Interview met Ides Nicaise over het boek “De school van de ongelijkheid”

Facebooktwittermail

In 2002 ging onder minister Vanderpoorten het gelijke onderwijskansendecreet van start. Scholen met minstens 10 % kansarme leerlingen kunnen rekenen op extra ondersteuning om de leerkansen van deze leerlingen te verhogen. Huidig minister van onderwijs Vandenbroucke heeft deze wetgeving verdergezet én er trouwens hét speerpunt van gemaakt van zijn onderwijsbeleid. Hij heeft de ambitie om ons onderwijs kampioen te maken in de gelijke onderwijskansen.

Maar de realiteit in de scholen toont schrijnend aan dat gelijke onderwijskansen toch nog een verre droom is. In  “De school van de ongelijkheid” leggen de auteurs de vinger op de wonde. Ons onderwijs selecteert niet alleen leerlingen op basis van hun sociale afkomst, ze versterkt nog eens deze ongelijkheden. Hoog tijd dus om één en ander te verduidelijken.

De Nieuwsbrief (van Fopem) sprak met Ides Nicaise, één van de auteurs van het boek. Dit interview verscheen in de nieuwsbrief  van FOPEM, de Federatie van Onafhankelijke Pluralistische Emancipatorische Methodescholen  www.fopem.be

Nieuwsbrief Fopem: Jullie boek behandelt het mantra van minister Vandenbroucke, namelijk de gelijke onderwijskansen. In het boek wordt een onderscheid gemaakt tussen twee visies op deze gelijke kansen, met name het egalitarisme en de meritocratie. Wat is het verschil tussen deze twee visies ? En waar situeer je het onderwijsbestel in Vlaanderen, eerder egalitair of meer meritocratisch ?

Ides Nicaise: De meritocratie en het egalitarisme zijn twee verschillende visies op gelijkheid in de samenleving en dus ook in het onderwijs. Beiden zijn ze een reactie tegen de band tussen de sociale afkomst van een persoon en de maatschappelijke positie die hij of zij bekleedt. Je zou dus kunnen zeggen dat het twee maal om een progressief gedachtegoed gaat. Toch zijn er belangrijke accentverschillen.

De meritocratie vertrekt vanuit de verdienste, als een combinatie van aangeboren talent en inspanning want meritocraten zien drie oorzaken die aan de basis liggen van schoolprestaties: de inspanning van de leerling, zijn talent en zijn sociale afkomst. Talenten moeten gekoesterd worden voor meritocraten. Vandaar dat getalenteerde leerlingen bijvoorbeeld nog een beurs krijgen om verder te studeren in het hoger onderwijs. Maar meritocraten verliezen uit het oog dat deze talenten sterk samenhangen met de sociale afkomst. Wie van betere komaf is, heeft de beste talenten om te slagen in ons onderwijssysteem. Op die manier blijft sociale afkomst een belangrijke factor in een meritocratisch systeem. Zij beschouwen talent als een vast gegeven dat aan elke persoon wordt meegegeven van bij de geboorte. Maar we weten reeds lang dat talent eigenlijk een heel dynamisch gegeven is door het samenspel tussen de omgeving en de genetische structuur van personen. Dit betekent dus dat kinderen met gelijke talenten die opgroeien in een verschillend milieu, ook verschillend zullen ontwikkelen.

De egalitaristische visie vertrekt niet vanuit de persoonlijke verdienste of talent maar neemt de menselijke waardigheid als uitgangspunt. Die menselijke waardigheid moet de mogelijkheid krijgen om zich ten volle te ontplooien. Iedereen heeft dan ook recht op goed onderwijs, ongeacht je sociale afkomst of talent, maar gewoon omdat je mens bent.
Om het onderwijs in Vlaanderen te situeren moet ik genuanceerd antwoorden. In het lager onderwijs wordt eerder egalitair gedacht; het hoger onderwijs daarentegen sluit eerder aan bij een meritocratische visie. Maar je mag gerust zeggen dat ons onderwijs, internationaal vergeleken, sterk meritocratisch werkt. Een voorbeeld, ons onderwijs is heel sterk gestratificeerd. Dit komt er op neer dat zogenaamde sterke leerlingen geselecteerd worden voor zogenaamde sterkte studierichtingen. Zwakke leerlingen vallen uit de boot en “zakken af” naar zwakkere studierichtingen met weinig theoretische leerstof. Dit watervalsysteem start reeds in de basisschool, waar de kinderen uit lagere sociale milieus vaker doorverwezen worden naar het buitengewoon onderwijs.

Nieuwsbrief:  Studies tonen aan dat kansarme kinderen veel meer kans hebben om terecht te komen in het buitengewoon onderwijs. Momenteel bereidt de overheid een nieuw decreet “leerzorg” voor om het gewoon onderwijs beter af te stemmen op de noden van de leerlingen. Welke raad geef je de overheid om een decreet uit te werken dat zich richt op gelijke kansen zodat minder kansarme leerlingen terecht komen in het buitengewoon onderwijs ?

Ides Nicaise: Eigenlijk is het een schande dat zoveel kansarme kinderen terecht komen in het buitengewoon onderwijs. Niet omdat ze een handicap hebben, maar gewoon omdat ze kansarm zijn. Eén van de lessen die we kunnen trekken uit het project zorgverbreding van een tijd geleden is dat leerkrachten uit het gewoon onderwijs sneller in staat zijn om leerproblemen te diagnosticeren. Maar veel scholen voor gewoon onderwijs slagen er niet in om deze problemen daadwerkelijk aan te pakken en te remediëren. Het gevolg is dat de doorstroming naar het buitengewoon onderwijs nog steeds toeneemt.
Ik stel dan ook voor om zwaar te investeren in het basisonderwijs om scholen in staat te stellen kleinere (kleuter)klassen te maken. Daarnaast is een extra investering in de deskundigheid van leerkrachten in het basisonderwijs noodzakelijk. Als het om de studieduur van onderwijzers gaat, is België hekkensluiter in Europa. Zo moeten onderwijzers in Portugal vijf jaar studeren aan een universiteit. Maar een overheid zou reeds een tandje moeten bijsteken in de voorschoolse opvang van nul tot drie jaar. Het is toch wel vreemd dat “Kind en Gezin” vooral actief is in de begeleiding van ouders kort na de geboorte van een kind. Maar nadien worden vele ouders aan hun lot overgelaten totdat het kind de kleuterklas binnenstapt.

Nieuwsbrief: Eén van jullie conclusies in het boek is dat het Vlaamse onderwijs niet alleen ongelijk selecteert tussen leerlingen maar dat het deze ongelijkheden versterkt. Welke mechanismen spelen hier een rol ?

Ides Nicaise: De cijfers zijn onthutsend ! We hebben hier echt te maken met een klassenonderwijs met een ASO voor de rijke(re) leerlingen en een BSO voor de arme(re) leerlingen. Zo tonen we in een tabel aan dat op 15 jaar slechts 10 % van de armste leerlingen terecht komt in het ASO, terwijl op dezelfde leeftijd 90 % van de rijkste leerlingen naar een ASO-school gaat. Dé manier om deze ongelijke selectie tegen te gaan is blijven hoge verwachtingen stellen aan alle leerlingen. Het is toch paradoxaal dat leerlingen die niet goed zijn in bijvoorbeeld wiskunde als het ware gedumpt worden in een studierichtingen waar weinig wiskunde wordt aangeboden ? Zo krijg je een beroepsonderwijs met weinig algemene en kritische vorming en een algemeen secundair onderwijs waar leerlingen zich bijna uitsluitend moeten verdiepen in theoretische kennis. Leerlingen in het ASO worden opgeleid tot kritische burgers, hun collega’s in het beroepsonderwijs daarentegen krijgen een zeer utilitaire beroepsopleiding. De waardenopvoeding in het beroepsonderwijs is dan ook grondig verschillend van die in een ASO-school. In het beroepsonderwijs moeten jongeren vooral leren gehoorzamen en zelfdiscipline aanleren terwijl ASO-leerlingen het zich kunnen permitteren om een maatschappijkritische houding aan te nemen.

Nieuwsbrief: Komen we zo niet terecht bij het pleidooi voor een brede middenschool ? Zeker gelet op de uitspraak in jullie boek dat “hoe vroeger de segregatie naar onderwijsvorm, hoe groter de leerachterstand van leerlingen is” ? FOPEM pleit reeds langer voor een brede middenschool na het basisonderwijs met eenzelfde lesprogramma voor alle leerlingen.

Ides Nicaise: Zeker, maar er zijn wel een aantal voorwaarden verbonden aan een goede middenschool. Ten eerste is een brede middenschool comprehensief, dus geen ASO-school. Dit wil zeggen dat er een breed curriculum is van algemene, praktische, technische én kunstzinnige vakken. Ten tweede moet iedereen terecht kunnen in deze school met heterogene klassen. Zo kan iedereen leren van elkaar. Het voordeel is dat leerlingen die later naar het ASO of het TSO of het BSO gaan breder gevormd zijn tot hun 14 of 15 jaar. Ten derde is extra ondersteuning noodzakelijk voor zwakkere leerlingen. Ten slotte moeten leerlingen kunnen rekenen op ondersteuning bij hun studiekeuze. Een keuze voor een bepaalde studierichting moet begeleid worden waarbij leerlingen hun eigen voorkeuren en talenten kunnen exploreren. Nu worden leerlingen nog te veel georiënteerd op basis van een negatief criterium, namelijk datgene wat ze niet kunnen. Leerlingen die dan niet goed zijn in algemene vorming komen dan terecht in studierichtingen met nauwelijks algemene vorming.

Nieuwsbrief: In jullie boek bespreken jullie de vervreemding die kinderen uit volksmilieus ervaren tegenover de school. Is ervaringsgericht onderwijs dan een probaat middel om deze vervreemding tegen te gaan ? Zo zijn Raf Feys en Pieter Van Biervliet van mening dat ervaringsgericht onderwijs ten gunste is van leerlingen van betere komaf omdat hun ervaringen, ontstaan in hun thuismilieu, hoog worden ingeschat in het onderwijs.

Ides Nicaise: Raf Feys en Pieter Van Biervliet hebben gelijk als het gaat om leerlinggestuurd onderwijs. Nederlands onderzoek heeft aangetoond dat kansarme leerlingen niet gebaat zijn met een systeem waar leerlingen zelf hun leertraject bepalen. Maar je mag leerlinggestuurd onderwijs niet verwarren met ervaringsgericht onderwijs. Zo heb ik toch gelezen dat een man zoals Célistin Freinet een sociaal bewogen leerkracht was die ervaarde dat de schoolse kennis niet aansloot bij de leefwereld van kansarmere kinderen. Ik durf zelfs te beweren dat ervaringsgericht onderwijs extra rendabel moet zijn voor kansarme kinderen.

Nieuwsbrief: De vrijheid van onderwijs is één van de pijlers van het onderwijs in Vlaanderen. In een interview in Knack breek je een lans om deze vrijheid van onderwijs in te perken. Waarom dit pleidooi ? Ik merk hierbij op dat deze onderwijsvrijheid de basis is om nieuwe scholen op te richten, zoals onafhankelijke methodescholen.

Ides Nicaise: De vrijheid in het algemeen is een goede voedingsbodem voor creativiteit maar ze wordt begrensd door de gelijkheid en waardigheid van de medemens. In het boek vind je een figuur waarbij we aantonen dat hoe groter het aandeel van het privaat onderwijs is, hoe groter de sociale ongelijkheid is. Daarmee bedoel ik niet dat private scholen, in Vlaanderen het vrije net, op zich de boosdoeners zijn. Het marktaandeel van private scholen is slechts een indicator van de liberalisering van het onderwijs. Hoe meer privaat onderwijs in een land, hoe groter de concurrentie tussen scholen, óók binnen het officieel onderwijs. Deze concurrentie is gebaseerd op de reputatie van de school. Zo krijg je een segregatie tussen sterke en zwakke scholen en dus tussen sterke en zwakke leerlingen. Deze concurrentie tussen scholen versterkt alleen maar de sociale ongelijkheid. Een extreme maatregel om deze concurrentie aan banden te leggen is het onderbrengen van alle scholen onder één gemeenschapsonderwijs. Maar de onderwijsgeschiedenis in ons land leert dat deze maatregel politiek niet haalbaar is.

Een zachter alternatief is een strengere bewaking van de gelijke toegang en de gelijke kwaliteit in alle scholen: het scherper formuleren van de eindtermen, het invoeren van een nationaal curriculum met nationale examens en het bestrijden van discriminaties bij de toegang tot scholen. Zo kan het toch niet dat scholen leerlingen weigeren op basis van hun geloofsovertuiging, of het dragen van een hoofddoek.

Wat de vrije schoolkeuze van ouders betreft, beseffen we dat dit een zeer gevoelige materie is. Toch zou de inperking van deze vrije schoolkeuze tot een betere sociale mix kunnen leiden in scholen. En wat het methodeonderwijs betreft, ben ik helemaal nog niet klaar. Hoe dan ook erken ik dat methodescholen een meerwaarde betekenen voor ons onderwijs. En ik hoop dat vele methodescholen zich inschrijven in het verhaal van gelijke onderwijskansen.

Nieuwsbrief: Ides, dank je voor dit boeiende gesprek.

Interview afgenomen door Kris Denys