Prof. Jan Blommaert over 10 jaar Bolognaverklaring

Facebooktwittergoogle_plusmail

De Bolognaverklaring bestaat tien jaar en heeft doorheen heel Europa een complete herschikking van het universitaire landschap veroorzaakt. Minister Vandenbroucke beweert dat studentenmobiliteit het doel ervan is. Is dat wel zo? En is dat alles wat er te zeggen valt over de Bologna-operatie?

Het feestgedruis omtrent tien jaar Bolognaverklaring is verstomd, en dus is het tijd voor wat nuchtere reflectie op dit thema. De Bolognaverklaring is zondermeer de meest ingrijpende hervorming van het hoger onderwijs in Europa. Ze heeft over heel Europa een uniform model ingevoerd van hoger onderwijs, gestructureerd rond de Bachelor- en Master-opleidingen, die alle oude bestaande graden (bij ons de ‘kandidatuur’ en de ‘licentie’) heeft vervangen. Vanaf nu spelen alle universiteiten en instellingen van hoger onderwijs in Europa dus binnen éénzelfde speelveld en met dezelfde regels: die van het Angelsaksisch model. Het was een gigantische administratieve oefening – ik heb ze in mijn tijd in Gent zelf mee moeten uitvoeren – waarover veel te weinig debat is gevoerd. Er is her en der wel wat over verschenen, maar een grondige kritiek van het Bolognaproces is achterwege gebleven. Aan universiteiten heerste tijdens de uitvoering ervan een soort ‘laissez-passer’ houding die elk militantisme afwees: “het zal zijn tijd wel hebben” en “plus que ça change, plus que ça demeure la même chose” waren veel gehoorde opmerkingen onder academici.

Minister Vandebroucke kwam naar aanleiding van deze tiende verjaardag zijn zeg doen over Bologna. Voor hem was het duidelijk: Bologna was een succes. Waarom? Omdat vanaf nu studenten veel makkelijker in het buitenland konden gaan studeren natuurlijk. Dat is heel goed voor hen, want, ik citeer Vandenbroucke, “daardoor leren ze die andere talen goed kennen”. Voilà, het doel (of toch minstens het directe nut) van de Bologna-oefening was studentenmobiliteit, weinig meer. Is dat een succes geworden? Neen. Het is zelfs een fiasco: amper 10% van de Vlaamse studenten gaan tijdens hun opleiding in het buitenland studeren. De Bolognaverklaring heeft dus niks verbeterd qua studentenmobiliteit. Indien dat nu het echte doel van Bologna was, dan heeft het z’n doel absoluut niet bereikt. De gigantische oefening die miljoenen werkuren van het academisch personeel in Europa heeft geëist heeft geresulteerd in niets. Vanuit dat standpunt gezien is Bologna dan ook een van de meest zinloze ingrepen ooit geweest, en is het gejubel erover volkomen misplaatst.

Maar was dat wel het echte doel? Om die vraag te beantwoorden moet ik terug naar een uitspraak van Vandenbroucke grijpen. Hij beweerde dat het Bologna-proces “van onderuit” gekomen was, dat het er kwam op vraag en initiatief van de universiteiten zelf. Hij heeft gelijk en ongelijk. Formeel is het zo dat Bologna er inderdaad kwam vanuit universitair initiatief. Het was formeel geen initiatief van de EU of van de nationale regeringen. Maar informeel – en dat wordt nergens vermeld – was er een jarenlange lobbycampagne aan voorafgegaan vanuit de industriële wereld en van diverse overheden, die wanhopig middelen zochten om het hoger onderwijs goedkoper te maken. De Bologna-verklaring kwam er dus minstens met de directe en krachtige steun van zowel de zakenwereld als de overheden. Studentenmobiliteit – daar hadden beide partijen lak aan.

Waar ging het dan wel om? Voor de zakenwereld ging het om de loonkosten in Europa. Die zijn te hoog voor hoger opgeleiden, die doorgaans afstudeerden met een equivalent van een Angelsaksische Master (bij ons: het licentiaatsdiploma). Indien men ervoor zou kunnen zorgen dat hoger opgeleiden de arbeidsmarkt betreden met een Bachelor-diploma – een driejarige opleiding – eerder dan met een licentiaatsdiploma – een vierjarige opleiding – dan kunnen zij minder betaald worden. Als universiteiten er dan nog eens kunnen voor zorgen dat hun afgestudeerden na drie jaar evenveel kunnen als tevoren na vier jaar, dan krijgt de industrie bijzonder goed opgeleide maar stukken goedkoper arbeidskrachten.

In de Angelsaksische wereld is de Bachelor al een ‘uitstroomniveau’, een diploma waarmee men de studies afsluit en de arbeidsmarkt betreedt. Bij ons was een kandidaatsdiploma dat niet, enkel de licentie was een uitstroomniveau. Bologna heeft nu effectief twee uitstroomniveaus geschapen: de Bachelor en de Master. In verscheidene Europese landen hebben de overheden al gezegd dat ‘op termijn’ het standaard-uitstroomniveau dat van de Bachelor moet worden, niet dat van de Master. De Master-opleiding is er voor mensen die ‘door willen studeren’, hetzij vanuit academische ambities, hetzij om in hun loopbaan hogerop te kunnen klimmen (bijvoorbeeld naar management-functies). Ook bij ons zijn dergelijke geluiden al gehoord: minder lang studeren, rapper de arbeidsmarkt op, maar wel evenveel kunnen wanneer men de arbeidsmarkt opgaat.

Het invoeren van de Bachelor en de Master-diploma’s schept dus een heel andere structuur voor hoger onderwijs in verhouding tot de arbeidsmarkt. Het biedt enorme mogelijkheden voor de arbeidsmarkt, want zoals gezegd, men kan nu goed opgeleide Bacherlors inhuren voor minder geld dan de vroegere licentiaten. De Bacherlor-opleidingen worden gezien als gericht op de arbeidsmarkt, terwijl de Master-opleidingen eerder ‘luxe’-opleidingen zijn.
Daarmee is het doel voor het bedrijfsleven geschetst, en dit doel is zeker bereikt. we zullen dat het eerstkomende decennium meteen beginnen voelen op de arbeidsmarkt en, ten gevolge daarvan, ook aan de universiteiten waar men meer en meer ‘praktische’ opleidingen zal moeten uitbouwen die de behoeften van de arbeidsmarkt dienen.

Maar wat is nu het doel van de overheden? Het antwoord hierop is kostenbesparing.
Vermits de Bachelor een uitstroomniveau is, en nu gescheiden bestaat van de Master-opleidingen, kan er een heel andere financieringsstructuur ingevoerd worden voor beide. Concreet: de Bachelor opleiding zal volledig gesubsidieerd worden, terwijl er voor de Master-opleidingen een vrije markt zal moeten ontstaan. Nu subsidieert de overheid de volledige studieloopbaan van studenten. In de regel is dat vier jaar. Nog slechts drie jaar subsidiëren in plaats van vier bespaart een massa geld, die Ministers dan kunnen (en zullen) willen investeren in wetenschappelijke prestigeprojecten. Zo’n gouden kans zullen Ministers van Onderwijs in heel Europa niet graag laten voorbijgaan: het is een unieke kans om de welvaartstaat verder af te breken en miljarden te bezuinigen, terwijl het er toch alles van heeft dat men in wetenschap investeert. De tijd is er nog niet rijp voor (stel je voor dat Vandenbroucke met die driejarige subsidiëring nu naar de verkiezingen zou gaan), maar de geesten zullen snel rijp worden gemaakt. Ze worden nu trouwens al in die richting gemasseerd.

De Master-opleidingen belanden in een vrije markt. Dat wil twee dingen zeggen. Eén ze zullen duurder worden. Universiteiten zullen vrije inschrijvingsgelden kunnen vragen voor hun master-opleidingen, en voor vele universiteiten is dat een buitengewoon aantrekkelijk idee. Er worden dan ook over heel Europa dozijnen nieuwe Master-opleidingen opgericht, want men moet positie kiezen in die markt. Hoeveel duurder zullen die opleidingen worden? Wel, men kan even naar die plaatsen kijken waar dit systeem al bestaat, bijvoorbeeld de VS en Groot-Brittanië. Daar ziet men inschrijvingsgelden van 5OOO tot 15000€ per jaar, en ik spreek hier niet van de top-universiteiten (aan die laatste gaat het over veelvouden van deze bedragen). Wie dus een master-diploma wil, moet investeren – investeren in de eigen loopbaan, want het zal hier steeds meer gaan om studenten die vanuit hun carrière sociale promotie willen. Ook dat ziet men duidelijk in de Angelsaksische wereld.

Twee, dat wil ook zeggen dat universiteiten met elkaar moeten concurreren. Ook hiervoor heeft Bologna de juiste condities geschapen. De uniformisering van de universiteiten over heel Europa laat toe dat men alle universiteiten met elkaar kan meten en vergelijken: de zogeheten ‘rankings’ en ‘league tables’ (rangschikkingen van universiteiten) komen eraan, en in de wereld van het non-profit management kan men nauwelijks wachten. Een hoge plaats in de ‘league tables’ zou immers betekenen dat men ‘objectief beter’ is dan de concurrentie. Daardoor kan men selectiever zijn inzake de studenten die men aantrekt, bijvoorbeeld door hogere inschrijvingsgelden te vragen. Bijvoorbeeld: Leuven staat op 17 in de Europese rangschikking, Gent op 21, dus Leuven kan zich permitteren iets duurder te zijn dan Gent.

Ik verzin hier niets, dit is geen science-fiction. Alles wat ik hier beschrijf bestaat al, werkt al en heeft allerhande nefaste gevolgen in de Angelsaksische wereld – het model, zoals we weten, voor de Bologna-verklaring. Vandenbroucke zelf is gaan doctoreren in Oxford, dus hij weet dat goed genoeg. Eén van de dingen die zullen verdwijnen is het democratische ideaal dat aan ons hoger onderwijs ten grondslag lag: de idee dat eenieder die getalenteerd is, ongeacht rang, stand, geslacht of afkomst, de best mogelijke en hoogst mogelijke opleiding moest kunnen krijgen met overheidssteun. Dat was goed voor iedereen, het maakte onze samenleving rijker. (Ikzelf had in een ‘vrije markt’ omgeving nooit kunnen studeren, en zo ken ik nog wel wat topwetenschappers). Door de Bologna-verklaring ligt er nu een structuur ter tafel die in wezen alle zaadjes van elitarisme inhoudt.

Hoger onderwijs zal duurder (dus elitairder) worden, en universiteiten zullen steeds meer als bedrijven in een vrije markt moeten denken en opereren. Dus: niet vanuit een ideaal van samenwerking en academische solidariteit, maar vanuit een ideaal van ‘cut-throat’ concurrentie en egoïsme.

De vraag die gedurende tien jaar nooit gesteld is, is deze: is ons hoger onderwijs nu echt verbeterd door de Bologna-oefening? Bevat de Bologna-structuur garanties op kwaliteitsverbetering? Het antwoord daarvan verdraagt een grondige analyse. Ik heb ze voor mezelf gemaakt en het antwoord is: neen.

Jan Blommaert is een sociolinguïst en taalkundig antropoloog en werkzaam aan de Tilburg University als hoogleraar taal, cultuur en globalisering en directeur van het Babylon Centrum voor de studie van superdiversiteit.