Le 20 décembre 2008
In Duitsland slaagt maar 7 procent van de Turken van de tweede generatie erin om de universiteit of hogeschool te halen. In Frankrijk is dat 47 procent, in Nederland 28 procent.
Het zijn cijfers die worden gepresenteerd door de onderwijskundige Maurice Crul van de Universiteit van Amsterdam, en die volgens hem eens temeer bewijzen dat je kinderen kansen ontneemt als je hen op jonge leeftijd indeelt in verschillende niveaus. In Duitsland worden kinderen geselecteerd als ze 10 zijn, in Frankrijk als ze 15 zijn en in Nederland als ze 12 zijn.
In Duitsland is de toestand het ergste, zegt Crul. ‘Daar gaan kinderen pas op hun zesde naar school, voor halve dagen. Turkse kinderen spreken dan natuurlijk vloeiend Turks, en komen dan pas in het Duitse onderwijs terecht. Al vier jaar later, op hun tiende, worden ze geselecteerd voor de Hauptschule, vergelijkbaar met het vmbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs), en op hun vijftiende voor een duale beroepsopleiding.’ Ontsnappen uit deze route is nauwelijks mogelijk.
In Frankrijk gaan kinderen al naar school als ze 2,5 zijn, en naar collège als ze 12 zijn. Pas op hun vijftiende gaan ze naar het lycée, waar ze worden onderverdeeld in een beroepsgerichte stroming en een algemene stroming (een soort havo/vwo ; havo = hoger algemeen voortgezet onderwijs ; vwo = voortgezet wetenschappelijk onderwijs). Maar nog steeds zitten ze bij elkaar op school.
In Nederland worden kinderen van 12 verdeeld over vmbo, havo en vwo, en daarmee ligt hun schoolcarrière goeddeels vast. Crul : ‘Kinderen met een laag schooladvies worden opgesloten op het vmbo.’ Tot een jaar of tien geleden lag het cruciale keuzemoment op 14 jaar, aan het einde van de brede brugklas. Een golf van structuurwijzigingen veranderde dat. De basisvorming betekende dat alle kinderen veel vakken moesten doen, en scholen vonden dat zo zwaar dat ze zich gedwongen voelden de kinderen naar niveaus in te delen. Het studiehuis maakte de overstap van mavo (middelbaar algemeen voortgezet onderwijs) naar havo haast onmogelijk. De havo bevat sindsdien een vak dat mavo-klanten niet hebben gehad. Bovendien werden scholen zelfstandiger en bepalen ze zelf hoe ze hun brugklas inrichten.
Al die veranderingen gingen dezelfde kant op : wie op het vmbo terechtkwam, kwam er niet meer vanaf. Het ‘opstromen’ (van mavo naar havo naar vwo) dat altijd een behoorlijk percentage leerlingen lukte, kwam vrijwel tot stilstand. ‘Voor witte kinderen die naar de havo gingen, was er niets aan de hand. Allochtonen en kinderen uit de arbeidersklasse hebben de prijs betaald’, zegt Crul.
(bron : Volkskrant, 6 december 2008)