Universiteit aan het einde van haar Latijn

Facebooktwittergoogle_plusmail

De huidige beroering – betogingen van studenten en docenten in Brussel, Antwerpen en weldra, op 27 april, in Gent – rond het financieringsplan van minister Vandenbroucke voor het hoger onderwijs, doet de vraag rijzen naar de achtergrond ervan. Tussen de verklaring van de Europese onderwijsministers in Bologna (1999), de structurele aanpassingen van het Vlaams hoger onderwijs met o.a. het “structuurdecreet” en het huidig plan Vandenbroucke voor een nieuwe financieringswijze van het hoger onderwijs, bestaat een rechtsteeks verband.
Hieronder publiceren we een artikel van Ruben Ramboer over de achtergronden en gevolgen van “Bologna”. Hoewel het artikel dateert van 2002, bevat het veel interessante elementen om de huidige plannen van Vandenbroucke beter te kunnen duiden. Het artikel verscheen in “De democratische school”, nr. 10, april 2002. De auteur was toen wetenschappelijk medewerker aan de VUB.

Dertig Europese onderwijsministers ondertekenden in 1999 in Bologna een amper 2 bladzijden tellend documentje met als titel The European Higher Education Area. Vandaag (dit artikel werd in 2002 geschreven, nvdr) maakt de Vlaamse Executieve zich op om de Bolognaverklaring in decreet te gieten. Voor sommigen leek er destijds nog weinig aan de hand. Uitgangspunten als de competitiviteit van hoger onderwijs (HO) en employability (“tewerkstelbaarheid”) mochten dan al een niet erg welriekend geurtje verspreiden, de ordewoorden van de voorgestelde hervormingen brachten verluchting. Mobiliteit, levenslang leren (LLL) en autonomie doen het immers al eeuwenlang goed in academië. Ook met de noodzaak aan kwaliteit in de kennismaatschappij lijkt op het eerste gezicht weinig mis. Intussen wordt echter duidelijk dat de hervormingen zowat alles onderuit halen waar universiteiten voor staan.

Achter de holle woordenpraal schuilt een programma van commercialisering en privatisering van de universiteit. De grote kuis in de universitaire wereld begon zo’n kleine 20 jaar geleden op Europees en internationaal niveau. Een blik achteruit en buiten de landsgrenzen om de goed klinkende ordewoorden – al te vaak door de media herkauwd – te doorprikken en om de verreikende consequenties van de Bolognaverklaring en haar Vlaamse variant, het ter tafel liggende Decreet betreffende de Herstructurering van het Hoger Onderwijs in Vlaanderen, kortweg Structuurdecreet, te vatten.

Onderwijs als economisch wapen

Bij de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap had die verdragsrechtelijk niets te zeggen over (universitair) onderwijs. Alleen indirect, door een aantal bepalingen in het Verdrag van Rome (1957) over wederzijdse erkenning van diploma’s, beroepsopleiding en de mobiliteit van arbeidskrachten kon ze wat meepraten. Naar de letter is dat tot op vandaag nog steeds het geval. Toch drong Europa zich steeds sterker op als bepalende beleidsmaker. De aanvang van die opdringerigheid viel zowat samen met het verschijnen van de Europese Eenheidsacte (1986), die de Europese integratie definitief inschreef in de neoliberale mondialisering met Thatcher en Reagan als grote roergangers.

Niet toevallig ging aan die diepblauw ingeslagen weg de oprichting van de Europese Ronde Tafel der Industriëlen (ERT) vooraf, een machtige bende van 47 zakenleiders van Europese multinationals met het versterken van de concurrentiekracht van Europa’s bedrijven als enigste oogmerk. Zij werd in 1983 boven de doopvont gehouden in en slaagt er met een gezamenlijk zakencijfer meer dan tweemaal zo groot als het BNP van Frankrijk aardig in om haar stem te laten gelden. Vooral haar invloed op de Europese Commissie (EC) spreekt boekdelen. De voltooiing van de interne markt, de Maastricht-criteria en de tijdstabel voor de inwerkingtreding van de Monetaire Unie, de grootschalige Trans-Europese Netwerken, het “vrijmaken” van kapitaal- en telecommunicatiesector en de voorstellen tot privatisering van andere openbare diensten: telkens werd het ballonnetje opgelaten door ERT. Overigens bedankte toenmalig commissievoorzitter Delors bij de voorstelling van zijn Witboek Groei, Competitiviteit en Werkgelegenheid (1993) ERT voor de bereidwillige medewerking. En op haar site pakt ERT, naast complementjes van Clinton, Kohl, Chirac, ook uit met een brief van voormalig commissievoorzitter Santer, waarin deze zijn sympathie betuigt en ERT verzekert dat ze op een zelfde lijn zitten.

In dit ideologisch klimaat begrijpen we de oprukkende onderwijsbevoegdheid van de Europese Unie (EU). Onderwijs werd halverwege de jaren ’80 herontdekt als instrument in de sociaal-economische politiek. In zijn eerste Witboek (1984), dat aan de basis ligt van de Eenheidsacte, beschouwt Delors onderwijs al als strategisch middel in de koers naar de eengemaakte markt van 1992. In het tweede Witboek krijgt onderwijs een centrale plaats toebedeeld in het versterken van Europa’s competitiviteit.

Hooggekwalificeerde arbeidskrachten moeten de sputterende economische motor weer aanzwengelen. De upgrading of skill zou ook een strijdmiddel zijn tegen werkloosheid en sociale uitsluiting. De ideeën over de actieve welvaartsstaat en employability krijgen vorm. Een en ander culmineerde in de doelstelling van de Europese Raad (de regeringsleiders van de lidstaten) geformuleerd op de Conferentie van Lissabon in 2000: van Europa de meest competitieve kenniseconomie ter wereld maken tegen 2010, niet toevallig ook het jaartal tegen welke de onderwijsministers de Bolognaverklaring willen realiseren.

De uitbreiding van Europa’s bevoegdheid inzake onderwijs wordt legitiem door de nieuwe invulling die het Europees Gerechtshof geeft aan de genoemde bepalingen uit het Verdrag van Rome. Alle HO krijgt het cachet van beroepsopleiding en de wederzijdse erkenning van diploma’s laat initiatieven toe in de organisatie van het curriculum. Daarnaast weet de EU ook aan touwtjes te trekken door de bepalingen omtrent het vrij verkeer van personen en door het aanbod van beroepsopleidingen als dienst te bestempelen wat het onderwerpt aan de regels van de vrije concurrentie. Tot slot verscheen LLL in het verdrag van Amsterdam (1997) als nieuw werkterrein.

Niet verwonderlijk weegt ook hier ERT op de agenda. Vier rapporten van ERT, volledig gewijd aan onderzoek en onderwijs, zagen reeds het daglicht. Bovendien is ERT geen vreemde in de (Belgische) universitaire wereld. De twee laatste rapporten – Education for Europeans – Towards the Learning Society (1995) en Investing in Knowledge – The Integration of Technology in European Education (1997) – zijn gebaseerd op “studiewerk” van het centrum LLL (KUL) onder leiding van ere-rector Roger Dillemans (en onder de voormalige minister van onderwijs Van Den Bossche eveneens ere-commissaris belast met de optimalisering van de universiteiten) én op dat van een vakgroep aan de UCL. Rector Marcel Crochet (UCL) windt er geen doekjes om. Op de vraag of ERT invloed uitoefent op het onderwijsbeleid antwoordt hij zonder blozen: Oui, je l’espère! De Europese Conferentie der Rectoren (CRE, ondertussen samen met een andere rectorenorganisatie opgegaan in EUA, de European University Association) staat ook al op nauwe voet met ERT. Op haar site meldde ze dat ze uitstekend samenwerkt met ERT, die verschillende van haar studies financiert. Samen geven ze publicaties uit en opereren ook dikwijs als één instelling zijn ERT-CRE, The European University-Industry Forum.

Die innige industriële, politieke en universitaire verstrengeling op de hoogste echelons van de macht resulteert in een in een louter industrieel, commercieel en utilitair universitair onderwijsbeleid. Eind jaren ’80 zette EC de programma’s COMETT (betrekken van industrie bij de opleiding) en ERASMUS (aanwakkeren van mobiliteit van studenten) op getouw, programma’s die het in de markt aanwezige menselijke kapitaal geschikt aanwenden. Het uit 1991 daterende Memorandum on Higher education van EC heeft voor de universiteit een nieuwe zending in petto: The higher education institutions should adopt cooperation with industry as a fundamental part of their mission and should be ready to adapt their structures of courses and qualifications and methods of course delivery to support this cooperation. Dat Memorandum bevatte reeds grotendeels de blauwdruk van het universitair onderwijsbeleid en lanceerde eveneens de genoemde ordewoorden. In een voorbereidend congres op het Memorandum dat plaatsvond aan de KUL in 1989 maakt Dillemans duidelijk over wat het gaat: The state university which is centralised (and bureaucratic), and officially equal to all others in the country, with absolute equivalence of degrees and a proportional right to research subsidies, will disappear. Minister van onderwijs Daniel Coens deed op dit congres inspiratie op voor zijn universitair decreet uit 1991, dat de Vlaamse universiteiten op de rails van de commercialisering plaatste.

Enkele jaren later lanceert EC, zich baserende op de genoemde ERT-rapporten, de Witboeken Towards the Learning society (1996) en Towards a Europe of knowledge (1997) waarin LLL wordt voorgesteld als instrument van employability en economische groei. In het Memorandum heette LLL nog onverbloemd het commercieel product van een universitaire onderneming. Une université ouverte est une entreprise industriel et l’enseignement supérieur à distance est une industrie nouvelle. Cette entreprise doit vendre ses produits sur le marché de l’enseignement continu. LLL is in die zin een omkering van het oude academische ideaal van permanente vorming en heeft een louter commerciële betekenis. Permanente vorming bouwt verder op de oorspronkelijke vorming en legt ook de klemtoon op kritische zin evenals op de ontwikkeling en vervollediging van iemands kennen en kunnen. Bij LLL is de initiële formatie van minder belang en gaat het om consumptie, mobiliteit, flexibiliteit en “tewerkstelbaarheid” van de toekomstige arbeidskracht. LLL hoort samen met mobiliteit, de druk op loonkost, minimumloon en sociale uitkeringen thuis in het leger neoliberale flexibeliseringsmaatregelen, met welke men de frictioneel – en niet structureel – geachte werkloosheid hoopt aan te pakken. We gaan zien dat het vertoog over mobiliteit en LLL vooral zand in de ogen strooit.

De mythe van de kennismaatschappij

In feite is de sociaal-economische legitimatie van het onderwijsbeleid alles behalve een nieuwe vondst. Al ten tijde van de stoommachine meende men dat kennis de belangrijkste productiefactor werd. De slogan (en het enigste programmapunt) Education, Education, Education waarmee Tony Blair in Engeland aan de macht kwam, getuigt bijvoorbeeld van weinig vernuft, want werd eind 19de eeuw al gelanceerd door de Amerikaanse industriemagnaat Andrew Carnegie. Driekwart eeuw later verklaarde de Amerikaanse president Johnson ook al dat the answer for all our national problems comes down to a single word: education. Paradoxaal genoeg vroeg zelfs arbeidssocioloog Taylor bij het begin van de 20ste eeuw om bekwamere arbeidskrachten, terwijl mans theorieën juist aan de basis liggen van de scheiding van manuele en intellectuele arbeid, en van de dékwalifcatie op de werkvloer. In zijn ogen moeten – om de loonkost binnen de perken te houden en om de arbeiders de kennis van het productieproces te ontnemen – de kwalificaties op de werkvloer zoveel mogelijk gedrukt worden. Het gros van de arbeiders moet taken uitvoeren met een repetitief karakter, in een mum van tijd aan te leren op de werkvloer – herinner u de karikatuur van de arbeider die Charlie Chaplin neerzette in zijn film Modern Times. De hooggekwalificeerde (en beter betaalde) jobs zijn weggelegd voor een minderheid, die dat vooral moet blijven. De toepassing van die ideeën resulteert in de uiterst hiërarchische arbeidsorganisatie, zo kenmerkend voor de bedrijven in de 20ste eeuw.

Al het geblaat over kenniseconomie, post-taylorisme, … ten spijt, verandert daar weinig aan. Robert Reich, de minister van arbeid onder Bush Sr. ziet ook in de nieuwe economie een dualisering van de arbeidsmarkt met enerzijds a relative small number of “symbolic analysts” en anderzijds a very large number of relatively unskilled, routinized workers. Een studie waarop hij zich baseerde stelt het nog explicieter: Growth in demand for skilled labour is actually projected to decline over the next decade (…). The dirty secret of present educational reform, known to all but rarely stated, is that employers generally don’t want or need a highly trained workforce. In 2000 maakt het Amerikaans Instituut voor Statistiek een raming van de jobs het meest in trek in de periode 1998 tot 2006. Van de tien eerste beroepen in het lijstje vereisen 6 geen kwalificatie en 2 maximum 2 jaren studie na het secundair onderwijs.

In België en Europa is het niet anders. Uit een studie van arbeidssocioloog Huyse (KUL) in 1999 blijkt dat er in de industrie weinig sprake is van upgrading of skill. En het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) liet recent nog weten dat er een groeiend tekort is aan lager geschoolden. Overigens nemen werkloosheid en de zogenaamde flexi-jobs de laatste tien jaar onrustwekkend toe. In Europa is vandaag, alle verdoken werkloosheid meegerekend, gemiddeld een kleine 15% werkloos en bijna 50% werkt via interimbureau’s, deeltijds, met contracten van bepaalde duur en/of klopt onregelmatige uren. Slechts een select gezelschap slaagt erin om nog voltijdse contracten van onbepaalde duur aan de haak te slagen. Meestal betreft de just in time levering van flexibele arbeidskrachten niet bepaald jobs met een hoog onderwijsniveau. Overigens voert in de EU 37% van de werkers korte, repetitieve taken uit, is er voor 45% geen sprake van taakrotatie en bij maar liefst 57% van de jobs zijn repetitieve hand- en armbewegingen een feit.

Ook bij het laagje sociaal vernis van onderwijshervormingen past een stevige korrel zout. Onderwijs is nooit een kracht van meer sociale gelijkheid geweest. Lonen zijn veel meer afhankelijk van het soort sector, de economische constellatie, de macht van vakbonden,… tot zelfs van ras en geslacht van de werknemer dan wel van zijn onderwijsniveau. Bovendien neemt ook in de 1ste wereld de kloof tussen rijk en arm almaar toe. Een CEO in Amerika verdient vandaag 200 tot 300 maal meer dan de laagste in rang. Een uitschuiver in een rapport van ERT illustreert dat hoge kwalificaties, noch sociale promotie kopzorgen baren. Voor ERT is er helemaal geen gebrek aan werkgelegenheid. Als de lonen maar flexibel genoeg zijn, dan zouden in Europa ook schoenpoetsers aan den bak komen …

Wat dan wel?

Andere motieven liggen aan de basis van de universitaire hervormingen. Het universitair onderwijs slorpt teveel overheidscenten op en komt te weinig tegemoet aan de maatschappelijke behoeften, zo liet Thatcher reeds weten. De werkloosheidscijfers van afgestudeerden zijn vanuit het oogpunt van economische efficiëntie een verkwisting van overheidsmiddelen. In België, bijvoorbeeld, bedroegen die cijfers in 1994 voor richtingen als economie, wiskunde, fysica en informatica bijna 10%, voor geschiedenis, pol & soc en psychologie & opvoedkunde meer dan 20%, en voor de filosofie zelfs bijna 50%.

Dat studenten aangemoedigd worden tot het volgen van interesting, not directly job-related, studies stuit ERT dan ook tegen de borst. Dat ze die bovendien quasi voor niks krijgen, maakt het helemaal te bont. ERT wil een injectie van het adequate aantal afgestudeerden, niet te weinig dus, maar zeker niet teveel. Voor de stakeholders of society is dat misbruik van publieke middelen, of in andere woorden, té hoge onderwijsuitgaven plaatsen onnodige druk op de bedrijfswinsten.

Daarom is het essentieel een halt toe te roepen aan de massificatie en de povere aanzetten tot democratisering van HO. Efficiëntie vereist een drastische inkorting van de officiële studieduur en een beperking van de studentenaantallen. Komaf maken met een overheidsfinanciering berekend op basis van het aantal studenten en de vervanging van het beurzenstelsel door een systeem van leningen zijn andere voorgestelde maatregelen om de overproductie van studenten te lijf te gaan.

Weze nog opgemerkt dat het verhaaltje van een overheid die het geld uit de ramen gooit, een andere veelgehoorde klacht, weinig steek houdt. De loonkost in onderwijs neemt door het arbeidsintensief karakter nu éénmaal relatief sneller toe dan in minder arbeidsintensieve sectoren. Samen met de anciënniteit van het personeel verklaart dat meer dan 75% van de groei van de onderwijsuitgaven van begin jaren ’60 tot midden jaren ’70. De massificatie van onderwijs deed de rest.

In de loop van de jaren ’80 stond overal in Europa het onderwijsbeleid, net als in de andere openbare diensten, in het teken van massaal (en blind) rationaliseren en besparen. In 1975 bedroegen de publieke uitgaven per student in verhouding tot het BNP in Europa nog gemiddeld 0.54%, in 1992 is dat nog maar 0.29%, quasi een halvering. België is bij de beste leerlingen van de klas. Onderwijsministers Coens en Damseaux schieten in 1985 uit de startblokken. Voor de universiteit betekende dat een daling van de werkingstoelage per student en een bevriezing van de rijkstoelagen aan de sociale sector van de universiteit. In 1991 ging Coens er met een volledig nieuw universitair decreet pas goed tegenaan. Universiteiten werden voortaan nog maar voor minder dan de helft gefinancierd op basis van het aantal studenten. Coens liet ook al ballonnetjes op voor het terugbrengen van een aantal studierichtingen van 5 naar 4 jaren en voor ingangsexamens, maar die voorstellen haalden het niet. Onder het bewind van minister Van Den Bossche werden ondanks dat zelfs hij erkende dat de bestaande financiering de meest urgente noden van de universiteiten niet meer dekt nog wat besparingen doorgevoerd, waarbij vooral kleinere universiteiten het kind van de rekening waren. In de laatste 20 jaren resulteerde dat in België met een daling van de forfaitaire kost per student (in constante prijzen) van meer dan 30%.

Mocht de besparingswoede in den beginne een doel op zich lijken, naarmate de tijd vorderde bleek het hét instrument in de commercialisering van HO. In 1994 verscheen onderwijs ten tonele in het lijstje met de te “dereguleren” – in klare taal de te liberaliseren – openbare diensten van de General Agreement on Trade in Services (GATS). De Wereldbank vroeg dat zelfde jaar, desondanks het economisch wat beter ging, de besparingen in het hoger en universitair onderwijs zeker niet terug te schroeven maar integendeel over te schakelen naar een hogere versnelling. Het zou de universiteiten dwingen hun centen te zoeken bij de student en de industrie, hetgeen neerkomt op een de facto privatisering. De Wereldbank weet goed waar ze heen wil. Voor haar zijn de hervormingen oriented to the market rather than to public ownership or to governmental planning and regulation. En: Underlying the market orientation of tertiary education is the ascendance, almost worldwide, of market capitalism and the principle of neo-liberal economics. De slogan Groei, jobs en een competitieve economie is eens te meer de legitimatie om de pil te slikken. Leon Brittan, Europees Commissaris voor concurrentie, kwam destijds, naar eigen zeggen, de zakenwereld tegemoet in hun wens tot realisatie van GATS door het oprichten van “studiegroepen” die de blijde boodschap zouden verkondigen.

Het klaarstomen voor de markt

De markt van onderwijsdiensten is veelbelovend. De WTO, moeder van GATS, schat ze op een slordige 30 miljard Euro en vraagt totale vrijhandel in de sector. Op termijn zou de gezamenlijke omzet van de onderwijsbedrijven zelfs die van de autosector overstijgen. Het belang van de onderwijsmarkt blijkt ook uit de samenkomst van de onderwijsministers van de G8, die in 2000 te Tokyo voor de eerste maal in de geschiedenis de koppen bij elkaar steken.

De vraag op de onderwijsmarkt lijkt inderdaad onbeperkt. Met meer dan één wasmachien kunt ge weinig aanvangen, maar met onderwijskoopwaar ligt dat anders. Met de diepgewortelde (maar ijdele) hoop om via het constant opkrikken van uw waarde op de arbeidsmarkt te stijgen op de treden van de sociale ladder, is de consumptie van onderwijs verzekerd – vergelijk het met de andere veelbelovende markt van de 21ste eeuw, zijnde de gezondheidskoopwaar, die zolang men op de aardbol wil vertoeven, steeds in trek zal zijn.

Met de commercialisering van onderwijs worden ook verschillende vliegen in één klap geslagen die steeds aan de basis gelegen hebben van onderwijsbeleid – in de ene periode al met wat meer succes dan in de andere. De overheid kan zorgeloos verder besparen op HO en helpt bovendien door de verkorting van studieduur en beperking van studentenaantallen de vraag te creëeren op de markt van het LLL. De elitisering en hiërarchisering evenals de inhoud van HO beantwoorden zo de heersende wensen op de arbeidsmarkt. Eveneens welkom is dat de overheid zich ontdoet van alle verantwoordelijkheid inzake sociaal beleid. Onderwijs is in de actieve welvaartstaat een instrument in de strijd tegen werkloosheid en sociale uitsluiting, maar u bent wel zelf verantwoordelijk voor uw onderwijs.

De onderwijsministers van Duitsland, Italie, Frankrijk en Engeland brengen met de ondertekening van de Sorbonneverklaring in 1998 het commercialiseringsproces in een stroomversnelling. Iets meer dan een jaar later nodigde de Italiaanse minister van Onderwijs zijn collega’s uit van de 15 lidstaten van de EU evenals 15 andere Europese staten – uitbreiding van de markt, weet ge wel – om aan de Sorbonneverklaring een vervolg te breien. De Bolognaverklaring is geboren.

Opmerkelijk is dat nu ook de universiteiten bij het besluitvormingsproces worden betrokken, en dat zij zelfs het hardst aan de kar trekken. Bij nader inzien gaat het wel slechts om de grootste universiteiten die hopen om zich een deel van de commerciële koek toe te eigenen. Voor Dirk Van Damme, voorzitter van de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VlIR) én door minister van onderwijs Vanderpoorten aangesteld om de Bolognaverklaring in wet te vertalen, zijn de huidige universitaire hervormingen een reactie op de nakende en onvermijdelijk geachte onderwijsmarkt. De markt zelf vorm geven teneinde de eigenheid van de Europese universiteit te bewaren noemt hij het. Zelf noem ik het kiezen tussen de pest en de cholera.

Net zoals voor de andere privatiseringen van andere openbare diensten bestaat het universitair beleid er voortaan in de overheidsmonopolies omver te werpen en de markt klaar te stomen door de universitaire wereld zodanig te herstructureren dat de universiteiten of een hapklare brok worden voor de privé, of zichzelf pogen te manifesteren op de markt. En het is hier dat de Bolognaverklaring en het Structuurdecreet om het hoekje komen kijken. Kwaliteit, autonomie en mobiliteit zijn én marktvereisten, én -katalysatoren in de Europese Ruimte van HO, of beter, de eengemaakte Europese markt van HO.

De universitaire onderneming

Zo heeft de autonomie waar de Bolognaverklaring de mond vol van heeft, niets te zien met de vroegere betekenis: een door publieke middelen gewaarborgde academisch vrijheid en onafhankelijke inhoudsbepaling van het curriculum. Dat het juist de politieke wereld is die de autonomie op de agenda geplaatst heeft terwijl het deel uitmaakt van het erfgoed van de universiteit is op dat vlak al een teken aan de wand.

Coens noemde autonomie destijds een compensatie voor de financiële drooglegging van de universiteit. Het idee is dat universiteiten de mogelijkheid krijgen om de gederfde inkomsten terug te winnen door ze met hogere inschrijvingsgelden te verhalen op de student enerzijds, of door het uitvoeren van contractonderzoek voor de privé en op jacht te gaan naar intellectuele eigendomsrechten, anderzijds. Eurydice, een studiebureau dat werk aflevert voor EC verwoordde het in 2000 als volgt: The increase in autonomy allowed institutions to adapt their course offer to student and business needs, which, in turn, made it easier for them to approach either community for supplementary funding. De door de Wereldbank hierboven geformuleerde verborgen doelstelling achter de besparingen krijgt langzaam maar zeker haar wettelijk kader.

De noties autonomie en maatschappelijke dienstverlening werden in België ingevoerd met het Coensdecreet, maar de gevolgen bleven toen nog binnen de perken. Er werden maxima gestipuleerd voor de inschrijvingsgelden en van eigendomsrechten was nog geen sprake. Echter, vanaf 1998 kunnen ook in de Vlaamse Gemeenschap universiteiten hun onderzoek valoriseren, dit is commercieel uitbuiten, door het nemen van patenten, octrooien en winstbewijzen evenals door het oprichten van spinn-off bedrijven. Van dan af kwam wetenschappelijk onderzoek niet meer automatisch ten goede aan de gemeenschap. Of dit de onafhankelijke zoektocht naar waarheid bevordert is twijfelachtig. Openheid van onderzoek maakt plaats voor industrieel geheim – de concurrent zou wel eens het weetje kunnen inpikken. Erger nog is de mogelijke manipulatie van vondsten teneinde de belangen van de aandeelhouders niet te schaden. Het vijfde Directoraat-Generaal van EC (onder leiding van Busquin) trok ondertussen de lijn door. In Towards a European research area (2000) pleitte ze om alle hindernissen uit de weg te ruimen die de universiteiten nog belemmeren hun onderzoek te valoriseren. Voorts verhoogt het Structuurdecreet de maxima van de inschrijvingsgelden en opent poortjes voor het heffen van variabele inschrijvingsgelden. Zijn we op weg naar Amerikaanse toestanden alwaar de inschrijvingsgelden variëren tussen 6 à 12 000 $ aan de staatsuniversiteiten en 25 à 30000$ aan de prestigieuze elite-universiteiten?

Net zoals dat bij andere openbare diensten het geval was en is, is de autonomie waarvan sprake in de beleidsteksten een tussenfase in het privatiseringsproces. Ze is analoog aan de autonomie van een bedrijf. Onder het mom van responsabilisering maakt men van de openbare dienst een overheidsbedrijf die binnen afgesproken grenzen, gedefinieerd in een beheersovereenkomst, autonoom mag handelen aangaande prijszetting, personeelsbeleid, marketing, investeringen, enzovoort. En onder het mom van samenwerking met de stakeholders of society houdt men in de Raad van Bestuur van de universiteit zitjes warm voor vertegenwoordigers van de privé, teneinde de commerciële gedachte te voeden. Op termijn hoort bij dit soort autonomie een sterk centraal gezag met geldgewin als drijfveer van alle handelen.

Het collegiaal bestuur van een universiteit waarbij de rector ageert als primus inter pares en waarbij ook de student wordt betrokken is daarbij een doorn in het oog. In 1998 werd daarom in de decretale regeling van de universiteiten rector systematisch vervangen door universiteitsbestuur. Dit mag dan al een detail lijken, er is duidelijk iets anders aan de hand. In een bedrijf is het nu eenmaal niet de gewoonte dat het personeel een vinger in de pap heeft te brokken. Consumenten worden al evenmin betrokken bij het “productieproces”. De gevolgen voor het academisch personeel zijn ingrijpend. Net als in een bedrijf is het personeel een noodzakelijk kwaad waarvan de kosten moeten gedrukt worden door een dynamisch personeel- en arbeidsvoorwaardenbeleid., en daarin is zeker geen plaats meer voor de vaste benoeming van het academisch personeel, dé garantie achter de academische vrijheid. EC vraagt zich zelfs af waarom proffen al de cursussen moeten geven, en niet goedkopere assistenten kunnen ingeschakeld worden. Robert Heterich, president van de Amerikaanse onderwijsmultinational Educom, gaat nog verder. Ook aan de universiteit is uitstoting van arbeidskrachten aan de orde: Today you’re looking at a highly personal human-mediated environment (…) The potential to remove human mediation in some areas and replace it with automation -smart, computer-based, network-based systems- is tremendous. It’s gotta happen. Studenten zijn in dit plaatje slechts consumenten, het voorwerp van marketingafdeling, te lokken met glimmende reclamebrochures die hen moeten overtuigen van de kwaliteit van de koopwaar.

Kwaliteit stuurt

Kwaliteit wordt voorgesteld als een verantwoording van de publieke middelen aan de stakeholders of society. Maar over wat dat beestje juist inhoudt, zwijgt de Bolognaverklaring in alle talen. Het Structuurdecreet spreekt over de opname van meetbare indicatoren in de beheersovereenkomst opdat de Vlaamse Executieve de opdracht toegewezen aan de bestuurlijke associatie (d.i. één universiteit die zich verenigt met minimum één hogeschool) kan evalueren, maar daar blijft het bij.

Het Coensdecreet omschreef de eerste versie van kwaliteitsbewakingt. Proffen uit een bepaald vakgebied verzamelen zich in een visitatiecommissie en beoordelen elkaars cursussen. De bewaking vindt plaats op nationaal en interuniversitair niveau en blijft zonder gevolgen. In 1998 gaat EC een stapje verder. In een richtlijn pakt ze uit met de definitie: Quality assurance criteria are closely linked to the aims assigned to each institution in relation to the needs of the society and of the labour market. In die zin vindt de Europese beleidsmaker ook dat kwaliteitsbewaking weinig zin heeft zolang ze intern georganiseerd en zonder gevolgen blijft.

EUA pleit onomwonden om in nauwe samenwerking met de industrie cursussen te beoordelen, vergelijken en accrediteren – letterlijk betekent dat laatste “voor echt erkennen”, een beetje zoals een kieken een dioxine-vrije stempel krijgt. Vervolgens verdelen de kwaliteitsevaluaties hetgeen rest aan publieke middelen. External evaluation should affect public funding luidde het op Forum 2000, een congres alwaar de academische top brainstormde over de toekomst van de universiteit. Alzo krijgt de universitaire hiërarchie vorm met een beperkt aantal Centres of Excellences aan de top, die EC definieert als zij die de capaciteit hebben om kennis te produceren dat kan gebruikt worden in de industrie en alwaar de elite wordt klaargestoomd. Net zoals dat in de 19de eeuw bij bedrijven het geval was, maakte de concentratie van het “productieproces” ook controle op eigendomsrechten mogelijk, hetgeen bij een versnipperd universitair landschap niet het geval is.

Van Damme maakt duidelijk dat kwaliteit en autonomie dekmantels zijn voor het uitbouwen van die universitaire hiërarchie. Hij vreest dat een beleid in het kader van democratiseringsoverwegingen (…) op termijn niet alleen een onzinnige maar ook een disfunctionele bekommernis is. In een internationaliserende context is er in Vlaanderen ruimte voor instellingen (liefst meerdere) die topniveau nastreven, én voor instellingen toegankelijkheid, laagdrempeligheid en gerichtheid op de lokale context als maatstaven voor kwaliteit nastreven. Kwaliteit à la carte, dus.

Het Structuurdecreet roept trouwens reeds meer dan één kwaliteit in het leven. Verscheidene accreditatiekaders omschrijven de generieke minimale kwaliteits- en niveauvereisten voor een bepaalde categorie van opleidingen. De bepaling en beoordeling gebeurt door het zogenaamde accreditatieorgaan, op te richten bij afzonderlijk decreet of door internationaal verdrag. De gevolgen zijn niet min. Rapporten en besluiten zijn openbaar en bij ontstentenis van een geldige accreditatie (…) wordt de opleiding geschrapt uit het Hoger Onderwijsregister, hetgeen neerkomt op het intrekken van de onderwijsbevoegdheid. Ook staat de deur op een kier voor financiering in functie van kwaliteit. Een Erkenningscommissie, tot slot, opgericht door de Vlaamse Regering en samengesteld uit binnen- en buitenlandse deskundigen, controleert of de instelling haar onderwijsbevoegdheid niet te buiten schrijdt en geeft advies bij de macro-doelmatigeheid van een nieuwe opleiding.

Op termijn komt evenwel een definitief einde aan elke rol van de overheid in kwaliteitsbewaking ondanks voorlopig nog het tegendeel wordt beweerd. Vandaag reeds bestaat er toezicht door een Europees overkoepelend orgaan. Die rol is weggelegd voor het door EC gefinancierde European Network for Quality Assurance in Higher Education (ENQA). En ENQA ziet de samenwerking met de overheid maar zitten zolang die nog grotendeels instaat voor het financieren en het wettelijk organiseren van HO. Volgens ENQA zal dat niet lang meer duren en dan is het taak om klaar te staan want Both US-based accrediting organisations and European associations are increasingly positioning themselves in a growing European market for accreditation. ENQA ziet zich in de nabije toekomst als een soort meta-accrediteringsorganisatie en heeft haar criteria al klaar voor privé-agentschappen die tot ENQA’s netwerk willen toetreden, of hoe kwaliteitsdoorlichting en accreditering zelf het voorwerp zijn van commercialisering. Al die agentschappen kunnen dan de universiteiten beoordelen op kwaliteit volgens algemeen vastgelegde principes, een beetje zoals bedrijven, willen ze genoteerd staan op de beurs te New York hun boekhouding moeten organiseren volgens de Generally Accepted Accounting Principles (GAAP). Is ENQA op wat het Structuurdecreet doelt als ze spreekt over de oprichting van het accreditatieorgaan bij internationaal verdrag of over de verlening van een accreditatie op grond van een buitenlandse accreditatie? Waarschijnlijk wel. Vanderpoorten verdedigde recent bijvoorbeeld de uitbesteding van de kwaliteitsbeoordeling met de drogreden dat regio’s als Vlaanderen te klein zijn om zelf een systeem van accreditatie en kwaliteitsbewaking op poten te zetten.

Naarmate de overheidsregulering en -financiering slinkt is de discriminatie in financiering of het schrappen van een onderwijsbevoegdheid op basis van kwaliteit van geen tel meer. Het idee is dat bij niet-accreditering een onderwijsbedrijf haar geloofwaardigheid op de markt kwijtspeelt. Willen ze overleven dan zijn de kwaliteitscriteria de enige richtsnoer. De goed in de oren klinkende “kwaliteit” is zo het rookgordijn voor marktinformatie over de output, over de macro-doelmatigheid, van de instellingen van HO. EC werkt reeds aan een databank The Gateway to The European Learning Area waarin de consument neust om vervolgens rationeel te kiezen uit het aanbod op de markt. En in dergelijke banken moet gescoord worden. EUA wil dat instellingen van HO en universiteiten op Europese schaal strategische netwerken uitbouwen die kwalitatief sterke educational trade marks and brands ontwikkelen. Zij zouden dan noch verzuipen in dergelijke banken, noch gegrepen worden door de tentakels van Amerikaanse multinationals. De bestuurlijke associaties zijn een eerste stap in die schaalvergroting op de universitaire markt.

De mobiele consument

Wil kwaliteit haar rol van vergelijkingscriteria vervullen dan is eenvormigheid in het voorwerp van vergelijking ook een must. En hier komt de harmonisering van het curriculum door het Bachelor-Master (BaMa) model evenals als door het European Credit Transfer System (ECTS) op de proppen. BaMa deelt naar analogie van het Angelsaksisch model het curriculum op in 2 cycli, terwijl het ECTS-stelsel het opdeelt in kredietpunten. Een hogere leesbaarheid en transparantie van het curriculum zou de mobiliteit van de student ten goede komen. Maar ook dat is een rookgordijn.

De mobiliteit waarvan sprake heeft geen uitstaans met het oude ideaal van reizende proffen en studenten die kennis delen, maar heeft zoals gezien een zuiver economisch inhoud. In het neo-liberale denken is het vrij verkeer van personen, oftewel de mobiliteit van arbeidskrachten, noodzakelijke voorwaarde om het aanbod van arbeid af te stemmen op de vraag. Opdat de productiefactor arbeid daar ingezet kan worden waar nodig, en opdat personen ieder ogenblik hun koffers kunnen pakken om overal in het eengemaakte Europa aan de slag te kunnen is de vergelijkbaarheid van diploma’s vereist – mobiliteit in functie van employability heet dat in de Bolognaverklaring.

De redenering is bedenkelijk. Enerzijds is de voorstelling van de vergelijkbaarheid als in het belang van arbeid vals. Het zijn de werkgevers die om hun machtspositie te behouden en te verstevigen uit een zo groot mogelijk reservoir van arbeidskrachten willen putten. Anderzijds is het een drogreden omdat de vergelijkbaarheid niet de laaggekwalificeerden aanbelangt terwijl bij de enkele hooggekwalificeerden sowieso geweten is welk vlees in de kuip zit. Hun mobiliteit vindt grotendeels plaats tussen de vestigingen van de multinational alwaar de strepen worden verdiend.

Het zijn markt en handel van onderwijs op Europese schaal die smeken om mobiliteit en transparantie. Client-orientation and competition require, as well as promote, mobility (CRE) . Gewone consumptieproducten vinden hun weg naar de consument via distributiekanalen. Bij onderwijs (op afstandsonderwijs na) is dat niet het geval. De consument trekt naar waar “kwalitatief” onderwijs wordt aangeboden en stelt op flexibele wijze zijn curriculum samen. Een organisatie van het academisch onderwijs in jaren en nationale diploma’s staat die schaalvergroting van de vraag in de weg. Ook de schaalvergroting van het aanbod, het bereiken van een zo groot mogelijk potentieel klantenbestand, kan niet zonder een “gestandaardiseerde productie”. Voorbeelden zijn QWERTY en AZERTY-klavieren die in 19de eeuw andere klavieren (soms zelfs effectiever) buiten spel zetten, of VHS-videocassettes die van Betamaxsystemen industriële archeologie maakten, of nog, de comptabiliteit van alle software met het Windows besturingssyteem. Daarom pleit EC in haar witboek Education for Europeans om werk te maken van het breaking down the broad discipline fields into basic units wil de Europese markt van LLL vorm krijgen – ECTS-punten als munteenheid van de onderwijsmarkt…

Tot op heden werd ECTS (in België ingevoerd met het decreet Coens) kwantitatief in termen van tijdseenheden opgevat. Een aantal uren cursus kreeg een aantal studiepunten en de kous was af. Zo is een academisch jaar in de Vlaamse Gemeenschap gelijk aan 60 studiepunten. Op termijn, echter, moet kwaliteit, de arbeidsmarktrelevantie, de punten uitdelen. Trouwens, afstandsonderwijs evenmin als de validering van credits acquired in non-education context, zoals Bologna dat verwoordt (waaronder men bedrijfsopleiding of -ervaring verstaat) laten zich in uren tellen. En in een markt alwaar kwaliteit zich laat betalen zijn uren al helemaal passé.

In Leira, alwaar de Bolognaverklaring op dat vlak werd opgevolgd, werd de term credit currency ingevoerd en werd een pleidooi gehouden voor een kwantitatieve relatie met vaardigheden. In continuing education the relationship between competencies and credits would have been to established as would be the age and validity of the credits. Ook moet het transfertsysteem omgevormd worden in een accumulatiesysteem to encompass different types of learning. EC werkt in die zin aan de Personel Skill Card (PSC). Op die kaart staat dan de waarde, de kwaliteit, van de geconsumeerde punten en naarmate het aangeleerde “minder waard” is, worden de studiepunten afgeschreven, zoals de stock van een bedrijf. Voor de berekening van de puntjes, de kwantificering van kwaliteit, werkt men aan verschillende indexen, zoals bijvoorbeeld de alumni-index, die de puntjes in relatie zet tot het startersloon van afgestudeerden.

Niet onwelkom is dat zowel de invoering van het BaMa-model als het ECTS-stelsel ook de studieduur helpen in te korten. Guy Haugh, adviseur bij CRE: governments have articulated plans to reduce the theoretical duration of studies and the attractiveness of models featuring shorter 1st qualifications followed by postgraduate studies for a smaller number of students has grown (…) The move towards BAMA degrees (…) can also be explained in this term. Vandaag bestaat er met de kandidatuur en het licentiaat natuurlijk ook een opdeling van het curriculum maar het verschil is dat de kandidatuur gericht is op doorstroming naar het licentiaat. Bij BaMa is dat niet het geval. Nog volgens Haugh draagt ECTS ook bij tot een werkelijke verkorting van de studieduur. Door de fragmentering van het curriculum in consumeerbare eenheden is het niet meer noodzakelijk alle vakken te volgen. Andere herschikkingen in het curriculum zoals de semestrialisering (dit is het opdelen van het jaar in twee semesters) en de opbouw van het curriculum uit modules kunnen ook in deze context gezien worden.

Een en ander vertaalt zich in BaMa’s van verschillende kwaliteit. EUA pleit alvast voor twee soorten Bachelor: één voor een minderheid gericht op doorstroming naar de Master en een ander die de production of the ready-mades verzorgt. Instrumenten als hogere inschrijvingsgelden, numerus clausus of een toegang afhankelijk van het soort Bachelor verzorgen de schifting. Het Structuurdecreet voorziet zelfs in de mogelijkheid om de inschrijving tot sommige BaMa ’s slechts open te laten voor personen respectievelijk reeds in het bezit van een BaMa-diploma. Dat het gaat om een regulering van de aantallen bleek ook uit het feit dat EUA gesprekken voert over het gewenste aantal doctorates, masters, bachelor, others. Voor alle vormen van diploma’s zijn reeds gestandaardiseerde profielen in de maak, of accreditatiekaders, zoals dat heet in het Structuurdecreet. En zo worden de dictaten van de arbeidsmarkt beantwoord: een paar hoog gekwalificeerden met een praktijk ondersteunende, theoretische kennis en voor het “betere” gepeupel een zuiver praktijkgerichte bachelor die EUA uiterst gedragsmatig invult als het kunnen uitvoeren van een taak op de werkvloer, als de adaptability en the values and attitudes relevant for good job performance en ten laatste, maar niet ten minste, een positieve ingesteldheid versus LLL.

De gevolgen zijn ingrijpend. Dat de logische samenhang, de coherentie en de interdisciplineariteit van het universitair curriculum onder dit alles te lijden heeft, is evident. De fragmentering knipt de band tussen de vakgebieden door. Samen met de geeuwhonger naar kwaliteit is van een kritische, algemene en onderzoeksgedreven vorming nog weinig sprake. Onderwijs dat overwegend kant en klare typetjes aflevert voor de arbeidsmarkt, creeërt individuen als de protagonisten in Brave New World. Van democratisering is evenmin nog sprake. Voor “kwaliteit” zal de student diep in de buidel moeten tasten en in de markt krijgt alleen de eigenaar van een goedgevulde portefeuille zijn goesting. Daarnaast maakt de fragmentering door de individualisering van het leerproces, ook al een vereiste van een onderwijsmarkt, een studentengemeenschap, met haar folklore maar ook met haar kritische functie ten aanzien van beleid en met haar vertegenwoordiging in de universitaire bestuursorganen, onmogelijk.

Een laatste rem op uniforme, commerciële goederen is de taal. GATS vraagt dat wetten die onderwijs in een andere taal verbieden of beperken, in de prullenmand belanden. Universiteiten en hogescholen moeten werken aan een realistic language provision heet dat in één van de opvolgingscongressen van Bologna. Daaronder wordt de levering van volledige curricula in a LINGUA FRANCA, a lingua franca in the sense of only one European language verstaan. Die taal is het Engels.

In het decreet Coens mocht de 2de cyclus maximaal 20% vakken in een andere taal bevatten. Daarenboven kregen studenten steeds het recht om in het Nederlands examen af te leggen. In het Structuurdecreet blijft de officiële onderwijstaal Nederlands, maar kwantitatieve beperkingen voor onderwijs in een andere taal behoren tot het verleden. Men spreekt nogal abstract over een beperkte mate en een expliciet gemotiveerde beslissing. Studenten krijgen in dit geval wel nog het recht om examen af te leggen in het Nederlands. Maar in de BaMa’s enkel toegankelijk voor respectievelijk houders van een BaMa-diploma verdwijnt dat recht en mag het instellingsbestuur zelfs volledig autonoom de taal van de opleidingsonderdelen bepalen, wat uit “concurrentieoverwegingen” zal uitmonden op een groeiend gebruik van het Engels.

Nogal ironisch dat de beleidsmaker in een streek alwaar het gevecht om onderwijs in eigen taal zo hevig heeft gewoed dat nog geen halve eeuw later onder druk van GATS zo makkelijk laat varen. Op termijn leidt dat voor Geert van Istendael tot niet minder dan tot het verdwijnen van de Nederlandse taal: als je een taal van haar hoger onderwijs berooft, vernietig je haar op termijn.

Europa mag dan al hopen Amerikaanse studenten aan te trekken, vooral voor de VS biedt het commerciële mogelijkheden. Amerikaans minister van Buitenlandse Zaken Kissinger zag het na WOII reeds als volgt: eens de Hollywoodfilms draaien in Europa, zal de verkoop van Amerikaanse auto’s wel volgen. Het monopolie van de Engelse taal heeft ook ingrijpende politieke gevolgen. De VS hebben er politiek alle belang bij dat ervoor te zorgen dat de wereld een gemeenschappelijke taal aanvaardt dat het Engels is, dixit een topmanager in het bedrijfsadviesbureau, Kissinger Associates.

ULB-professor Nagels verduidelijkt de vandaag reeds heersende conformiteit in het wetenschappelijk debat: Aux Etats Unis et en Europe les équipes de recherche travaillent en quelque sorte en famille (…) et participent (…) à l’éloboration et à l’affinement de la pensée unique. Bij algemeen gebruik van Engels in de wetenschappen krijgt de machtspositie van het neo-liberale denken een nieuw zetje, en dreigt het wetenschappelijk debat definitief plaats te vinden binnen de krijtlijnen uitgezet door de Amerikaanse en Engelse tijdschriften, die de ideologie van internationale instellingen als WTO, NAVO, Wereldbank en IMF uitademen. Voor de beleidsmaker is het geschetste cultuurimperialisme blijkbaar van geen tel.

Zwarte toekomst?

De commercialisering van de ivoren toren gaat met rasse schreden vooruit. Over onderzoek en onderwijs gaat het al lang niet meer, dat is slechts de naam van het lucratief beestje. De universiteit van Fichte – universities exist to exercise critical judgment – ondergaat een metamorfose in een onderneming met eigendomsrechten en onderzoek, cursussen en onderwijs(software) als koopwaren. De privatisering zaagt ook de poten af van de leerstoelen van het academisch personeel. Ze worden gedegradeerd tot de werknemers van het kind van de “derde industriële revolutie”, de universitaire onderneming. De druk om de vaste benoeming op te heffen in naam van de heilige flexibiliteit wordt steeds groter. En de studenten ruimen baan voor consumenten. Zij kopen en verbruiken cursussen en onderwijs, liefst op enige afstand.

Maar is de commercialisering met haar vernietiging van de universitaire identiteit op alle vlakken werkelijk zo onvermijdelijk als voorgesteld? Het antwoord is negatief. De commerciële hervormingen zijn niet gespeend van grondwettelijke moeilijkheden. Dat dit effectief het geval is, blijkt ook uit de geringschattende opmerking hierover door voormalig minister Van Den Bossche. Hij verzette zich met klem tegen het in absurdum doortrekken van de grondwettelijke garanties. En daarmee doelt hij onder andere op het gelijkheidsbeginsel, het legaliteitsbeginsel en het recht op vrij onderwijs.

Zo was voor de Raad van State de maatregel in het Coens-decreet die bevoegdheden naar de universiteiten, naar de VlIR of andere organen strijdig met het legaliteitsprincipe van de grondwet. Zoals voor alle andere vormen van onderwijs berust ook bij het academisch onderwijs (…) de normeringsbevoegdheid bij de Vlaamse Raad. Elke ingrijpende regulering van universiteiten moet derhalve in decreet worden opgenomen. Volgens onderwijsrechtspecialist De Groof dient dat decreet bovendien worden aangenomen worden met een 2/3 meerderheid. Verder houdt het recht op vrij onderwijs voor De Groof onder andere in dat ieder het recht heeft op een school naar keuze binnen een redelijke afstand van de woonplaats. En die vlieger gaat ook op voor het tertiair onderwijs. Het gelijkheidsbeginsel houdt natuurlijk in dat naast alle studenten, ouders, personeelsleden ook onderwijsinstellingen gelijk zijn voor wet of decreet. Bijgevolg zijn de gelijkheid van de diploma’s evenals een financiering op basis van gelijke en objectieve criteria grondwettelijk gewaarborgd. De Groof plaatst ook vraagtekens bij de legaliteit van ongelijke inschrijvingsgelden. Volgens het Verdrag van de Rechten van de Mens is het tertiair onderwijs trouwens verondersteld te streven naar kosteloosheid. Tot slot staat ook het recht op onderwijs in de “bestuurstaal” grondwettelijk buiten kijf.

Duidelijk is dat de maatregelen voortspruitende uit de Bolognaverklaring en het Structuurdecreet – discriminatie in financiering, intrekken van onderwijsbevoegdheden, rangorde van diploma’s en hiërarchie van universiteiten op basis van kwaliteit waarvan de beoordeling bovendien overgelaten wordt aan een autonoom orgaan, ongelijke toegang en inschrijvingsgelden enzoverder, enzovoort – een loopje nemen met de grondwet. Niet verwonderlijk, bijvoorbeeld, dat EC het recht op onderwijs uit de nationale grondwetten wil schrappen en wil vervangen door de mogelijkheid tot LLL…

Staan op de grondwettelijke garanties die slechts met minimum een 2/3 meerderheid, en in bepaalde gevallen zelfs slechts met een gekwalificeerde meerderheid, voor wijziging vatbaar zijn, is dus dé rem op de commercialisering. Dat de grondwet wel degelijk ingrijpende, “ongewenste” effecten kan teweegbrengen, bewijst bijvoorbeeld het niet-opgaan van de Zweedse Kroon in de Euro omdat de onafhankelijkheid van de Centrale Bank, de eerste voorwaarde voor deelname aan de Europese Monetaire Unie, in Zweden grondwettelijk onmogelijk was.

Zonder reactie, evenwel, op de commerciële aanval tikt de klok verder. Door een twee maanden lange staking in 1997, actief gesteund door de studenten, bijvoorbeeld, aan de York University, de derde grootste universiteit van Canada, wisten de proffen de controle uit de brand te slepen over al de beslissingen aangaande de automatisering van onderwijs en de samenwerking met industrie. In Spanje en Turkije trokken recent tienduizenden studenten de straat op uit protest tegen het onderwijsbeleid. Misschien kunnen studenten en academisch personeel in België uit deze voorvallen wat inspiratie putten…

* Ruben Ramboer is Wetenschappelijk medewerker aan de VUB.