn door desurvival of the fittest-strategie, en, indien ze al nattigheid voelen: tegen wie of wat moeten ze protesteren?

Stel dat ze de kat de bel aanbinden, dan zullen diverse niveaus erop wijzen dat ze alleen maar de regelgeving toepassen, en dat de zaken nu eenmaal zijn wat ze zijn. Ga daar maar eens met een tegenmacht tegenover staan: het is als beuken op een rubberen muur, die even meegeeft en daarna opnieuw de oorspronkelijke vorm aanneemt. Het lijkt alsof enkel Wir setzen und mit Tranen nieder… als enige uitweg rest.

Disciplinering

Voor die fluwelen machtsverschuiving bestaat een aanduiding: disciplinering. In zijn lessencyclus voor het College de France ontleedde Michel Foucault (26 februari 1976), de veranderingen in het wetenschapsbedrijf eind 18de eeuw (de kans dat Foucault nu nog zou promoveren tot gewoon hoogleraar is erg klein).

Hij constateert dat de nationale staat tussenkomt door:

-*het elimineren en diskwalificeren van waardeloze kennis

-*het normaliseren en standaardiseren van kennis en van de dragers

-*het hiërarchiseren en classificeren van kennis

-*het sturen van kennis voor bepaalde doeleinden.

Kort samengevat: door die disciplinering ontstaat er een grotere inwisselbaarheid van personeel volgens de eisen van wat toen moderne economische bedrijvigheid heette.

Wat we nu zien is een voorlopig eindpunt van deze tendens, een herschikking die een gevolg is van de toenemende globalisering en de dominante positie die het Angelsaksische model hierin speelt (alsof het Westen op dit vlak het centrum zal blijven uitmaken!). Wat je met een romantische toets de ‘vrije academicus’ noemt, wordt een wrevelpunt, een disfunctionaliteit die enkel voortleeft in de Zonnebloem- en Barabastypes uit de stripverhalen.

In 1830 schreef C. Jacobi in verband met wetenschapsbeoefening ‘…Le but unique, c’est l’ honneur de l’esprit humain …’.Beroemde wiskundigen zijn niet noodzakelijk scherpzinnige sociologen, en Jacobi is hierop geen uitzondering. Dit arcadisch wetenschappelijk paradijs heeft nooit bestaan, aangezien kennis en macht nu eenmaal niet te scheiden zijn. Een terugkeer naar wat nooit bestond is mogelijk noch wenselijk. Daarenboven is een ivoren toren-mentaliteit nu ook niet het summum, maar wie onderzoekers geen zekere mate van deviantie gunt begrijpt niet dat ook een gebrek aan onafhankelijk denken een prijs heeft (met inbegrip van vergissingen).

Onttrekken aan de markt

Een systeem dat claimt innovatie te stimuleren, en terzelfdertijd onderzoekers, lesgevers en programma’s op een eenheidsleest schoeit, wurgt precies die creativiteit die enkel in diversiteit gedijt. Laten we wel wezen : niet iedereen is kandidaat-Nobelprijswinnaar, maar is het niet verontrustend vast te stellen dat je in het huidige systeem de potentiële Englerts zou liquideren?

Natuurlijk bezit niet iedere lesgever een voorbeeldfunctie, maar wat is de bonus van docentenmobiliteit indien ze inwisselbaar zijn? Uiteraard moeten onderwijsinstellingen ondernemend zijn, maar moet je dit verengen tot rendabel voor de bedrijfswereld? Volgens mij moet je precies de HO-sector onttrekken aan de dictaten van de markt, al is het maar om die markt tegen zichzelf te beschermen.

Studenten zijn geen cliënten of consumenten, wetenschappelijk onderzoek mag niet ten prooi vallen aan commodificatie en docenten moeten ademruimte krijgen voor fundamenteel onderzoek en mogen het lesgeven niet laten dicteren door de wisselende modegrillen.

Is er – in Europa – een draagvlak om dit alles te realiseren? Is er minstens buiten een afwijzingsfront enige eensgezindheid over de einddoelen? Steekvlamacties zullen geen soelaas, maar alleen veelbekeken tv-beelden brengen. Hoe organiseer je duurzaam verzet en wie trekt de kar?

Het is niet realistisch dat studentenacties in de oude vorm -betogingen, bezettingen …- nog veel mobilisatiekracht vertonen (tenware het om een ware ineenstorting gaat zoals in het Zuiden van Europa). Het is onwaarschijnlijk dat klassieke structuren als de vakbonden nog een massale wervende macht ontplooien, corporatieve eisen niet te na gesproken. En met de krapte op de toekomstige arbeidsmarkt kun je van de onderzoekers en docenten evenmin een voortrekkersrol verwachten. Bewegingen als Slow Science vormen voorlopig slechts een contrapunt. En is een andere aanpak financieel haalbaar?

Dode kanarie

De kanarie in de mijnschacht is overleden door gebrek aan zuurstof. Aan kritische stemmen die wezen op waar dit kan toe leiden ontbreekt het niet. Of precieser gesteld: velen menen dat het HO op smeer staat, maar over de eindbestemming is er minder eensgezindheid.

De vele vragen en de schaarse antwoorden ondergraven de slagkracht van alternatieve bewegingen: mensen forceren geen breuk indien de contouren van een tegenmodel niet zichtbaar zijn. Het zal voorlopig moeten komen van een stille en beperkte guerrilla, hopende dat uit de kleine geluiden op de achtergrond uiteindelijk een grotere golf volgt.

Die zal dan wel een ruimer perspectief moeten bieden dan de hervorming van het HO. Anders geformuleerd: het uiteindelijk antwoord is te vinden in een radicale democratisering, waarvan heroriëntering van HO een onderdeel is.

Indien dit niet gebeurt, indien de traditionele politieke leidinggevende kringen geen koerswijzigingen kunnen formuleren in een nieuw discours, of wanneer de tegenkrachten die niet kunnen afdwingen, ja: wat dan? Dan laat je de weg open voor een rechts populistisch avontuur. Wellicht is het gepacificeerd in die zin dat een aantal ranzige kanten bij het huisvuil gezet zijn. Wat overeind gebleven is is de visie op de werking van een ‘gezonde’ economie, met inbegrip van een functionele scholing.

Ruddy Doom

Deze Opinie verscheen op de website van MO* magazine

www.Mo.be